Het Dordrecht van Cuyp

Ter gelegenheid van het vierhonderdste geboortejaar van Aelbert Cuyp ( 1620 – 1691) vindt in het Dordrechts Museum een grote tentoonstelling plaats waarin Cuyp en zijn invloed op Engelse landschapsschilders centraal staat. Het Regionaal Archief Dordrecht schetst het decor waartegen het leven van Cuyp zich afspeelde. Cuyp mag dan zijn leven lang in Dordrecht hebben gewoond, zijn invloed reikte tot buiten de landsgrenzen en tot ver na zijn tijd.

 

Een gefantaseerd portret van Aelbert Cuyp.

De tijd en de tijdgeest

Zijn leven speelde zich af in de Gouden Eeuw, een bloeiperiode van handel, kunst en wetenschap, met beroemde schilders als Rembrandt, Frans Hals, Johannes Vermeer en Van Goyen en wetenschappers als Huijgens, Van Leeuwenhoek en Beeckman. In de loop van de zeventiende eeuw ging men steeds meer uit van de eigen waarneming. Dit in tegenstelling tot de periode daarvoor, toen men er nog van overtuigd was dat alle kennis verborgen lag in het verleden. Kennis werd vergaard door het lezen van oude geschriften, hoe ouder hoe beter.

Juist deze nieuwe benadering van de wetenschap werd toegepast door Cuyps stadsgenoot Isaac Beeckman (1599-1637). Beeckman kwam oorspronkelijk uit Middelburg maar werd in 1627 aangesteld als rector van de Dordtse Latijnse school. Hij had zich niet alleen verdiept in wis- en natuurkunde maar ook in theologie en geneeskunst– zonder social media kun je een hoop doen in je leven – onderwerpen waarover hij van gedachten wisselde met zijn vriend, de Franse filosoof Descartes. Zijn waarnemingen zette hij voort na zijn aanstelling als rector. Hij regelde bij het stadsbestuur dat er op het gebouw van de Latijnse school aan de Nieuwstraat een torentje werd gebouwd dat hij inrichtte als meteorologisch en astronomisch observatorium. Al spoedig deed het verhaal de ronde dat hij voorspellende gaven zou hebben.

De uitvinding van de telescoop in Nederland in 1608 was een voorbode van de nieuwe wetenschappelijke benadering. De eigen waarneming werd leidend in het uitvoeren van experimenten op allerlei gebied. Daarnaast was de relatieve vrijheid in de Republiek een stimulans voor de wetenschap. Universiteiten en illustere scholen werden opgericht. Illustere scholen boden een soort  academische basisopleiding, maar dan zonder promotierecht zoals een universiteit. Censuur ontbrak en omstreden theorieën werden in vrijheid verkondigd zonder dat het je de kop zou kosten, zoals dat in het katholieke zuiden wel het geval was.

Een pagina uit Isaac Beeckmans dagboek, 18 juli 1612: Hoe je met een halve slag een emmer water toch uit de put kan halen. (Beeldbank Zeeland).

Wintergezicht van Hendrick Avercamp.

Het weer – De Kleine IJstijd

Dankzij de eigen waarnemingen en het noteren ervan weten we tegenwoordig nog veel over het weer in de zeventiende eeuw. In allerlei bronnen, dagboeken van reizigers en wetenschappers vinden we vermeldingen van bar weer of bijzondere natuurverschijnselen. De zeventiende eeuw valt nog in de Kleine IJstijd. Bovendien was het laatste kwart van de zestiende eeuw ook nog eens de koudste periode in de afgelopen duizend jaar. De Kleine IJstijd begon rond 1430 en duurde tot halverwege de negentiende eeuw. Ook tijdens de eerste 25 jaar van de zeventiende eeuw was het nog flink koud. Zoals te zien is op schilderijen van onder anderen Hendrick Avercamp. In 1601 viel op 8 januari na een strenge vorstperiode de dooi in en smolt het ijs op de rivieren; op 16 januari ging het ijs tussen Dordrecht en Gorinchem op drift, maar twee weken later viel de vorst opnieuw in. De winter was lang en streng.

Maar binnen die ijstijd waren er ook relatief zachte perioden. Zo was het in 1602 warm genoeg om in de maanden februari en maart al een muggenplaag te veroorzaken. De winters van 1636 en 1637 bijvoorbeeld waren zacht en beide zomers zo warm dat de wijnoogst vroeg en rijk was. Maar die warme zomers waren ook niet alles, want daarop volgden uitbraken van de pest. 1616 was zo’n jaar.

