Zoeken

Uw zoekacties: Develpolder
x729 Develpolder
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

729 Develpolder
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Andere toegangen
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Inleiding
1. Oudste geschiedenis van de polders aan de Develzijde
2. Bestuursinrichting van de polders aan de Develzijde
729 Develpolder
Inleiding
2. Bestuursinrichting van de polders aan de Develzijde
 *  In de tijden voor 1795 was de polder, de gemeente en de heerlijkheid een geheel. De ambachtsheren verwierven in de Middeleeuwen het recht om het bestuur aan te stellen onder de naam van schout en schepenen, die met het burgerlijk bestuur en de lage rechtspraak alsmede met het bestuur van de polderzaken waren belast; in dat recht was ook begrepen, dat zij (kroos-)heemraden mochten benoemen.
De administratie van de dijkplichtigen werd door de schout en dorpsheemraden gevoerd, waartoe hun secretaris een legger bijhield, die regelmatig werd vergeleken met het dijkboek en de kavelboeken, die in het bezit waren van het dijkbestuur. Deze schouten en heemraden waren uiteraard steeds zeer goed op de hoogte van al het grondbezit. Zij immers moesten gekend worden in alle zaken van grondverkoop of overdracht binnen hun dorp, voor hen werden alle akten gepasseerd. Ontstond er bij dijkgraaf en hoogheemraden tijdens de schouw twijfel omtrent de namen van hen, die dijkplichtig waren voor een bepaald stukje dijk, met andere woorden, lag het onbeheerd, dan werden schout en heemraden van het betreffende dorp geraadpleegd. Zij hielden dan ter plaatse, aan de hand van hun legger, de "hiering", dat wil zeggen zij stelden vast, wie in dat perceel "geheerd" was, hetgeen uiteraard geschiedde op kosten van de dijkplichtige. Kon er voorshands geen dijkplichtige worden aangewezen, dan schoot de schout de benodigde gelden uit eigen beurs voor (uitlegging), om deze dan later weer, naar dijkrecht, te innen.
De ambachten Zwijndrecht, Meerdervoort en Kort-Ambacht van de Lindt waren waarschijnlijk na de bedijking van 1332 nog niet in polderverband verenigd. Het gerecht van het ambacht Zwijndrecht of Schobbelandsambacht bestond rond 1793 uit een schout en vier schepenen, een secretaris (wiens ambt mede door de schout werd bekleed) en een bode, die ook commissaris was van het wagen- en schuitenvoerdersveer. Deze ambtenaren werden door de ambachtsheer aangesteld. De regering van Meerdervoort was rond 1793 als die van Zwijndrecht. Er zijn, zover na te gaan, geen gegevens inzake het bestuur van het ambacht Kort-Ambacht van de Lindt, later genoemd Kort Ambacht van de Groote Lindt, bekend.
De delen van het ambacht de Linde, die later genoemd werden Groote en Kleine Lindt, maakten deel uit van de Lintse polder, omdat ze een gemeenschappelijke windmolen hadden. De regering van het ambacht Groote Lindt bestond rond 1793 uit een schout en vier schepenen, een secretaris (wiens ambt door de schout bekleed werd) en gerechtsboden, die allen door de ambachtsheer werden aangesteld. De regering van het ambacht Kleine Lindt bestond rond 1793 uit een schout, die tevens het ambt van secretaris bekleedde en vier schepenen, die allen benoemd werden door de ambachtsheer of ambachtsvrouw.
De polder Kijfhoek bestond uit het gelijknamige ambacht. De schout, schepenen, heemraden, de secretaris, bode, koster, voorzanger en andere bedienden, werden door de ambachtsheer benoemd. Het aantal schepenen bedroeg vier.
De polder Heer-Oudelands-Ambacht bestond uit het gelijknamige ambacht. De regering bestond rond 1793 uit een schout en vier schepenen.
