Het Gasthuis : een Middeleeuws Ziekenhuis
Boven de hoofdingang van het gasthuis aan de Visstraat zat ooit een gevelsteen uit 1616 waarop zieken en mensen die slecht ter been zijn, staan afgebeeld. Deze gevelsteen bevindt zich nu in het Albert Schweitzerziekenhuis, locatie Dordrecht. Één van de oudere voorlopers van dit ziekenhuis is “het grote gasthuis” gelegen op de hoek van de Voorstraat en de Grote Vismarkt. Dit gasthuis komt voor het eerst voor in een stadsrekening van 1284/1285. In dit ziekenhuis worden een stuk of dertig patiënten ondergebracht die eerst verzorgd worden door cellezusters en later ook door de stadschirurgijn.
Het gasthuis is voornamelijk bedoeld voor de armen. Tot de tweede helft van de zestiende eeuw, bestaat de zorg uit het toedienen van zowel geneeskrachtige kruiden als het geven van goede voeding. Op die manier kunnen de patiënten weer wat op krachten komen. Ook kunnen zij op geestelijke bijstand door een pastoor rekenen.
Het gasthuis moet natuurlijk ook bekostigd worden. De inkomsten komen van erfenissen of van legaten. Ook de Viskopersgilde doet een duit in het zakje. Omdat ze stankoverlast veroorzaken, geven ze financiële compensatie. Deze in inkomstenbronnen worden aangevuld met boetes van misdadigers en de opbrengsten van collectes.
Overigens is het niet alleen het gasthuis wat een belangrijke rol speelt in de verzorging van de zieke Dordtenaren. Rond 1450 worden er ook heilige gasthuizen gesticht. Met de opkomst van de Pest kunnen de pestlijders vanwege het besmettingsgevaar niet worden ondergebracht in het gasthuis. De pestlijders komen om die reden in de heilige geesthuizen terecht. Deze heilige geesthuizen heten vanaf toen “heilige geest-en pesthuizen.”
Gevelsteen van het Gasthuis in de Visstraat
1616
Het inbakeren van zuigelingen
In de Dordrechtsche Courant van 6 augustus 1929 is een uitgebreid artikel gewijd aan oude kraamgebruiken. Een bekend kraamgebruik betreft het strak inwikkelen van zuigelingen in doeken. Dit zou een gunstige werking op zowel het lichaam als de geest van de het kindje hebben. Men denkt dat het hier enerzijds rustig van wordt en anderzijds dat het hierdoor recht van lijf en leden blijft.
Hoe een kindje ingebakerd moet worden, beschrijft de Franse arts Petrus Toletus (ca. 1502-ca.) “Vervolgens moet zij het hele kind opnemen, in een wollen doek wikkelen, of op onze wijze, in een cape, gevoerd met schapenvacht. Dit in de winter, maar 's zomers in een enkele linnen doek." De armpjes en de handjes blijven zo vier maanden ingewikkeld, de voetjes tien maanden en de rest van het lijfje tot het kind twee jaar oud is.
Ook de Dordtse dokter Johan van Beverwijck (1594-1647) is een voorstander van deze methode. Door het inwikkelen, zo zegt hij, “zijn alle ledematen het best beschermd tegen de kou en worden zij tevens mooi recht gehouden."
Maar in die tijd luidt er ook al kritiek. De dichter Brederode (1585-1618) schrijft “De moeders syn wel sot die haar kleene kinderen soorygen, dat sy haer het wassen gants verhinderen.” (De moeders lijken wel zot om haar kleine kinderen zo in te wikkelen dat zij deze niet kunnen wassen).
Deze ouderwetse manier van inbakeren brengt gezondheidsrisico's met zich mee. Het kind kan oververhit raken of een stoornis aan de heup oplopen. Ook vandaag de dag wordt, uiteraard op een verantwoorde manier, het inbakeren nog toegepast om onrustige baby’s weer rustig te krijgen.
Als het kindje binnenkwam bij onze voorvaderen…
1929
De bekendste Dordtse bakerlingen
In Nederland zijn er diverse schilderijen bekend waarop ingebakerde zuigelingen afgebeeld zijn. Een bekende Dordtse afbeelding is die van de “Dordtse Vierling," Pieter, Janette, Maria en Elisabeth Costerus. Hun ouders zijn Jacobus Pieterszn. Costerus, zeilmaker van beroep, en Cornelia Jansdochter. Elisabeth sterft helaas al anderhalf uur na de bevalling.
