Aschwin aan het woord
Onwetend, maar toch belast.
Zo voelde het lange tijd. Alsof ik met een zware rugtas liep, zonder precies te weten wat erin zat. Een blinddoek waardoor alles straks in de vergetelheid raakt.
Want wie waren mijn voorouders eigenlijk?
Hoe zit het met hun verhalen?
Wie waren die mensen in de zwarte fotolijstjes aan de muur?
Mijn Indische roots zijn eigenlijk pas echt gaan leven na het overlijden van mijn opa. Daarvoor voelde ik me vooral gewoon senang. Een beetje oppervlakkig misschien, op de pasar malam met een sateetje in mijn mond. Veel verder ging het niet. Eerlijk gezegd had ik niet zoveel met dat Indisch zijn.
Want wat betekent dat dan precies? Dat gevoel van Indo zijn? Het eten, de gezelligheid, familie, kumpulans, tempo doeloe?
Als kind kwam de oorlog weleens ter sprake. Niet vaak en nooit lang. We zaten dan met z’n allen rond de vijver bij opa en oma in de tuin. In het water bewogen de koi-karpers langzaam onder het oppervlak, alsof ook zij wisten dat er even geluisterd moest worden.
Opa Chiel vertelde dat hij als kind gitaar had leren spelen in het Japanse interneringskamp. De Japanse bewakers wilden ’s avonds muziek. Mijn opa had toen snel een paar akkoorden geleerd en gezegd dat hij gitaar kon spelen. Hij was dertien jaar toen hij werd geïnterneerd. Niet in een vrouwenkamp, zoals voor kinderen vaak gebruikelijk was, maar in een mannenkamp.
Opa vertelde dat hij het door het gitaarspelen minder zwaar had gehad. Daarna zei hij iets wat ik als kind niet goed kon plaatsen: “Er mochten geen blauwe plekken te zien zijn op mijn armen.”
Daarna kwam de zin waarmee het gesprek werd afgesloten. “Sudah al, is geweest.”
Aschwin Bruggeling
Ik begreep als kind net genoeg om te weten wat het betekende. We mochten niet verder vragen. Opa stond op, pakte het voer en liep naar de vijver. De koi-karpers kwamen naar boven, happend naar het water, terwijl het verhaal weer wegzakte.
Lange tijd voelde die zin als een deur die dichtging. Als: houd erover op. Tot hier en niet verder. Alsof de grote schijn weer opgehouden moest worden. Alsof pijn iets was wat je netjes achter je rug moest vouwen. En dan wordt Indisch zwijgen al snel Indisch verwijten.
Waarom weet ik dit niet?
Waarom kom ik daar nu pas achter?
Wist jij dit?
Waarom weet jij niks?
Stelde je dan geen vragen?
Sudah al, is geweest!
Ik vergeet soms dat de generatie boven mij ook vaak niets wist. Of zelf ook niets verteld kreeg. Dat zij misschien met dezelfde rugtas liepen, zonder ooit te mogen kijken wat erin zat.
Onwetend, en na al die jaren nog steeds belast.
Bij mijn ouders thuis hebben we onze ‘dooie muur’. Zo noemden mijn broertje en ik die tenminste. In het trapgat hangt een rij zwarte fotolijstjes met familieleden en voorouders. Als ik weer eens iets had gedaan wat niet mocht of stiekem te laat thuiskwam, keken ze me vanuit die lijstjes na.
Pas toen iemand mij wees op de Japanse interneringskaarten in het Nationaal Archief, ging er ineens een wereld voor me open. Mijn opa kon ik niet vinden, maar mijn overgrootvader wel. Voor het eerst las ik namen van familieleden van wie ik het bestaan niet eens kende.
Wat daarna volgde, waren nachtenlang zoeken door online archieven. Opgeschreven folionummers, scans, aantekeningen, stamboomboeken uit het Nationaal Archief. Langzaam begon ik verbanden te zien tussen de grote geschiedenis en mijn eigen familieverhaal.
Ik begon te begrijpen dat mijn opa niet alleen uit een oorlog kwam, maar ook uit een wereld die hij had moeten achterlaten. Hij kwam terecht in een land waar weinig plek was voor zijn oorlog. Een land waar hij opnieuw moest beginnen. En ik heb echt wel naar opa geluisterd, hij heeft meer dan genoeg verteld over zijn pijn en verdriet. Het is goed zo. Maar ik neem geen genoegen meer met alleen tempo doeloe. Ik wil weten wat eronder ligt, ik wil de verhalen zichtbaar maken!
Want als niemand ze aanraakt, verdwijnen ze.
Ik begon eenvoudige illustraties van mijn familie te posten, een beetje als een blog in beeld. Vrij snel vond ik gelijkgestemden en ontdekte ik ook de Indische gemeenschap hier in Dordrecht.
Uiteindelijk groeide dat uit tot SUARA. In mijn artprints verwerk ik mijn familiegeschiedenis, soms door middel van symboliek, soms heel letterlijk door mijn voorouders te tekenen. Als schimmen uit het verleden. Bewust met hun ogen dicht: het Indisch zwijgen, maar tegelijk ook krachtig aanwezig.
Door hen te tekenen heb ik de koloniale geschiedenis, de oorlog en het verdriet een plek leren geven. De uitspraak van mijn opa ‘sudah al, is geweest’ voelt daardoor nu anders. Niet meer als een afwijzing. Niet meer als: houd erover op, tot hier en niet verder. Ook niet meer als de schijn ophouden of je kop in het zand steken. Maar meer als: ik mag het daar laten. Ik weet nu iets meer van hoe het zat, en dat is goed zo.
Daardoor is er ook meer begrip ontstaan voor de generaties boven mij. Als ik alleen maar was blijven schoppen tegen dat Indische zwijgen, dan had ik dit deel van mijn identiteit waarschijnlijk nooit echt ontdekt.
SUARA
Aschwin Bruggeling
En ja, ik sta nog steeds op de pasar malam met een sateetje in mijn mond de potjo-potjo te dansen. Maar er is nu ook ruimte voor meer. Voor gesprekken, voor het delen van ervaringen, voor familieverhalen die eerder stil bleven.
Ik hoop dat je in mijn artwork en prints ook iets van jouw eigen familie of voorouders herkent. Dat je net zoals ik de zwarte fotolijstjes afstoft, naar hen leert luisteren en hun verhaal een plek kunt geven.
En ook al zijn we misschien nog steeds een beetje onwetend, niet langer alleen meer belast.