Het Oordeel van Salomo

In de vaste opstelling van het Hof van Nederland hangt een rond oud schilderijtje. Het beeldt het zogenaamde Oordeel van Salomo af. Dit Bijbelse verhaal wordt verteld in 1 Koningen 3:16-28 en dient als het bewijs van de wijsheid en rechtvaardigheid van de jonge koning Salomo.

Het Oordeel van Salomo

Portret van Johan van Beverwyck

Wat het afbeeldt is wel duidelijk, maar wie heeft het geschilderd, wanneer en waarom? Degene die daar iets over weet te vertellen is Johan van Beverwyck. In 1640 komt zijn boek uit over de geschiedenis van Holland en Dordrecht: ’t Begin van Hollant in Dordrecht…. Op pagina 348 schrijft hij: ‘Binnen de Stadt selve was gevangen, als voor een ketter aengebracht zijnde, een man van onbesproken leven, ende wandel (gelijck ick verstaen hebbe van de gene, daer hy by gewoont heeft) met namen Ian van Cuyck, Woutersz. Een konstigh glaes-schrijver, en schilder. De magistraet wel siende hoe het onder ’t volck gestelt was, en haesten niet seer om sijn proces te maken. Iae de Schout Ian van Drenckwaert, Boudewijnsz., die noch jongh ende ongebaert was, liet hem van uyt-schilderen in’t wesen van Salomon, daer hy sijn eerste vonnis uyt spreeckt.

Dan de Monicken en deden niet als heftigh preken op dese slappigheyt, ende dorsten wel van stoel roepen, dat de Schout hem maer gevange hadde, om dat hy hem zoude voor doen schilderen. Soo dat den armen man nae veel pijnigen, om sijn meester ende medestanders te weten, den 28. Maert, op het nieuwerck, met een vrouw van Molenaers-graef Adriaenken Ians, verbrant is; niet sonder groot weer-sien van vele omstanders, die onlanghs daer na de Monicken wel verleerden haer ongeschickt preken, ende leven. Het is goet soo te preken, dat men prekende blijft.

De schilder was dus Jan Wouterszoon van Cuyck. In het voorjaar van 1572 werd hij als doopsgezind gelovige gearresteerd door de jonge schout Jan Boudewijnszoon van Drenckwaert vanwege ketterij. Nadat hij in de Vuylpoort was gevangengezet’, kreeg hij van Van Drenckwaert de opdracht om een portret van hem te schilderen. De schout wilde afgebeeld worden in de persoon van de wijze en rechtvaardige Salomo.

Zodra de monniken hier achter kwamen waren ze woedend en eisten ze vanaf de preekstoel de dood van Jan van Cuyck. De schout kon niet anders dan toegeven. Hij liet Van Cuyck martelen om namen van andere doopsgezinden te achterhalen en liet hem daarna samen met een geloofsgenote levend verbranden. Uit het verhaal van Van Beverwyck blijkt ook dat de Dordtse bevolking deze executie absoluut niet op prijs stelde.

Bladzijde uit ’t Begin van Hollant in Dordrecht van Johan van Beverwyck.

Dordrecht in 1572.

1572 was een belangrijk jaar voor Dordrecht. Met de komst van de geuzen in juni 1572 werd Dordrecht een stad met een protestants bestuur en schaarde de stad zich achter Willem van Oranje. In de jaren ervoor was Dordrecht katholiek. Dit betekende niet dat men voortdurend ketters vervolgde. De voorganger van de schout Jan van Drenckwaert was Adriaan van Blyenborch sr. Vanaf 1549 was hij schout van Dordrecht.

De schout en zijn makkers vormden het juridisch apparaat van de stad. Rechtsprekende en uitvoerende macht waren in één instantie verenigd. De schout stond aan het hoofd. Hoewel Van Blyenborch katholiek was, had hij met veel stadsgenoten gemeen dat hij eerzame  medeburgers niet wilde vervolgen als misdadigers vanwege een geloofsovertuiging. De plakkaten tegen de ketters van Alva werden echter steeds strenger en in 1571 kon Van Blyenborch zijn ambt niet langer verenigen met zijn geweten. Hij stopte als schout en zijn opvolger werd Jan Boudewijnszoon van Drenckwaert.