De Dordtse Vierling wordt al vijf dagen na hun geboorte op 9 juni 1621, vereeuwigd. Op dit schilderij is goed te zien hoe de in leven gebleven kinderen stijf zijn ingebakerd. Het gestorven kindje Elisabeth, rechts van het schilderij, ligt met haar doodshemdje aan omgeven door palmtakjes en takjes rozemarijn. Men denkt dat deze kruiden het kwaad kunnen afweren.
Naast deze eeuwige roem krijgen Pieter, Janette en Maria, betaald door het Stadsbestuur van Dordrecht, ook nog eens een prachtige doopplechtigheid.
Deze vierling zijn overigens niet de enige kinderen van dit echtpaar. Na hun huwelijk in 1612 krijgen zij een tweeling. Pieter en Johannes. In 1618 volgt Claertken. Slechts één van deze kinderen leeft nog tijdens de geboorte van de vierling.
Van Maria, Janette en Pieter is geen spoor meer in Dordrecht aangetroffen. Één van zijn andere kinderen bij zijn tweede vrouw heet ook Pieter. Dit zou erop kunnen wijzen dat in ieder geval de Pieter van De Dordtse Vierling, gestorven is.
De Dordtse Vierling
1621
Vaccinatie tegen pokken
Gelukkig zijn er veel ziekten, die vroeger dodelijk waren, uitgeroeid. De pokken is daar één van. Tot in de achttiende eeuw maakt deze ziekte veel slachtoffers en vooral onder kinderen jonger dan tien jaar. De patiëntjes krijgen onder ander hoge koortsen, spierpijnen en blaasjes. Deze blaasjes laten littekens achter. Overleef je de ziekte dan hou je er vaak een pokdalige huid aan over en ben je voor het leven getekend.
Om deze nare ziekte tegen te gaan, gaan artsen op zoek naar een geneesmiddel. En dat vinden zij ook. Zo valt het Engelse artsen op dat melkmeiden zelden pokken oplopen. Door hun werk met koeien lopen zij vaak de mildere variant van de “mensenpokken” de “koepokken” op. Hierdoor worden zij vervolgens immuun voor de gevreesde mensenpokken.
In 1798 dient dokter Edward Jenner het eerste het koepokvaccin toe. (Vaccin komt van het latijnse “vacca” wat koe betekent). Zowel Dordtse bestuurders als koning Lodewijk Napoleon maken zich hard om door middel van voorlichting de burgers over te halen om zich te laten vaccineren.
Vaccineren is een voor die tijd geheel nieuwe methode en om die reden durft niet iedereen het meteen aan. En helaas gaat het ook weleens mis. In zo'n geval barst de ziekte juist in alle hevigheid los en overlijdt het kind. Verder roept het ook onder sommige gelovigen weerstand op. “De pokken zijn door God gezonden en moet de mens ondergaan.” Het laten vaccineren is daarom uit den boze, zo menen zij.
In ieder geval heeft het vaccineren succes en deze ziekte verdwijnt in de twintigste eeuw geheel in Nederland.
Oproep Koning Lodewijk Napoleon om kinderen te laten inenten tegen koepokken
1808
Alcoholische drankjes als medicijn
In Dordrecht zijn er in de negentiende eeuw een aantal distilleerderijen zoals “Distilleerdij Methusalem” ook wel bekend als “Distilleerdij de Hoop.” Deze distilleerdij was gevestigd in de Wijnstraat.
Matthijs Van Zanten (1850 -1928), slager, en later later raadslid en wethouder van Dordrecht, koopt dit pand van een branderij van de firma Kroes&Co.
Ook al is Dordrecht geen uitgesproken jeneverstad zoals Schiedam. De stad telt toch in 1626 een twintigtal branderijen voor jenever-en likeurproductie.