 

Als er in 1621 een krant was geweest dan had de kop boven een artikel van 5 februari er zo uitgezien:
Slee rijdt in wak. Passagiers komen om
Gisteren reed voerman Den Aaxter met een slee vol passagiers
vanuit Dordrecht op de Noord in een groot wak. Hoeveel mensen
zijn verdronken is niet bekend.

Ook in de winter van 1622 was het weer raak. Op 16 november deed Maurits een poging Antwerpen aan te vallen. Op 30 november voer hij met 1500 schuiten over de Dordtse Kil naar het zuiden. Maar op 1 december werden ze overvallen door een storm gecombineerd met zo’n strenge vorst dat het water dat uit de rivier omhoog spatte meteen veranderde in ijs, touwen en takels werden onbruikbaar. De volgende ochtend heerste er chaos, op de met ijsschotsen gevulde kil botsten de schepen op elkaar en blies Maurits de hachelijke onderneming af.

Meer persoonlijke waarnemingen leveren de volgende juweeltjes op: 0p 11 december 1662 schreef Mr. Adriaen van der Goes uit Den Haag:
Voorleede Dingsdachs (5 december) ‘s morgens begonst het hier heel hardt te vriezen…’ Op 26 december duurt de vorst al 14 dagen: ‘De rivieren hebben boven Dort alle vastgelegen, en is hier zoveel sneeuw gevallen, als in al myn leven; t’geen veel scheelt van de prognosticatien, dat dit jaer weder geen winter soude wesen…

Uit een andere bron is het volgende bekend. Op 15 maart 1667 vertrokken 13 maats met een smalschip van Dordrecht naar Zaandam. Drie dagen later waren ze alweer thuis; op de schaats. Hun schip was vastgevroren in het ijs. Het was niet alleen sneeuw en ijs die voor ellende zorgden. In 1669 was er langere tijd droog en rustig weer wat tot droogte leidde. De droogte was zo intens dat bij de minste wind uit noordwest het brakke water tot Dordrecht kwam. Een tekort aan drinkwater was het gevolg.

 

Een jaar later was er weer een strenge winter: in januari 1670 vroor het streng. Men reed met koetsen getrokken door vier en zes paarden over de Maas van Rotterdam op Dordrecht, ‘sonder peryckel of ommesien’. Begin februari waren de wegen onbegaanbaar door sneeuwval. Vanuit Rotterdam reed men met een paardenslee naar Dordrecht over de rivieren. Ook de raadpensionaris Johan de Witt reed met karossen en paarden over de Maas naar Dordrecht.

 

Huis te Merwede bij winter, circa 1645. Naar een schilderij van Jan van Goyen (tekenaar onbekend).

Schaatsers, sleden en paarden op de Beneden Merwede met de ruïne van het Huis te Merwede door Jan van Goyen, 1646.

Bijna tien jaar na zijn eerdere waarneming schreef Adriaen van der Goes nog altijd, maar in november 1671 was hij gedwongen te stoppen. Het was zo koud dat myn inct bevriest in de pen, dat ongehoort is na de tyt.

De laatste strenge winters van de eeuw heeft Cuyp niet meer meegemaakt. De winter van 1694 was opnieuw lang en streng, in september kwam de eerste vorst en pas in april wordt het weer iets aangenamer. Hekkensluiter van die eeuw was de al even lange als strenge winter van 1696.

 

De stad

Hun eigen stad kenden de Dordtenaren wel. Maar dingen waar de Dordtenaar aan voorbij gaat, worden door reizigers juist als bijzonder ervaren.. Daarom zijn de beschrijvingen van reizigers die de stad aandoen, zo leuk.

 

Gezicht op Dordrecht vanaf de Oude Maas door Valentijn Clotz of Josua de Graaf, 1672.

Thomas Coryate (1577 – 1617), bekend om zijn reisverslagen en het introduceren van de vork in Engeland, is wat zijn opmerkingen over Dordrecht betreft, helaas iets teleurstellend. Toen hij in 1608 langs Dordrecht voer, was het enige wat hij kon bedenken: een maagdelijke stad, nooit veroverd.

Maar John Evelyn (even oud als Cuyp) die Dordrecht per schip aandeed, vertelt ons iets wat we niet kunnen terugvinden in oude tekeningen. Evelyn, die al vanaf zijn zeventiende een dagboek bijhield, vertrok op 31 juli 1641 uit Gravesend en arriveerde de volgende dag in Vlissingen. Hij vervolgde zijn reis naar Dordrecht, waar hij de Grote Kerk en het gebouw van de synode bezocht. Maar het meest nog was hij onder de indruk van de ooievaars die hun nesten bouwden op de schoorstenen en ongestoord naar eten scharrelden in de straten.