Van Drenckwaert was een hartstochtelijk ketterjager en vooral doopsgezinde protestanten werden streng vervolgd. Jan van Cuyck was een van zijn laatste slachtoffers. Enkele maanden voor de komst van de geuzen in Dordrecht werd hij geëxecuteerd. Wanneer de geuzen voor dezelfde poort zijn aangemeerd als waar Jan van Cuyck gevangen werd gehouden, hadden enkele vooraanstaande burgers in het geheim een onderhoud met hen. Een van die burgers was de zoon van Adriaan van Blyenborch, Adriaan jr. Hij werd protestants en volgde Van Drenckwaert op als schout. Van Drenckwaert vluchtte naar de Zuidelijke Nederlanden.

Portret van Jan Boudewijnszoon van Drenckwaert.

Het schilderij is dus verbonden met het verhaal van Jan van Cuycks marteldood. Van Beverwyck vertelt dit als eerste, maar anderen zoals Matthijs Balen en Arnold Houbraken zeggen hem dit na. Het is duidelijk dat ze zich baseren op Van Beverwyck. Houbraken gebruikt soms zelfs dezelfde uitdrukkingen als Van Beverwyck. In de achttiende eeuw werd het schilderij een toeristische attractie vanwege het verhaal dat erbij hoorde. In de negentiende eeuw vertelt de schrijfster A.L.G. Bosboom-Toussaint dit verhaal, sterk geromantiseerd, in een historische novelle.

Portret van Tielman van Bracht.

Bosboom-Toussaint geeft meer informatie dan Van Beverwyck. Dit heeft ze niet allemaal zelf verzonnen. Ze maakt gebruik van een bron die we nog niet hebben genoemd. In 1660 komt het boek Het bloedigh tooneel der doops-gesinde, en weereloose christenen… uit. Het is geschreven door doperse predikant Tielman van Bracht. In dit werk beschrijft Van Bracht allerlei martelaren vanaf de Romeinse tijd. De marteldood van Jan van Cuyck komt ook uitgebreid aan bod. Eerst geeft hij een verslag van de gebeurtenissen rondom zijn executie en die van Adriaenke Jansdochter. Dit wordt gevolgd door twaalf brieven van Jan van Cuyck aan zijn familie en één van Adriaenken Jansdochter aan haar echtgenoot en zijn antwoordbrief. Deze brieven zijn tijdens hun gevangenschap geschreven.

Van Bracht had toegang tot de stadsarchieven en heeft onderzoek gedaan omtrent de dood van Van Cuyck. Hij geeft aan dat er van de processen niets in de archieven is bewaard. Hij vermoedt dat dit komt doordat de administratie van deze processen werd gescheiden van de gewone administratie van de stad. Inderdaad is er in de archieven van de Bloedraad in Brussel een stuk bewaard gebleven met de uitspraak van het vonnis over Jan van Cuyck en Adriaenken Jansdochter. Van Bracht heeft dus geen archiefstukken tot zijn beschikking, maar beroept zich op Van Beverwyck en geeft aan dat de feiten die hij noemt door geen enkele Dordtenaar wordt weersproken.

 

Het zijn vooral de brieven van Jan van Cuyck die ons inzicht geven in wat er precies is gebeurd tijdens zijn arrestatie en gevangenschap. In de buurt van de Riedijk was hij ondergedoken met zijn vrouw en dochtertje. De schout was uiteindelijk achter zijn verblijfplaats gekomen en kwam hem arresteren. Van Cuyck opende zelf de deur. Om te voorkomen dat ook zijn vrouw opgepakt zou worden, stond hij hen beleefd maar luidruchtig te woord. Zijn vrouw, die achter in het huis was, hoorde dit en verdween via de achterdeur naar buiten.

Van Cucyk werd opgepakt en voor de ogen van zijn dochtertje als een misdadiger meegenomen naar de Vuylpoort. Daar werd hij gepijnigd en verhoord. De schout wilde namen weten van onder andere zijn vrouw en degene die hem had herdoopt. De martelingen werden om de paar dagen herhaald zodat zijn wonden opengehaald werden als ze net begonnen te genezen. Van Cuyck gaf echter geen namen.

