Deze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken om een optimale gebruikerservaring te bieden. Je kunt je voorkeuren aanpassen.

Deze cookies zorgen ervoor dat de website naar behoren werkt. Deze cookies kunnen niet uitgezet worden.
Deze cookies zorgen ervoor dat we het gebruik van de website kunnen meten en verbeteringen door kunnen voeren.
Deze cookies kunnen geplaatst worden door derde partijen, zoals YouTube of Vimeo.
Deze cookie stellen onze advertentiepartners in staat om doelgerichter informatie te kunnen aanbieden.

Door categorieën uit te zetten, kan het voorkomen dat gerelateerde functionaliteiten binnen de website niet langer correct werken. Het is altijd mogelijk om op een later moment de voorkeuren aan te passen.

Armand Mensingh

1948
Geboorteplaats:
Bandoeng, Java, Indonesië
Generaties Indisch in Dordrecht - 2026

SUARA door Aschwin Bruggeling

Generaties Indisch in Dordrecht

2026

Mijn grootvader was Belg. Pierre Th. Mensingh (1870 – 1945) uit Sint-truiden meldde zich in 1888 bij het KNIL in Harderwijk aan. Aangekomen in Magelang, Java, trouwde hij met mijn grootmoeder Maria Painem (1880 – 1932), een Javaanse vrouw. Ze kregen samen 13 kinderen, mijn vader Lambertus Etienne Mensingh (1901 – 1975) was hun eerste kind.

Pierre en Painem kinderen

Mijn vader trouwde met mijn Chinese moeder Tan Siem Nio (1910 – 1979), geboren in Wonosobo. Zij kregen samen 7 kinderen; 5 zoons en 2 dochters. Op 11 maart 1948 ben ik geboren als 6e kind in onze familie. Door de Japanse bezetting en de Bersiaptijd zijn mijn ouders 5 jaar geïsoleerd geweest van elkaar: in gescheiden kampen, verstoken van informatie en vol onzekerheid. Ze wisten niet van elkaar of ze nog leefden. Waarschijnlijk ben ik het gevolg van hun weerzien in 1947.

Armand met moeder - 1949

Armand met moeder

1949

Mijn eerste herinnering is van toen ik 3 jaar was en samen met mijn ouders en broertje aan de rand van Bandoeng woonde. Vanuit onze achtertuin zag ik een kampong, een omheind dorp waar mensen in houten en rieten huisjes op palen woonden. Op een veranda speelden vier mensen krontjong, er was geen stroom en alles werd zwak verlicht door olielampjes. Een vredig tafereel met een overwegend stille en serene atmosfeer, in de verte een blaffende hond, het geluid van krekels en sigarettenrook van de krètèk met de heerlijke kruidnagelrook, die zij rookten en onze kant opdreef. Deze eerste kennismaking met muziek heeft mijn levensloop bepaald.

Kersenlaan 19 Bandung - 1952

Kersenlaan 19 Bandung

1952

Mijn ouders, mijn twee broers Karel (31) en Ronald (7) en ik (9) woonden in een gegoede buurt met villa’s, voorzien van veranda’s en grote tuinen. Ik had er een goed leven, was onbezorgd, nieuwsgierig, volop genietend van mijn jeugd. We hadden een grote tuin met fruitbomen, zoals djamboe, nanka en manga bomen. Mijn Chinese moeder maakte samen met haar moeder lempers, die heel lekker waren. Zo lekker, dat president Sukarno in 1955 het persé wilde hebben voor zijn Aziatisch-Afrikaans conferentie in Bandung. Een groter succes kun je jezelf niet indenken, en dat terwijl mijn moeder maar 2 jaar lagere school had gehad. Hier kan geen diploma tegenop. Om de lempers te produceren hebben we assistentie gevraagd van familie en buren, die de avond ervoor al begonnen waren. Ook onze totok (Hollandse) buren, de familie Kluyskens, deden hun best. Ik was als 7-jarige getuige ervan en vond die reuring eromheen allemaal spannend. De Kluyskens, wij en nog een aantal gezinnen kwamen vaak bijeen voor een bidstond thuis. Mijn ouders waren diepgelovige christenen, volgers van het Pinkstergeloof en hebben met deze groep ook nog mensen in de rivier gedoopt.

