Vis

Zeven eeuwen visserij in en rondom Dordrecht

Locatie, locatie, locatie

Als je Dordrecht zo ziet liggen, omgeven door water en bootjes, is het logisch dat zo’n stad ook iets met vis heeft. De namen van straten en van sommige huizen verwijzen naar vis, vismarkten of vissoorten. Ook zijn er gevelstenen en andere decoraties die iets ‘vissigs’ hebben. Geïnspireerd door de tentoonstelling Beet, te zien in het Dordrecht Museum, zijn we bij het Regionaal Archief Dordrecht gaan hengelen in het verleden.

Dit is een ingekleurde tekening van A.M. Lejeune uit 1897, naar een borduursel uit 1607 gemaakt door Damis van Bernage. Het borduursel bevindt zich in het Rijksmuseum te Amsterdam. Lejeune heeft zelfs de rafelige randen van het borduursel weergegeven. Te zien is een zeer precies gezicht op Dordrecht van oost naar west, gezien vanaf de Zwijndrechtse oever. Op de rivier is het een drukte van belang met zeilende en voor anker liggende schepen. Op de landtong in de voorgrond wordt gevist op zalm, links met de zegen en rechts met een kruisnet.

Haring

Een vissoort die we niet direct met Dordrecht associëren is haring. Hoewel de aanwezigheid van een Haringstraat toch een teken aan de wand is. Dordrecht speelde in de Middeleeuwen namelijk een tijdlang een zeer belangrijke rol in de haringtrafiek. Met ‘trafiek’ wordt het verwerken van ter markt gebrachte grondstoffen bedoeld, in dit geval is dat haring. In 1368 kreeg Dordrecht een ‘vitte’ op het eiland Skane in Zweden. Een vitte was een nederzetting waar haring werd gekaakt, gezouten en verpakt in tonnen, dit alles onder het toeziend oog van speciale keurmeesters.

 

 

Kaart van het gebied van de Verenigde Nederlanden voorstellend de (vermoedelijke) situatie uit 870. Gravure uitgegeven door Isaac Tirion, 1749.

Een vitte in Zweden is niet direct naast de deur, maar als je een oude kaart erbij pakt, begrijp je hoe gunstig Dordrecht was gesitueerd. Dordrecht lag niet alleen gunstig voor het scheepvaartverkeer van west naar oost, van zee over de grote rivieren naar het oosten, maar ook voor de binnenlandse route van noord naar zuid, over de Zuiderzee en dan via de grote rivieren naar Dordrecht. Behalve haring uit Skane werd er ook haring voor de Dordtse markt gevangen langs de Nederlandse kust. Tegen het eind van 15e eeuw was Dordrecht, geholpen door allerlei handelsprivileges, de concurrent Brielle (tijdelijk) voorbij gestreefd.

 

In de dertiende eeuw verscheen er een nieuw scheepstype op het toneel, de haringbuis. Om zo veel mogelijk winst te behalen met de haringvisserij werden de haringbuizen in de loop van de tijd groter. Hierdoor konden de vissers verder weg varen, vroeger in het seizoen vertrekken en dus meer haring vangen. Door de haring aan boord te kaken, bleef de vis langer vers en konden de vissers dus ook nog langer op zee blijven. De vorm van deze schepen is afgekeken van Scandinavische schepen. Eigenlijk is dit al een prille vorm van de industriële visvangst.

 

'Haring Buyssen, groot omtrent 40 last', een prent uit een album van Simon van Gijn en gereproduceerd door H.J. Tollens.

Toen visserijsteden de vissers verplichtten de haring in de aanvoerhavens te pakken, was Dordrecht haar bevoorrechte positie kwijt en werd de stad nu op haar beurt voorbij gestreefd door Brielle. Na 1600 liep de haringpakkerij nog verder terug, totdat men in 1775 moest vaststellen dat het gedaan was met deze tak van visserij in Dordrecht. Tussen 1500 en 1575 waren er in Dordrecht wel zeventig tot tachtig haringpakkers werkzaam geweest in de ongeveer 40 haringpakplaatsen en haringtuinen.

 

Kaart van de voormalige Groote of Zuid-Hollandse Waard, met de twee voornaamste doorbraken van 1421; een lithografie van R.H. van Someren uit 1841.