Wanneer er geen fysiek geweld gebruikt werd probeerde men hem over te halen via psychologische druk. Zo werd hem vrijheid beloofd als hij zou toegeven, maar hij wist dat dit een leugen was en hij sowieso gedood zou worden. Na de verhoren werd hij nog een tijd vastgehouden voor hij op 28 maart werd geëxecuteerd. Van Bracht vertelt over de executie. Onderweg naar de executieplaats werd Van Cuyck door een geloofsgenoot uit de omstanders bemoedigd. De man verdween in de menigte tot ongenoegen van dienaars van de schout.

Zowel Van Cuyck als Adriaenken was de mond gesnoerd, maar Jan van Cuyck wist één hand los te wurmen en zich te ontdoen van de prop in zijn mond. Op het schavot ontblootte hij zijn borst met de littekens van het verhoor en getuigde hij van zijn geloof. Dan volgde de executie zelf. Adriaenken werd eerst gewurgd voor het vuur werd aangestoken, maar Van Cuyck werd levend verbrand. De Dordtenaren zagen dit alles met grote weerzin aan.

De executie van Jan van Cuyck.

De brieven geven een gedetailleerd beeld van de gang van zaken in de gevangenis, maar hoe betrouwbaar zijn ze? Zijn ze echt van Van Cuyck? Op het eerste gezicht lijken de brieven niet authentiek. Ze zijn heel theologisch en ‘prekerig’ van karakter. Je krijgt de indruk dat ze niet zozeer geschreven zijn voor intimi, maar voor een kerkelijke gemeente. De auteur zou zomaar een predikant kunnen zijn zoals Van Bracht. Toch zijn er inhoudelijke elementen te ontdekken die lijken te wijzen op Van Cuyck als de auteur. In een brief aan zijn vrouw heeft hij het over een ontsteking die hij vroeger heeft gehad. Hij verwijst naar het gevoel wat hij toen had in vergelijking met zijn lijden nu. Dit was kennelijk bekend bij zijn vrouw, anders had die vergelijking niet veel nut.

Een ander opvallend element is dat hij structureel geen namen noemt. Dit doet hij duidelijk vanwege het concrete gevaar dat zijn overwegend doopsgezinde familie anders zou lopen. Eén naam noemt hij echter wel: die van de zus van zijn vrouw: Neelken Jacobsdochter. Zij is namelijk nog steeds katholiek en zelfs de mater van een klooster in Dordrecht. Zij was kennelijk buiten gevaar.

Zo zouden er nog meer details te noemen zijn. Een ander belangrijk gegeven voor de authenticiteit van de brieven is dat ze al in 1579 zijn gedrukt. Van Bracht heeft ze dus niet als eerste uitgegeven, maar alleen herdrukt in zijn boek. Dat ze zo snel na de gebeurtenissen gedrukt zijn, pleit voor de geloofwaardigheid van de beschreven feiten in de brieven. Onwaarheden waren toen nog makkelijk te falsificeren. De brieven lijken dus de meest authentieke documenten te zijn in dit verhaal.

 

De Vuylpoort in de omgeving van de Grote Kerk.

Wordt er in deze brieven iets over het schilderij gezegd? Nee, het schilderij is de grote afwezige in heel het verhaal van Van Bracht en ook in de brieven. Het maken van dit schilderij in de Vuylpoort lijkt erg onwaarschijnlijk. Ten eerste werd Van Cuyck niet helemaal aan het einde van zijn gevangenschap gemarteld zoals Van Beverwyck en zijn navolgers suggereren, maar al vrij snel na aankomst in de Vuylpoort. Er is geen sprake van dat de schout hem probeerde te sparen. De sfeer was juist grimmig en de ondervraging sadistisch. Wanneer de schout al vriendelijke woorden sprak, was dit vanwege het psychologische spelletje om Van Cuyck in de val te lokken.

Van Cuyck was een groot deel van zijn tijd in de gevangenis bezig om te herstellen van verwondingen. Dit lijkt niet de ideale situatie voor het maken van een kunstzinnig schilderij. Daarbij komt dat het maken van een schilderij in die tijd niet zo makkelijk was. Men had geen verftubes of elektrisch licht. Schilderijen werden gemaakt in een atelier met gunstig licht en verf moest de schilder zelf maken met oliën en dure pigmenten. De omstandigheden in de Vuylpoort waren hier vast niet op berekend.