Siem en Bertus Mensingh - 1974

Siem en Bertus Mensingh

1974

Vakantie op de onderneming
In deze periode gingen we op vakantie bij mijn zus en zwager, Ruud Schuller, die boekhouder was bij een onderneming in Djember op Oost-Java. We reisden per stoomtrein, een tocht die twee dagen duurde. Vanuit Bandoeng reisden we, met een overnachting in Soerabaya, naar Kediri. Vandaar werden we per jeep opgehaald door het bedrijf van Ruud en reden we naar Djember, onze plaats van bestemming.

De treinreis was spannend en bijzonder om mee te maken. Op de tussenstations moest de locomotief water innemen en steenkool inslaan. De trein werd dan bestormd door verkopers die eten en drinken aanboden. We genoten met volle teugen van de reis en van het afwisselende landschap met sawahs, rijstvelden, bergen en rivieren langs ravijnen. De reis was extra spannend omdat de trein ook overvallen kon worden door pelopors, bandieten die de boel onveilig maakten. Daarom werden er extra platte wagons achter de trein en voor de locomotief geplaatst, bemand met militairen.

De onderneming was eigenaar van een groot stuk land, verdeeld over drie cultures die zij moest beheren: koffie, thee en rubber. Het beheer werd uitgevoerd door de lokale bevolking. Het leven voor ons, de kolonisten, was er aangenaam, maar voor velen ook eenzaam. We leefden samen met andere werknemers en hun gezinnen op het landgoed en kenden elkaar goed. Toch was het wereldje klein.

De meeste ondernemingen en plantages lagen in afgelegen gebieden, met weinig bezoek en sociale contacten. Het grondgebied van de cultures was uitgestrekt, met grote theetuinen, koffieplantages en bossen met rubberbomen. De kans op contact met passanten of de buitenwereld was vrij klein. Daarom waren de momenten waarop bezoek kwam of post werd bezorgd een welkome en aangename afleiding.

Mijn zus kreeg er een zoontje en een dochtertje en had dankzij de kinderen al gauw vaker contact met buurtgenoten. Na een paar weken begonnen we aan de terugreis.

Armand en Ronald in de koffieplantage in Djember - 1957

Armand en Ronald in de koffieplantage in Djember

1957

School
De Indischen volgden het regulier Nederlands onderwijs. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn juffrouw van de Helmerschool, de lagere school, in de 2e klas opeens in tranen uitbarstte. Ze vertelde dat het haar laatste les zou zijn. Ze zou de volgende dag met het schip de ms Johan van Oldenbarnevelt naar Holland varen. Het was een emotioneel afscheid, wat ik toen niet wist was dat ik in een half jaar met dezelfde boot naar Holland zou gaan.

Blanda mati
Op 9-jarige leeftijd ben je je niet heel bewust van identiteit. Ik zag dat de autochtone bewoners een donkerdere huidskleur hadden dan ik, maar verder had dit alles weinig betekenis voor mij. De sfeer werd echter steeds grimmiger en de politie hield een oogje in het zeil. De situatie werd steeds bedreigender. Volgens de kindermeisjes, baboes genoemd, werden er kinderen ontvoerd en kwamen nooit meer terug. Ook zijn de huizen in onze straat met grote letters wit bekalkt 'Blanda mati': Dood aan de Hollanders. Dat waren wij! Het werd tijd om onze biezen te pakken.

Frobelschool Armand - 1953

Frobelschool Armand

1953

Trossen los...
Ons gezin vertrok in november 1957 vanuit Bandoeng, via Tandjong Priok, de haven van Djakarta, naar Nederland. De reis begon midden in de nacht. Onze bagage, koffers en onder meer mijn fiets werden gestouwd in een vrachtwagen met een inlandse chauffeur van de HC. Via de Puntjak, een bergachtig gebied tussen Bandoeng en Djakarta, reden we naar de haven. Omdat het huis eigendom was van mijn Chinese oma en zij er bleef wonen, hadden wij er verder geen omkijken naar. Dat was anders voor velen die hun bedrijf, huis en bezittingen in beslag zagen nemen en verloren.

Met ons vijven scheepten we ons in op de Johan van Oldenbarnevelt, een van de grotere passagiersschepen die werden ingezet op de vaarten tussen Indië en Holland. In totaal werden er 281 schepen ingezet voor de evacuatie van 380.000 personen tussen 1945 en 1970.