Opkomst, ondergang en opkomst van riviervis

Toen de Grote Waard in november 1421 in een grote binnenzee veranderde, zag het gewone volk snel in dat hun landbouwgrond veranderd was in een grote visvijver. Meteen werd hij in gebruik genomen.

Terwijl het bestuursapparaat nog jaren bezig is om het ondergelopen land in kaart te brengen, hengelden de vissers er vrolijk en ongehinderd door regels of eigendomsclaims op los. Bijna honderd jaar later zijn de bestuurlijke molens zo ver dat de vissers pacht moeten gaan betalen. Waar betaald moet worden, wordt gesjoemeld, ook toen al … Over vis gevangen in het ene stuk water moest meer pacht afgedragen worden dan over vis gevangen in het andere. Door onderling samen te werken, konden vissers de vangst ‘gunstiger verdelen’ en minder betalen. Kortom, niets nieuws onder de zon.

 

Een visser in de buurt van kasteel Crayestein bij Sliedrecht, 14de eeuw.

Groep zalmvissers van Zalmvisserij De Volharding rondom een steur bij de visserij op het Krabbegors, circa 1920. Op de achterkant van de originele foto staat dat de steur buiten het seizoen werd gevangen, weer werd losgelaten en vervolgens opnieuw in het net zwom. Of hij na deze foto nog een keer werd losgelaten, staat er niet bij.

Zalmvisserijen

Rondom Dordrecht werd vooral zalm, steur en elft gevangen en in de stad op de markt gebracht. Tot in de jaren dertig van de vorige eeuw kon er op zalm worden gevist, daarna was het op.

 

De vis raakt op en het water wordt vervuild

In feite ging de riviervisserij al vanaf 1885 achteruit. In 1906 was de toestand zo zorgelijk dat er een commissie werd ingesteld om de reden van die teruggang te achterhalen. Het bleken er vele te zijn: het verzanden van het Bergse Veld, het graven van kanalen, de vernietiging van paaiplaatsen door afgraving van grind, toenemend scheepvaartverkeer en industrieën die het rivierwater vervuilden. Toch waren de grootste boosdoeners de zalmvissers zelf. En dan specifiek de volcontinue zalmzegenvisserijen langs de rivieren, die in het ergste geval van twee oevers tegelijk visten, zoals zalmzegenvisserij De Nieuwe Merwede.

De Maatschap De Volharding, een zalmvisserij op de Oude Maas, besloot in 1932 tot liquidatie over te gaan wegens de slechte resultaten en vooruitzichten. De Volharding was de voortzetting van de zeer oude Visserij van Dordtsmonde die deel uitmaakte van de bezittingen van het geslacht Van Altena.

Een jaar eerder was De Nieuwe Merwede er al mee gestopt, ook bij gebrek aan zalm door overbevissing en vervuiling van de rivier. Af en toe werd er nog weleens een zalm gevangen. Zo vertelt Wim van Wijk dat zijn grootvader die als onderbaas op de visserij had gewerkt, eind jaren dertig nog wel eens een zalm heeft gevangen. Die zalm werd dan onder de snelbinders gelegd en nog per fiets naar de visafslag bij Kralingen gebracht. Er werd toen zoveel betaald voor een zalm om de rit de moeite waard te maken.

De zegenboot waarmee de netten de rivier werden opgevaren, ligt tegen de kade van zalmvisserij De Nieuwe Merwede, achter het groepje mannen links is het paard te zien dat rondjes loopt om de spil waarmee de netten weer naar de wal worden getrokken. Deze visserij viste van twee walletjes, de Noordwal en de Zuidwal. Foto circa 1910.

Net wanneer men denkt dat het niet slechter kan, breekt er in 1986 brand uit bij het chemische bedrijf Sandoz in Bazel. Met het bluswater stroomde ongeveer twintig ton pesticiden de Rijn in, met als gevolg grote vissterfte over honderden kilometers. Dit was het kantelpunt. Er was zoveel schade toegebracht aan de visstand, dat men besloot om een herstelprogramma te starten.

Het plaatsen van vispassages zoals deze zorgt ervoor dat vissen weer kunnen migreren. Foto H.C. Waterbeheersing.