Tenslotte was de schout niet alleen met Van Cuyck. Hij werd steevast vergezeld van zijn dienaren en verschillende ambtenaren en functionarissen. Het zou opmerkelijk zijn wanneer het verhaal van Van Beverwyck zou kloppen, maar Van Cuyck het niet zou noemen in zijn brieven. Daarvoor is het te bijzonder. Op grond van de brieven van Van Cuyck is de conclusie dat het zeer onwaarschijnlijk is dat Van Cuyck het schilderij tijdens zijn gevangenschap heeft geschilderd.

 

Op Wikipedia en op de website van het RKD – Instituut voor Nederlandse Kunstgeschiedenis wordt gezegd dat dit schilderij wel door Van Cuyck, maar niet in 1572 is geschilderd. Men noemt daarentegen het jaar 1552. Dus twintig jaar voor de dood van Van Cuyck. Volgens Wikipedia heeft archiefonderzoek aangetoond dat er in dat jaar voor dit schilderij is betaald. Wikipedia en de RKD geven echter geen bron en eigen onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd over dit schilderij in 1552.

In de brieven van Van Cuyck wordt een detail genoemd waardoor ook het jaartal 1552 onwaarschijnlijk is als datering van het schilderij. Tijdens een van de verhoren probeerde de schout Van Cuyck te verleiden tot het geven van namen door middel van valse beloften van vrijheid. Hij zei onder meer dat Van Cuyck nog jong was. Hij had nog een hele toekomst voor zich met zijn vrouw en mogelijk meer kinderen dan alleen het ene jonge dochtertje dat hij nu had. Als Jan van Cuyck in 1572 jong genoemd wordt, zal hij toch niet veel ouder dan dertig geweest zijn. In 1552 was hij dan nog een kind en hij zal toen geen schilderijen voor de stadsraad in bestelling gehad hebben.

De stadsrekening van 1552.

Het Laatste Avondmaal door Willem Key.

We moeten met nog één bron rekening houden in dit verhaal: het schilderij zelf. Wat vertelt het schilderij zelf over de herkomst? In de eerste plaats ontbreekt er een signatuur. Er is verder geen werk van Van Cuyck overgeleverd dus we weten niet of dat bij hem gebruikelijk was of niet. Ook weten we niet of hij een bepaalde stijl had waaraan je hem zou kunnen herkennen. Kunsthistorisch onderzoek heeft wel aangetoond dat de compositie van het schilderij soms een opvallende overeenkomst vertoont met sommige prenten met dit onderwerp. Het zou kunnen dat dit schilderij een geschilderde kopie van een dergelijke prent is.

In de lijn hiervan ligt het argument waarom dit schilderij waarschijnlijk niet bedoeld is als een portret. De figuren op het schilderij zijn te generiek om als portret te kunnen dienen. Een voorbeeld van een schilderij uit deze periode dat wel duidelijk als zodanig functioneerde is het Laatste Avondmaal door Willem Key. Hooggeplaatste stadsgenoten worden door Key duidelijk herkenbaar afgebeeld in de vorm van de apostelen rondom Jezus. De schilder heeft zichzelf waarschijnlijk ook geschilderd in de hoek rechtsonder. De gezichten zijn allemaal specifiek met eigen kenmerken. Bij het Oordeel van Salomo is dat juist niet het geval. Ze hebben bijna iets van Renaissance Play-Mobile poppetjes.

De conclusie is dus dat het mooie verhaal van Van Beverwyck waarschijnlijk niet klopt. Het is zelfs de vraag of Jan van Cuyck de schilder van dit werk is. Jan van Cuycks marteldood en die van Adriaenken Jansdochter zijn daardoor echter niet onbelangrijk geworden voor de geschiedenis van Dordrecht. De overgave van de stad aan de geuzen enkele maanden later verliep vrij soepel en zonder strijd.

De daaropvolgende Eerste Vrije Statenvergadering in Dordrecht was een belangrijk moment in de strijd van Willem van Oranje tegen Filips II. Het is goed mogelijk dat de weerzin die deze executie bij de Dordtenaren wekte, heeft bijgedragen aan dit soepele verloop van de overgang van Dordrecht naar de zijde van de Prins van Oranje. Het verhaal is misschien minder schilderachtig, maar zeker niet minder boeiend.

 

Sluit het Verborgen Museum