De reis voerde via Aden en Port Said en duurde ongeveer een maand. Van het inschepen herinner ik me vooral de loopbrug van het schip, het uitzwaaien naar de mensen op de kade en alle drukte eromheen. Voor mijn broertje en mij was het allemaal reuzespannend. Er werd ons weinig verteld over Nederland en de reis, waardoor het voor ons alleen maar spannender werd. Het was dan ook een grote opluchting toen het schip van wal stak met de kreet: Trossen los!

Schip de Johan van Oldenbarneveld - 1957

Schip de Johan van Oldenbarneveld

1957

Aan boord
Mijn vader en mijn oudste broer Karel (31), die astma had, werden beiden ondergebracht in de ziekenboeg van het schip, een speciale afdeling voor bedlegerige personen onder toezicht van verpleegpersoneel en artsen. Zowel mijn vader als Karel waren getraumatiseerd.

Karel was boekhouder op een onderneming in Garut, een plaats bij Bandoeng, toen het bedrijf en de omgeving werden overvallen door pelopors die niet zelden mensen vermoordden. Hij heeft het er levend vanaf gebracht. Met de dood in de ogen ontsnapte hij ternauwernood en werd daarna door het bedrijf per jeep naar ons in Bandoeng gebracht. Karel had een zenuwinzinking gekregen en hield daar psychische problemen en astma aan over. Ook mijn vader was door de oorlog en zijn vijf jaar durende gevangenschap getraumatiseerd.

Mijn moeder, mijn broertje en ik kregen slaapplaatsen toegewezen in een grote ruimte benedendeks, waar ook andere moeders met hun kinderen verbleven. Dit gedeelte was bestemd voor passagiers die een plaats in de 3e klasse hadden geboekt. Het waren enkele bedden naast elkaar, met tussenruimtes en soms ook gestapeld, waar tien tot veertien personen konden slapen. Voor de kinderen werden programma's georganiseerd om hen bezig te houden. Ik zwom graag en omdat er een zwembad was, maakte ik daar zo veel mogelijk gebruik van. Op het bovenste dek werden spelletjes gedaan.

Aan tafel!
De etenstijden aan boord waren verdeeld over drie klassegroepen. We konden niet allemaal tegelijk aan tafel, omdat de eetzaal daarvoor te klein was. Elke klassegroep had een eigen etensbel of klok waarop je moest letten. Voor zover ik me kan herinneren, werd er Hollands eten geserveerd. Vooral het Europese fruit, zoals appels en druiven, vonden we bijzonder, omdat dat in Indië niet of nauwelijks verkrijgbaar was. Wat een traktatie was dat! De obers waren in het wit gekleed en brachten de soms dampende schotels rond op dienbladen. Voor ons was dat een indrukwekkende vertoning. Je voelde je als een koning te rijk.

JVO kinder diner - 1957

JVO kinder diner

1957

Opmerkelijkheden
Onderweg op zee zagen we haaien, scholen vliegende vissen en dieren die op dolfijnen of bruinvissen leken voorbijzwemmen.

Bij het passeren van de evenaar in de Indische Oceaan vonden er ceremoniële festiviteiten plaats. Passagiers of bemanningsleden werden aan dek ingezeept in een teil met water. De ceremoniemeester droeg een kroon, een nepbaard van watten en een drietand en stelde Neptunus voor. Dit ging gepaard met veel humor en reuring en zorgde voor de nodige hilariteit. Ook herinner ik me dat we sinterklaas gevierd hebben aan boord. Pret alom!

Er werden verstekelingen ontdekt. Zij mochten aan boord blijven, mits zij voor kost en inwoning wilden werken. Dit was niet ongebruikelijk en werd meestal gedoogd.

Rode Zee en Suez Kanaal
Het varen door de Rode Zee en het Suezkanaal vonden wij bijzonder, omdat beide oevers vanaf de grote hoogte van het schip zo dichtbij leken. We zagen de kale, desolate woestijn, met hier en daar een stukje groen of ruiters op kamelen, en voelden de grote hitte. Het was er stil, erg stil. Het schip voer geruisloos langs de oevers, terwijl de zon ongenadig op ons neer brandde. Wat was het heet! De lucht trilde van de warmte en samen met de stilte leek het alsof er een zware deken over ons heen lag. Ook herinner ik me nog het wild water en de hoge golven rondom de Golf van Biskaje bij Frankrijk; veel mensen werden hier zeeziek.