De grote schoonmaak

Met het programma ‘Zalm 2000’ werd een ambitieus plan uitgerold om de waterkwaliteit van de Rijn en de habitat en migratiemogelijkheden voor vissen te verbeteren. Lozingen door fabrieken zijn gestaakt, stuwdammen zijn van vistrappen voorzien en in de jaren rond de eeuwwisseling zijn jonge zalmpjes uitgezet. Beetje bij beetje keert de zalm terug in de Nederlandse rivieren.

De bouw van vispassages bij stuwen en sluizen moet er voor zorgen dat de zalm verder stroomopwaarts kan komen. In Duitsland worden jonge zalmen uitgezet. En door allerlei maatregelen is het water steeds schoner geworden. Vanaf die tijd vangt beroepsvisser Klop uit Hardinxveld-Giessendam af en toe weer zalm op de Nieuwe Merwede.

Bijna een eeuw geleden behoorde Hardinxveld tot de belangrijkste vissersdorpen van de benedenrivieren. In de beste tijden was een kwart van de mannelijke beroepsbevolking werkzaam in de riviervisserij. Daarnaast zorgden de rokerijen en de afslag voor werkgelegenheid. De rokerijen en de afslag zijn verdwenen. De meeste vissers ook.

 

De gebroeders Klop zijn nu nog de enige beroepsvissers van Hardinxveld. Visserijbedrijf Klop is al ruim 400 jaar een familiebedrijf. Vroeger was dat op de rivieren bij Hardinxveld maar tegenwoordig moeten ze ook andere visgebieden aandoen. Ondanks een verbetering van de kwaliteit van het rivierwater zullen de gouden tijden voor riviervissers voorlopig niet terugkeren.

 

De familie Klop, beroepsvissers op de rivieren rond Hardinxveld, circa 1985.

Een andere dreiging voor de beroepsvisserij komt uit onverwachte hoek. Steeds meer viswater in de binnenwateren wordt ondergebracht bij hengelsportfederaties, die het voor het zeggen krijgen ten koste van de beroepsvisserij. Aan de andere kant kijken sportvissers met scheve ogen naar beroepsvissers, omdat die ‘alles’ wegvangen.

 

Vissen voor de lol

Al sinds de klassieke oudheid werd vissen, hoewel in dit geval is de term ‘hengelen’ beter, gezien als een vorm van luiheid en tijdverspilling. Ook in de Middeleeuwen was men die mening nog toegedaan. Hengelen was een ondeugd. In de 17de eeuw zijn er tal van schilderijen en gedichten die een luie visser ten tonele voeren. Zou dat de reden zijn dat hengelaars zich tegenwoordig liever sportvissers noemen?

De hengelaar

Een man aan de waterkant met een hengel ziet er al gauw uit alsof hij vist voor de lol. Maar zonder het hem zelf te vragen, is het niet met zekerheid vast te stellen, en dat geldt helemaal voor een visser die voorkomt op foto’s en prenten. Is hij aan het vissen om zijn armzalige kostje wat aan te vullen of is hij een ‘hengelaar’. In de collectie Dordracum Illustratum zijn twee portretjes van een persoon waarvan we met zekerheid kunnen stellen dat hij een hengelaar was. Zijn naam is Pieter van Suylichem. Hij werd in Dordrecht geboren op 26 februari 1798 en overleed daar op 15 juli 1891 aan het Bagijnhof. Ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag schreef hij een autobiografisch gedicht over hoe hij met een achtjarig jongetje gaat vissen om hem de kneepjes van het vak te leren. Ondertussen moet hij ervoor waken dat het beweeglijke jongetje niet in het water valt.

Dit is niet het enige dat er in de collectie van het archief over Pieter te vinden is. Onlangs werd een fraai tweeluik aan het archief geschonken waarop Van Suylichem staat afgebeeld als hengelaar. De een in een winter- en de ander in een zomers landschap. De aquarellen zijn afkomstig van de familie Penning, via huwelijk gelieerd aan Pieter van Suylichem. Een aardig detail is dat in de jaren dat deze schilderijtjes bij de familie thuis hingen, de zomer- en wintertaferelen met de seizoenen werden gewisseld.