Deze drankjes drinken mensen niet alleen vanwege de smaak. Men gebruikt het ook als medicijn. Zo is jenever in de middeleeuwen hét medicijn tegen allerlei kwalen en ziektes. In dit drankje zit jeneverbes met toevoeging van andere kruiden, zaden, bessen, basten en wortels. Zelfs tot in de negentiende eeuw wordt bijvoorbeeld voor keelontsteking warme whisky, donker bier voor zenuwpijn en champagne tegen flauwvallen, voorgeschreven.
In gerenommeerde medische bladen, zoals de Lancet en het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, of kortweg de NTVG, worden artikelen gewijd aan de medicinale uitwerkingen van alcoholhoudende dranken. In the Lancet van 1908 beweren nog doktoren dat alcohol een “levensreddend medicijn is” en kom je in het NTVG zelfs in diezelfde periode diverse advertenties tegen die onder andere port en jenever en ander alcoholhoudende drankjes aanprijzen.
In de negentiende eeuw bestaat tegelijkertijd ook het besef dat alcohol schadelijke effecten heeft voor de gezondheid. Ook veel gezinnen hebben onder het alcoholmisbruik te lijden. De overheid probeert onder andere door het maken van wetten en voorlichting dit enigszins aan banden te leggen.
Affiche van distilleerdij van Zanten
1620
Wonderdokter Sequah
In 1892 wordt Dordrecht “vereerd” met een bezoek van een wonderdokter en wel dokter Sequah. Deze Engelsman, die eigenlijk Charles A. Davenport heet, verkoopt een wonderdrankje dat zou moeten helpen tegen allerlei soorten kwalen zoals jicht, winterhanden, slapeloosheid en nog veel meer.
Om dit drankje aan de man te brengen, maakt hij reclame tijdens een van zijn voorstellingen. Voorafgaand aan de voorstelling laat de zich dokter zich rechtopstaand in een praalwagen, vergezeld door muzikanten en vaandeldragers door de stad rondrijden. Hierna volgt er een optreden waarin omgekochte burgers doen alsof zij wonderbaarlijk genezen zijn. Zijn populariteit wordt verhoogd door na de voorstelling door zijn vrouw aan kinderen kadootjes uit te delen.
Dokter Sequah is populair onder de Dordtenaren. (Er wordt zelfs een gedicht over hem geschreven). Men vecht dan ook voor een plekje om de voorstelling te kunnen bijwonen. Maar blijkbaar is deze roem nog niet genoeg voor hem. Om die reden vindt het wel een goed idee om ook een optreden speciaal voor doktoren te geven. Helaas voor hem komt niemand van de doktoren opdagen. Zij behoren overigens niet tot de enigen die sceptisch zijn, op te maken uit de kritische berichten die in de Dordrechtsche Courant verschijnen.
Waarschijnlijk is Sequah hier zelf minder rouwig om, want hij verkoopt in Dordrecht in totaal 40.000 flesjes aan wondermiddel.
Ergens ná 1893 vertrekt hij uit Dordrecht. Als uiteindelijk de belangstelling voor hem ook in de rest van Nederland verdwijnt, vertrekt hij uit Nederland. Op 93- jarige leeftijd sterft hij berooid in Southampton.
Hulde aan Sequah : op de wijs Niets gaat boven Dordt, Waar het kermis wordt
z.j.
De opkomst van de volksontwikkeling
Aan het eind van de achttiende Eeuw komt een groep mensen steeds meer tot inzicht dat de hardwerkende arbeidende klasse bevrijdt moeten worden van geestelijke armoede. Zij zetten zich dan ook in voor de ontwikkeling van het "gewone" volk. In 1784 wordt hiervoor het “Genootschap van Konsten en Wetenschappen” opgericht dat later “Maatschappij tot Nut van 't Algemeen” of kortweg “Het Nut” wordt genoemd. Het Nut krijgt vanaf 1790 ook een Dordtse afdeling.
Als eerste begint Het Nut met de aanpak van de kwaliteit van het onderwijs. Dit is noodzakelijk, want dit laat nogal eens te wensen over. Één van de kritiekpunten is dat het leerprogramma te veel gericht is op het domweg uit het hoofd leren. Het daadwerkelijk begrijpen van de materie vindt men minder belangrijk. Daarom worden hoognodige verbeteringen ingevoerd. Zo worden er worden schoolboeken uitgegeven, onderwijzersopleidingen en avondscholen opgericht.