Uiteindelijk voeren we bij IJmuiden Nederland binnen. Het was avond en ik herinner me de schemering en de lichten van de omgeving weerkaatst in het water: sprookjesachtig gewoon. Voordat we van boord gingen kregen we winterkleding uitgedeeld door Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ), de voorloper van Sociale Zaken. Het was inmiddels december 1957.

Niet lang nadat wij van boord gingen – 12 december 1957 - hoorden we dat de Indonesische president Soekarno op zwarte Sinterklaas (5 december 1957) alle Nederlandse bedrijven had geconfisqueerd en agressief werd tegen de Nederlanders, vanwege de Nieuw- Guinea kwestie. Velen zijn in paniek en grote haast naar Holland vertrokken. Deze groep werd de spijtoptanten genoemd. Wij waren dus net op tijd – een maand ervoor - uit Indonesië vertrokken.

‘Deze groep werd de spijtoptanten genoemd. Wij waren dus net op tijd – een maand ervoor - uit Indonesië vertrokken.’

Opvang in Nederland
De passagiers werden ingedeeld om per touringcar, verspreid over het hele land, een plaats te krijgen in een opvanggelegenheid of contractpension. Landelijk waren er meer dan 800 opvang gelegenheden, waaronder ook kastelen en paleizen ingezet.

Mijn oudste broer Karel werd van ons gescheiden en kwam terecht in een sanatorium in Noordwijkerhout. De rest van de familie kwam op 12 december in Leersum terecht, waar we tot november 1960 verbleven in pension Bos & Heidepark. Daar werden we ontvangen door het echtpaar Zandvliet, dat ons hartelijk verwelkomde. Het echtpaar beheerde het contractpension al sinds 1951, samen met hun drie zoons en verdere familie.

Het pension lag op een groot terrein aan de rand van het dorp en bestond uit stenen gebouwen en een aantal houten barakken, die in allerijl waren bijgebouwd vanwege de komst van de Indo's. Op drukke momenten woonden er ongeveer 170 bewoners en werkten er zo'n 60 personeelsleden. Voor een dorp als Leersum was dat een grote werkgever. De bewoners kregen één of twee kamers, voorzien van opklapbedden, kasten en een wastafel. In het hoofdgebouw bevond zich een gezamenlijke ontspanningsruimte, waar men kon zitten, spelletjes doen en televisiekijken op een zwart-wittoestel. Eén keer per jaar werd er een feestavond georganiseerd met muziek en dansvoorstellingen. Daarbij was de burgemeester steevast eregast.

De verzorging was goed. Er werd 3 x per dag Hollands eten in een karretje rondgebracht en éénmaal per week rijst met soep en kroepoek geserveerd. Sommige bewoners assisteren de keuken bij een rijsttafel, wat weleens voorkwam. Eén keer per maand kwam er een– rijdende toko – die Indische waren te koop aanbood, zoals sambal, rijst, trassi, en dergelijke. Voor ons een hele uitkomst.

Karel en Sophie
In de tussentijd is Karel op ons verzoek ook naar Leersum verhuisd. In 1959 kwamen ook mijn zus Sophie en haar 2 kinderen – na haar scheiding met Henk Hilling - uit Brazilië bij ons wonen. Toen het jonge stel in 1955 in Bandung trouwde besloten zij naar Brazilië te emigreren, dat gezien werd als alternatief voor het verloren gegane Indië, het beloofde land voor kansrijke toekomstjagers. Het huwelijk liep echter stuk en Sophie besloot toen om naar Nederland te gaan. Ze konden hier gelukkig goed aarden.

‘Onderweg kwamen we langs de kruidenier, de melkboer en de groenteboer, die nog met paard en wagen door de straten reden.’

Schooltijd
Mijn broertje en ik gingen naar de Lagere School met de Bijbel. Het was een prettige tijd. Ik kreeg al snel aansluiting bij mijn klasgenoten, onder wie ook Indische kinderen uit andere pensions. Omdat het onderwijsniveau niet veel verschilde van dat van mijn school in Indië, kon ik gewoon in de derde klas blijven. We trokken veel bekijks, sloten vriendschap met Hollandse kinderen en deden graag mee aan spelletjes als Mens-erger-je-niet en Ganzenbord. De schoolreisjes waren telkens een hoogtepunt.