 

Portret van Thomas Coryate.

Portret van John Evelyn.

Jammer voor ons hielden ooievaars geen dagboeken bij, dus zullen we aan de hand van tekeningen en kaarten ons een idee moeten vormen hoe de stad er in de zeventiende eeuw in vogelvlucht moet hebben uitgezien.

Een zeer fraaie kaart is de gravure van Mathaus Merian. Deze geeft de situatie weer van circa 1632. Hoewel niet in kleur, betovert deze kaart door haar details. De drijvende boomstammen in de Maas, de schepen bij t’ Groote Hooft, de stadsmuur en de palissade op wat tegenwoordig de Kuipershaven is. Buiten de stadsmuur de blekerijen, de 17e-eeuwse groenstrook.

De volgende plattegrond geeft de situatie weer tussen 1640-1647. Het is een ingekleurde gravure van J. Blaeu, ook hier de boomstammen en de blekerijen, maar ook de in 1639 en 1640 in de stadsgracht aangelegde sluizen bij de Kleine Sluispoort (of Noorderpoort) en de Grote Sluispoort. Het in 1647 gegraven Maartensgat komt er nog niet op voor.

 

Behalve reizigers, was er nog een categorie personen die de stad nauwkeurig heeft geobserveerd. De mensen die beroepshalve keken, zoals Aelbert Cuyp, …

en Jan van Goyen, …

en Abraham Rademaker (Lisse, 1676/’77 – Haarlem, 21 januari 1735).

De mensen

In 1622 werd er in Holland een census, een volkstelling, gehouden. Steden stonden op zich niet te dringen om een volkstelling, want op basis van het aantal inwoners werd belasting geheven en dat kon wel eens onvoordelig uitpakken. Maar er was geld nodig. Het Twaalfjarig Bestand was afgelopen en het hervatten van de oorlog zou Holland geld gaan kosten om een leger op de been te brengen. Volgens de telling van 1622 had Dordrecht 18.270 inwoners.

 

De anonieme schilder beeldt Pieter, Janette en Maria af als kleine pakketjes. Het inbakeren (omwikkelen met lappen) van baby’s was in overeenstemming met de medische adviezen van die tijd. Volgens gezaghebbende artsen destijds was dit de manier om baby's niet alleen warm te houden maar ook recht van lijf en leden.

Een jaar eerder was er aan de Riedijk in Dordrecht een vierling geboren. Dat tikte lekker aan bij de telling, zou je zeggen. Maar Elisabeth werd maar anderhalf uur oud. Ook de andere kinderen Pieter, Jannette en Maria Costerus waren geen lang leven beschoren. De gebeurtenis was zo bijzonder dat er een schilderij van werd gemaakt. Op het schilderij van de vierling is Elisabeth het liggende kindje rechts. Kindersterfte was hoog in de zeventiende eeuw. (Ook voor moeders was een kind krijgen overigens riskant.) 40 tot 50 procent van de kinderen bereikte de leeftijd van 18 jaar niet. De kans op overleven voor meerlingen was nog kleiner. Van de vier eerdere kinderen van het echtpaar waren er ook al drie overleden.

Een van die gezaghebbende artsen was Johan van Beverwijck (1594-1647). Net als zijn eerder genoemde stadsgenoot Isaac Beeckman was ook Van Beverwijck een man met een brede belangstelling en kunde. Na lang aarzelen tussen letteren en rechten begon hij in 1611 een studie rechten te Leiden. Pas later volgde de overstap naar medicijnen, waarin hij in 1614 promoveerde,  ook in Leiden. Van Beverwijck reisde vervolgens naar Frankrijk, waar hij diverse universiteiten bezocht. Ten slotte haalde hij aan de universiteit van Padua zijn doctorsbul.

Daarna volgde een Grand Tour door Italië. In 1618 kwam hij terug in Dordrecht waar hij zich als geneesheer vestigde in de deftige Wijnstraat. In november 1625 werd hij benoemd tot stadsdokter. In deze functie zou hij er ook voor zorgen dat een vroedvrouw verplicht aanwezig was bij bevallingen. Zij mocht de barende vrouw niet verlaten en mocht haar ook geen medicijnen voorschrijven. Indien nodig moest zij er een dokter bij roepen.