Een andere manier om het volk cultureel en sociaal te ontwikkelen is het organiseren van lezingen over allerlei mogelijke soorten van onderwerpen. Er worden lezingen “Hoe word ik rijk” of “De werking van de telegraaf” gehouden. De lezingen worden, ondanks de goede bedoelingen, met wisselend succes bezocht. Arbeiders hadden, vanwege de harde strijd om het bestaan, soms toch wel wat anders aan hun hoofd.
Niet alleen de educatie van de bevolking was het doel van Het Nut. Zij doen op meer vlakken zinvol werk. Deze vereniging richt talloze publieke en sociale voorzieningen op, zoals volksbibliotheken, badhuizen, spaarbanken, volkstuintjes en het ziekenfonds.
Bewijs van erelidmaatschap van de Maatschappij tot Nut van Handel en Zeevaart
1839
Dolhuis
Het verhaal van het Dolhuis, gelegen aan de Dolhuisstraat/Suikerstraat begint in 1463 als in het pand een klooster komt.
Dit gebouw heeft eeuwen geleden een belangrijke rol in de verzorging van zowel lichamelijke als geestelijke zieke Dordtenaren gespeeld.
Dit klooster is het domein van een vrome gemeenschap : de cellebroeders. Vanaf de periode van de grote pestepidemie 1348-1352 gaan zij meer in georganiseerd kloosterverband leven en doen nuttig werk met de verzorging van pestlijders. Daarnaast houden zij zich bezig met het begraven van de doden.
In 1572 worden veel kloosters onteigend in Dordrecht. Ook het Dolhuis ontkomt hier niet aan en het komt in handen van het Stadsbestuur. Vanaf die tijd verblijven er psychiatrische patiënten. In 1671 wordt het een Tucht-en Werkhuis waarin bedelaars, zwervers, prostituees, alcoholisten en criminelen worden opgesloten. Deze functie blijft behouden tot 1723 als het Dolhuis verkocht wordt en in particuliere handen komt. De bewoners verhuizen nu naar het Leprooshuis aan de Vriesestraat.
Vanaf 1723 wordt het Dolhuis een pakhuis. Er wordt van alles en nog wat opgeslagen. Van koren op de zolders tot wijn in de kelders. In de twintig-en en een-entwintigste eeuw krijgt het pand weer een meer levendige bestemming en wordt het een uitgaansgelegenheid.
Het Dolhuys - voormalig klooster van de cellenbroeders - op de hoek van de Boogjes en de Dolhuisstraat, gezien richting Diaconessenhuis
1995-2004
DFC (De Dordrechtsche Football Club)
Een gezond lichaam in een gezonde geest is het moto in de 19e eeuw. Dit motto zie je terug in de sport en spelverenigingen die steeds vaker opgericht worden.
Op de Engelse kostscholen begint sport steeds populairder te worden. Vanuit hieruit waait dit steeds meer over naar de andere lagen van de bevolking. Eerst de rijken, dan de burgers en vervolgens, naarmate de arbeiders meer vrije tijd krijgen, kunnen ook zij daar steeds meer aan deelnemen. Deze ontwikkeling is in Dordrecht niet anders. Uit de elitaire Dordrechtsche Cricketclub DCC ontstaat de Dordtse Football Club. Het verhaal gaat dat het veld aan de Hallinqlaan minder geschikt was voor cricket en men dan maar uit verveling een balletje ging trappen. In 1883 wordt DFC opgericht die aan de Markettenweg gehuisvest is. Deze sport neemt steeds meer in populariteit toe en vanaf 1908 worden er meer footballclubs zoals Emma, ODS Dubbeldam en Oranje wit opgericht. DFC blijft wel de meest voorname. Tweemaal winnen de spelers de KNVB beker. In 1954 maken de DFC-amateurs de overstap naar semi-betaald voetbal. In 1972 ontstaat er een prof-tak. Dit is FC Dordrecht. De amateurtak bestaat tot op de dag van vandaag nog steeds. Hiermee is DFC, die trainen op Sportpark Reeweg-Oost, een van de oudste voetbalclubs van Nederland.
Groep DFC-ers voor het clubgebouwtje aan de Markettenweg
1890 - 1900