 

Sportvissers peuren wormen langs de Wantijdijk, circa 2000.

Visserslatijn

Op de rivieren rondom Dordrecht werd ook gevist op paling. Dit gebeurde met een peur, een kluwen van aan een draad geregen wormen die met een loden gewichtje overboord werd gehangen. Omdat palingen nachtdieren zijn, kan het vissen op paling het beste ’s nachts worden gedaan. Overdag verzamelt men dan zoveel mogelijk wormen om een peur te maken en ‘s avonds gaat de visser de rivier op.

Dat het ook wel eens mis kan gaan, laat het verhaal hieronder zien. Geschreven door Krijn Kooijman, vroeger uitbater van een café-slijterij aan de Kop van ’t Land.

 

Met man en wormen vergaan!

Vroeger liep er een tijsloot van de Kop van ’t Land, richting de Biesbosch, ongeveer waar nu het fietspad loopt. De naam tijsloot zegt het al, de waterstand in die sloot werd bepaald door het getij op de rivier. Vóór de voltooiing van de Deltawerken was het verschil tussen hoog- en laagwater aanzienlijk, en bij laagwater viel de tijsloot dan ook regelmatig geheel droog. In die tijsloot lagen enkele peurders met hun bootjes. Peuren op paling zag er uit als gewoon vissen, maar in plaats van een haakje met aas zat er aan de hengel/stok een flinke tros geregen wormen, verzwaard met een stuk lood. Het gebeurde meestal ’s nachts, en de peurder moest dus vooral ‘op gevoel’ beoordelen of er een paling van zijn peur zat te smullen. Voorzichtig ophalen was dan de kunst, en bij voldoende vangst kon de peurder gaan slapen onder zijn huik, een soort halve tent op het voorste gedeelte van de boot, waarin meestal een matras lag.

Zonder wormen, geen peuren, dus vóóraf moesten eerst wormen worden verzameld. Dat was nog niet zo eenvoudig. In een weiland of langs de dijk stak de peurder een riek in de grond, en begon vervolgens ritmisch tegen de steel of handgreep te slaan. De wormen waren daar gevoelig voor, en kropen omhoog uit de grond. Het was nog een behoorlijk karwei tot er voldoende wormen waren verzameld voor het maken van een flinke peur, een tros wormen. Wormen waren dus een kostbaar bezit voor peurders. Hóe kostbaar, blijkt uit dit waar gebeurde verhaal.

Een van de peurders was een gewezen machinist van de ‘grote vaart’, die na zijn trouwen door zijn vrouw naar de wal was gelokt. (Een mooie vrouw trekt nu eenmaal harder dan twaalf paarden.) De voormalige zeebonk was op de Elfhuizen in Dordrecht een bedrijfje begonnen in ‘Vernikkelen en Verchromen’. In het weekend ging hij peuren met zijn bootje dat in de eerder genoemde tijsloot lag, aan de Kop. Op een dag had hij zijn boot, om droogvallen te voorkomen al vast ‘naar buiten’ gehaald en deze bevestigd aan de ponton van de veerpont. Alvorens de oversteek te maken naar de Brabantse Biesbosch, kwam hij bij ons in het café nog even een oorlam (borreltje) halen, en misschien wel twee. Wellicht was dit ook om moed te verzamelen voor het oversteken van de Nieuwe Merwede, want het was inmiddels enorm gaan waaien.

Zoals bekend was het vroeger ‘altijd’ mooi weer, maar díe dag even niet. De wind huilde door de hoogspanningskabels, die toen nog over de rivier waren gespannen. Het verval (verschil tussen hoog en laag water) was destijds normaal al 1,5 à 2 meter. Daardoor ontstond er een sterke stroming van afgaand water richting zee, maar dat water kreeg die dag tegenwind van een orkaanachtige, zuidwester storm. Dit conflict tussen water en wind zorgde voor golven op de rivier die op zee niet zouden hebben misstaan. De Veerdienst IX was in zijn element, evenals zijn bemanning. Eindelijk eens een wat minder rustige overtocht! Het schip danste op de golven naar de Brabantse oever, waarbij het soms, op de stuurhut na, uit het zicht verdween, als het viel in een dal tussen twee golven. Sommige passagiers zullen hebben gedacht dat hun laatste uur geslagen was.