Mijn vader kreeg geen werk; mentaal was hij daar nog niet aan toe. Mijn moeder en Karel vonden wel werk. Zo brachten we drie jaar door in het pension. Voor ons als kinderen was het een relatief onbezorgde tijd. Er werd goed voor ons gezorgd. Soms gingen we naar het dorp om boodschappen te doen en liepen we zo'n twee kilometer. Onderweg kwamen we langs de kruidenier, de melkboer en de groenteboer, die nog met paard en wagen door de straten reden.

Seizoenen in Nederland
De bossen en heide boden volop ruimte voor avontuur. We verkenden weilanden, sprongen over slootjes en vermaakten ons uitstekend. Alles wat nieuw en vreemd was, trok onze aandacht. Zoals het boerenleven maar ook de wisselende seizoenen. Ook de boomgaarden vol appels, kersen en ander fruit waren voor ons iets bijzonders. Veel van die vruchten kenden we niet uit Indië.

De winter had ook haar charme, als het sneeuwt dan was het dolle pret! Wij hingen met sleeën achter auto’s en reden door het bos, bedekt met sneeuw. We konden voor het eerst schaatsen in de sloten en op de Leersumse Plassen met Friese doorlopers van Nooitgedagt vastgebonden onder de schoenen. In de lente werden we met bussen naar de tulpenbollen vervoerd, wat voor ons heel bijzonder was. In de zomer gingen we op de fiets met de pont bij Amerongen richting de Betuwe, waar we volop fruit van de boeren konden kopen. Ook werden er uitstapjes met de bus georganiseerd, zoals naar Artis of het strand in Zandvoort, wat voor ons een sensatie was. We hadden nog nooit een strand en zee gezien. En aangezien ik veel van water hield kon ik mijn lol niet op. De kennismaking met vers geplukte tamme kastanjes in de herfst was voor ons speciaal. Ik kwam weleens thuis bij de Hartungs, een Indische familie, die in het dorp woonde, waar ze de kastanjes poften in de opvangbak van de kolenkachel. Wat was dat heerlijk!

Winter in Leersum - 1958

Winter in Leersum

1958

‘We hadden nog nooit een strand en zee gezien. En aangezien ik veel van water hield kon ik mijn lol niet op.’

The Tielman Brothers
In januari 1960 zag ik een Indische band the Tielman Brothers op televisie, vier broers, die een spectaculaire show gaven en letterlijk de show stalen. Het was een optreden dat diepe indruk op me had gemaakt. Later bleek hun optreden het begin te zijn van Indorock, een muzikale stroming, die zij in 1958 geïntroduceerd hadden. Hun singel ‘Rock little baby of mine’ uit dat jaar werd in 2009 bestempeld als het officiële begin van de Nederpop.

Dordrecht
Zodra ergens in het land een woning vrijkwam en door Sociale Zaken werd toegewezen, verhuisde je daarheen. Zo kregen wij op 11 november 1960 een flat in Dordrecht toegewezen. Na drie jaar in Leersum begon voor ons een nieuw avontuur, tussen de Hollanders met hun eigen gewoonten en manier van leven.

Op de eerste dag in onze nieuwe woning, terwijl we nog bezig waren met het uitpakken van de dozen, ging de deurbel. Tot onze grote verrassing stond daar meneer Adriaans, een kennis uit Bandoeng die twee straten bij ons vandaan had gewoond. Ook hij bleek een nieuwe flat aan de overkant te hebben betrokken. Hij had onze naam als nieuwkomers in de krant zien staan. Het werd het begin van een lange vriendschap.

Adriaans had tijdens de oorlog op de Kortenaer gediend, een fregat en torpedobootjager die tijdens de Slag in de Javazee in 1942 door een Japanse torpedo tot zinken werd gebracht. Na de ramp dreef hij drie dagen en twee nachten op zee, vastgeklampt aan drijfhout. Rondom hem dreven wrakstukken en slachtoffers. Ondanks deze ingrijpende ervaringen bleef Adriaans tijdens zijn regelmatige bezoeken een opgewekte man met veel gevoel voor humor.

‘Wel moesten we wennen aan de mentaliteit van de Hollanders. Bij ons was iedereen altijd welkom en kon een bezoeker gewoon mee-eten. In Nederland ging dat vaak anders.’

Portiekflat
Onze portiekflat telde acht hoofdbewoners, van wie sommigen kinderen hadden. Wij waren de enigen van Indische afkomst. In de omliggende flats woonden echter meer Indische gezinnen, met wie we al snel kennismaakten. Op mijn eerste dag op de Jacob van Heemskerkschool, een school met de Bijbel, zag ik direct een bekende terug: Tinus Bettinger, die in Leersum in een ander pension had gewoond. Dat was een leuk weerzien. Ook vijf of zes klasgenoten waren van Indische afkomst.