Dat het gewoonterecht zou wijken voor een duidelijker schriftelijke formulering, lag voor de hand. Reeds op 4 augustus 1832 stelde de vergadering van ingelanden van de polder Heer-Oudelands-Ambacht een reglement vast. Daartegen diende de heer Maes, ambachtsheer van Heer-Oudelands-Ambacht, een klacht in bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, omdat in het reglement bepaald werd, dat het polderbestuur gekozen zou worden door de ingelanden. In hetzelfde jaar verzochten Gedeputeerde Staten om inlichtingen van de commissie uit de ingelanden ten einde het reglement te doen herzien en te wijzigen. In 1837 werd het gewijzigd reglement goedgekeurd. Volgens het reglement moest het polderbestuur bestaan uit drie heemraden en werd de president uit het midden van de heemraden gekozen. Als de president zou komen te overlijden, dan zou de oudste heemraad in rang hem opvolgen. De heemraden werden voor hun leven benoemd. De secretaris-penningmeester en de heemraden zouden gekozen worden door de ingelanden, twee heemraden uit de ingelanden ten platte lande en één uit de ingelanden uit de stad Dordrecht, tenzij een jaar na de goedkeuring (1837) de ambachtsheer bewees, dat het benoemingsrecht hem toekwam. De heemraden moesten meerderjarig zijn en zes hectare land bezitten. De penningmeester moest een waarborg stellen naar genoegen van de heemraden. Als de stadsheemraad stierf, dan werd een andere heemraad gekozen uit de ingelanden uit Dordrecht, ten einde de verhouding van twee heemraden uit de polder en één uit Dordrecht te handhaven.
In 1847 werd het reglement voor de polder Kijfhoek vastgesteld. Volgens dat reglement moest het bestuur bestaan uit een polderschout, die tevens secretaris was, en drie heemraden, die bij toerbeurt om de twee jaren met het waardsmanschap belast waren. Het polderbestuur werd gekozen door de ambachtsheer of door de ingelanden aan wie het recht was toegekend. De leden van het bestuur werden voor hun leven aangesteld. De benoemingseisen luidden, dat men ingeland en meerderjarig moest zijn, men mocht elkaar niet bestaan in of nader dan de derde graad en men moest vrij eigendom bezitten, de polderschout niet minder dan vijf hectare land en de heemraden niet minder dan drie hectare.
Volgens het reglement van 1849 voor de polder Groote en Kleine Lindt moest het polderbestuur bestaan uit een polderschout, die tevens secretaris was, drie heemraden en een waardsman. De benoeming geschiedde door de ingelanden en gold voor hun leven. De benoemingseisen voor schout en heemraden luidden, dat ze drie hectare land moesten bezitten en dat ze meerderjarig moesten zijn. De benoemingseis voor de waardsman luidde, dat hij drie hectare land moest bezitten of als hij ze niet bezat, dan moest hij een behoorlijk gejustificeerde borgtocht van fl. 1000,-- bezitten.
In 1855 bestond het bestuur van de polder Zwijndreoht, Meerdervoort en Kort Ambacht van de Groote Lindt uit een schout en zes heemraden van de polder Zwijndrecht, een schout en zes heemraden van de polder Meerdervoort, een schout en zes heemraden van de polder Kort Ambacht van de Groote Lindt.
In 1856 wilde het bestuur van voornoemde polder de naam veranderen in de polder Zwijndrecht, het bestuur zou dan bestaan uit een schout en vier heemraden. In 1858 werd het bijzonder reglement vastgesteld. Het bestuur bestond na 1859 (toen werd het nieuwe bestuur gekozen) uit een schout en twee heemraden. In 1859 werd de naam gewijzigd in de polder Zwijndrecht.
In 1858 werden ook de reglementen van de andere polders aan de Develzijde vastgesteld. Het bestuur van deze polders bestond uit een schout en twee heemraden.
In 1954 werden de bijzondere reglementen van de polders aan de Develzijde ingetrokken en het bijzonder reglement voor de Develpolder vastgesteld. Volgens dit bijzonder reglement bestaat het bestuur van de Develpolder uit een voorzitter en vier leden, onder de benaming van voorzitter en heemraden. De rechten en verplichtingen van de vergadering van stemgerechtigde ingelanden worden door een Verenigde Vergadering, samengesteld uit de leden van het bestuur en twaalf gecommitteerde ingelanden, uitgeoefend. In afwijking van het Algemeen Polderreglement worden drie gecommitteerde ingelanden benoemd door burgemeester en wethouders van Zwijndrecht en één door burgemeester en wethouders van Heerjansdam. In afwijking van het Algemeen Polderreglement worden de leden van het bestuur benoemd door de Verenigde Vergadering.
3. Taak van dijkgraaf en hoogheemraden voor 1861
4. Benoeming van de dijkgraaf voor 1795
5. Heemraden, Hoogheemraden of Hoge dijksheemraden
6. Het college van ambachtsheren
7. Het dijkcollege van 1793-1955
8. Het reglement voor het hoogheemraadschap
9. De Verenigde Vergadering
10. De omslag
11. De aardhaling
12. De stenen bovenmolen
13. Het gemaal en de wijziging van de waterlozing
14. Bijlage
Kenmerken
Datering:
1850 - 1954
Auteur:
P.F. Duinker (1965)
Titel inventaris:
Develpolder
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS
Sluit het Verborgen Museum