Ondertussen stopte onze zeebonk in het café een kwartje in de jukebox, en draaide (zoals altijd) drie maal achter elkaar dezelfde plaat: ‘Schön ist die Jugend’, van Leni und Ludwig. Mee neuriënd, met zijn ogen dicht, en nippend aan zijn borreltje, stond hij dan te genieten. Gesterkt door de muziek en een paar jonge borrels, stapte hij even later de deur uit, op weg naar zijn bootje aan de ponton.

Na enige tijd zag ik vanuit het café, dat de veerpont een heel ongewone manoeuvre maakte en, dat op het dek, in een soort paniek heen en weer werd gerend. Het was duidelijk dat er iets aan de hand was. Ik spoedde me richting rivier en schrok enorm, toen ik nog net de huik van het peurdersbootje onder water zag verdwijnen.

Wat bleek, onze zeeman had wind en golfslag onderschat, (als zeeman had hij wel grotere golven meegemaakt), maar toen hij zijn bootje losmaakte van de ponton , sloeg de wind onder de huik, en was er geen redden meer aan! De peurder was mét zijn schip ten onder gegaan, maar gelukkig door de golven tegen de kant gekwakt.

Hij lag daar, vóórover, armen en benen gespreid, tegen de stenen glooiing. (Later bleek ook nog, dat hij niet kon zwemmen.) Ik zal nooit vergeten wat hij (huilend) riep, toen ik bij hem was geklauterd: ‘OH, OH, MIJN WORMEN, OOOOOH, MIJN WORMEN !!’ Zojuist ontsnapt aan de verdrinkingsdood en happend naar adem, waren de wormen zijn grootste zorg! Die wormen hadden, niet geheel vrijwillig, het ruime sop gekozen, en dát weekend werd er niet meer gepeurd!

 

De zeevismarkt aan de Visstraat, uiterst links is de zijgevel van de Waalse kerk zichtbaar boven de marktstal, circa 1860.

Vissen op het droge

Eenmaal gevangen moest de vis verkocht worden, en dit gebeurde op de vismarkten in Dordrecht. In de 17de eeuw was er een Grote of Zeevismarkt en een Kleine of Riviervismarkt. De historicus Matthijs van Balen behandelt deze markten als delen van de Voorstraat gelegen tussen de Visbrug en het stadhuis.

De zeevismarkt werd in 1867 verplaatst van de Visstraat naar de Knolhaven, waar het gietijzeren bouwsel tegenwoordig is geïncorporeerd in de overkapping van het terras van een restaurant. De Riviervismarkt werd ook wel de Boerenvismarkt genoemd, omdat de vis die daar werd verkocht uit de omgeving kwam. In namen als Visstraat, Visbrug, Vismarkt, Vissteiger, Haringstraat en Palingstraat leeft de bedrijvigheid alleen in naam nog voort. In de Visstraat waren ooit zout- en rookhuizen te vinden waar de vis werd gepekeld of gerookt voordat hij naar Engeland werd uitgevoerd. In diezelfde straat was het gildehuis van het Viskopersgilde, nu nog bekend als ‘De Crimpert Salm’. Met zijn rijk versierde gevel is het een van de fraaiste panden van de stad.

 

Blauwdruk van een ontwerptekening voor de restauratie van de panden ‘De Crimpert Salm’ en 'De Steur' aan de Visstraat, circa 1900.

De vismarkt in Dordrecht was van een andere orde dan vismarkten in andere plaatsen. De Dordtse vismarkt was meer een handelsinstelling, geleid door een schout. Met zijn 50 visstallen oversteeg de markt het plaatselijke belang. Hier waren het dan ook niet visvrouwen die de dienst uitmaakten, zoals in andere plaatsen, maar mannen. De visvrouwen verkochten de minder kostbare soorten.

Samenstelling Helen Stroosma met dank aan Krijn Kooijman (augustus 2019)

Zelf verder hengelen?

De zalmvissers van de Biesbosch, door dr. P.J.M. Martens.
Heden en verleden van zalm en zegen in de Biesbosch, door Wim van Wijk.
De haringtrafiek van Dordrecht, door drs. Monica de Hoog.

 

Sluit het Verborgen Museum