Later hoorden we dat Dordrecht veel contractpensions had gehad en dat veel Indische gezinnen een woning kregen in de nieuwe wijken Wielwijk en Crabbehof. We leerden onze buren snel kennen en hielden aan veel contacten een vriendschap over, vooral met gezinnen met kinderen. Wel moesten we wennen aan de mentaliteit van de Hollanders. Bij ons was iedereen altijd welkom en kon een bezoeker gewoon mee-eten. In Nederland ging dat vaak anders. Als het zes uur werd, gingen veel gezinnen eten en betekende een bezoek vaak dat je afscheid moest nemen. Dat vonden wij in het begin vreemd. Ook moesten sommige buren wennen aan de geuren van de Indische keuken, zoals knoflook en trassi. Dat leidde soms tot onbegrip en spanningen.

Dagelijkse leven
Langzaam ging het gewone leven zijn gang. School, studie en werk bepaalden ons dagelijks bestaan. Jeugd, relaties, geboortes, huwelijken en overlijden vormden de belangrijke mijlpalen in het leven. Na de mulo meldde ik mij aan bij de Tekenacademie in Tilburg voor de akteopleiding docent modetekenen. Die opleiding maakte ik niet af, maar na verschillende banen kwam ik uiteindelijk toch achter de tekentafel terecht in de reclamewereld.

Daar was ik onder meer eigenaar van twee reclamebureaus: Reklameburo JAM in Ridderkerk en D'armand Reclame BV in Dordrecht. Daarvoor werkte ik als ambtenaar bij de Belastingdienst en als beambte bij het GAK op de afdeling WW. Ook was ik enige tijd creatief directeur bij Pauw Producties, een reclamebureau in Dordrecht.

Na de mulo en tijdens mijn studie aan de Academie hield ik mij intensief bezig met muziek. Ik speelde als zanger, bassist, gitarist en organist in diverse bands. Het muziekleven gaf mij veel voldoening. Van 1967 tot 1984 was ik actief in de muziekwereld. Toen ik in 1985 mijn eigen reclamebureau begon, stopte ik met het spelen in een band. Naast mijn werk gaf ik Kundalini-yoga aan particulieren, bedrijven, instellingen en binnen het onderwijs. Samen met Ruud Hagenstein organiseerde ik in Dordrecht ook een eigen opleiding tot Universeel Yogaleraar. Ik organiseerde retraites, onder meer in een kasteel in België, en werd hiervoor ook regelmatig door collega-organisaties gevraagd. Daarnaast verzorgde ik lezingen en performances voor uiteenlopende doelgroepen, waaronder de Indische organisatie Pelita en het Humanistisch Verbond.

Een van de meest indrukwekkende ontmoetingen in mijn leven was die met Paul de Blot, met wie ik in 2006 kennismaakte. Paul, van Indische afkomst, was hoogleraar en jezuïet aan Nyenrode Universiteit, waar hij de leerstoel Business Spiritualiteit bekleedde.

Tot aan zijn overlijden in 2019 gaf ik twaalf jaar yogalessen aan Nyenrode. Paul en ik konden het bijzonder goed met elkaar vinden. Hij was, geboren in 1924, vierentwintig jaar ouder dan ik en had de Japanse kampen meegemaakt.

Vaak communiceerden wij bijna zonder woorden. Daardoor had ik soms het gevoel hem al veel langer te kennen. Onze samenwerking voelde voor mij als een apotheose op het gebied van persoonlijke spiritualiteit en maatschappelijke ontwikkeling. Ik had het gevoel dat ik op dat terrein het hoogst haalbare had bereikt in het delen van kennis.

Huwelijksleven
Voordat ik de reclamewereld inging, trouwde ik in 1976 met Petra Goedegebuure. Samen kregen wij drie kinderen. We bouwden een harmonieus gezin op en waren gelukkig en tevreden. Petra heeft mijn ouders nog gekend voordat zij kort daarna overleden. Mijn Indische achtergrond vormde een belangrijke basis binnen ons gezin. Petra voelde zich daar senang bij en onze kinderen groeiden op met beide culturen. Verjaardagen, kumpulans en bezoeken aan Pasars hoorden daar vanzelfsprekend bij.