De doctorsbul van Johan van Beverwijck.

Chirurgie werd beoefend door barbiers (!) en empirici,  dat zijn mensen die hun kennis en kunde baseerden op eigen ervaring. Op verzoek van het chirurgijnsgilde ging Van Beverwijck daarom in 1634 wekelijks lessen in de anatomie geven. Dit gebeurde in de tot anatomisch theater omgebouwde gildekamer in de Wijnkoperskapel.

 

Naast al deze bezigheden was Van Beverwijck lid van het stadsbestuur en andere bestuurscolleges, was hij bibliothecaris van de stadsbibliotheek en had hij nog tijd over om gedichten te schrijven en te discussiëren met stadsgenoten als Jacob de Witt en Jacob Cats.

In 1642 heerst er malaria aan de kust. Johan van Beverwijck had daar een theorie over: hij weet het aan Noortsche lucht die kout, grof, brackigh ende besmet is met veel dampen dewelcke de Zee, de Meren ende Gorssingen opgeven. Hij heeft de klok horen luiden; later ontdekte men dat de ziekte wordt veroorzaakt door muggen die zich ophouden in brak water.

 

Portret van Johan van Beverwijck.

Het is 1635 en de ernstigste pestepidemie sinds de middeleeuwen trekt door het land, tal van Hollandse steden worden getroffen, waaronder ook Dordrecht. Notarissen doen goede zaken met het opstellen en afhandelen van testamenten. Twee jaar later heerst de pest nog altijd. Een grote groep leerlingen van de Latijnse school vluchtte uit angst voor de pest de stad uit. Ze namen de veerpont over het Hollandsch Diep, waar de boot verongelukte. Bijna alle leerlingen kwamen om.

Afgezien van het hoge aantal sterfgevallen valt op dat er opvallend veel huwelijken werden gesloten tussen weduwen en weduwnaars, de zogenaamde pesthuwelijken. Het aantal doden zorgde nog voor een ander probleem. Wat te doen met de lichamen? In een van zijn verhandelingen over de pest schreef van Beverwijck:

Het is al erg genoeg dat de graven steeds heropend worden om nieuwe slachtoffers te begraven, maar het is nog vreselijker dat ze onder de preek open liggen en iedereen die er in de buurt zit van stank doen vergaan. Ik kan verschillende voorbeelden geven van lieden die dat heel slecht bekomen is. Het zou beter zijn hier de oudheid te volgen en geen doden te begraven op een plaats waar het volk voor de godsdienstoefening verzameld is, vooral niet tijdens een pestepidemie. Kerken zijn gebedshuizen en behoren door ons meer in waarde gehouden te worden dan dat wij ze met onze stinkende lijven zouden bezoedelen.

 

Arend Maartensz (1555 -1629) heeft zich van buitenechtelijk kind opgewerkt tot rijkste inwoner van Dordrecht. Zijn loopbaan begon als administrateur en inner van belastingen, hij verwierf twee ambachtsheerlijkheden, trouwde een aantal malen, waardoor hij in de hoogste kringen terecht kwam. Eenmaal in die positie kon hij deelnemen aan de Bank van lening, waar hij een slechte naam kreeg omdat hij woekerrentes rekende. Ook kocht hij aandelen in de VOC. Met zo’n staat van dienst werd het aan het eind van zijn leven tijd voor een beetje damage control. Hij liet een hofje bouwen en is de geschiedenis ingegaan als een rijke man die voor huisvesting heeft gezorgd voor arme vrouwtjes en kindertjes. P.R.- campagne geslaagd.

Een overzicht van 17e-eeuwse vips uit Dordrecht zou niet compleet zijn zonder de gebroeders De Witt. En in tegenstelling tot andere bekende Dordtenaren uit die tijd zijn er van de broers niet alleen statige portretten te vinden, maar zelfs een hele reeks spannende prenten. Dit is vooral te danken aan hun gruwelijk einde.

 

Johan en Cornelis de Witt stamden uit een voorname Dordtse familie van houtkopers en regenten. Op de Latijnse school bleek Johan een zeer begaafde leerling. Als beste leerling van zijn klas vertolkte hij de rol van Caesar in een toneelstuk, opgevoerd tijdens de diploma-uitreiking in de Augustijnenkerk. Een voorbode van zijn eigen einde. Na de Latijnse school studeerde Johan rechten in Leiden. In 1645 maakte hij met zijn broer Cornelis (1623-1672) een Grand Tour door Frankrijk en Engeland. Terug in de Republiek werd hij op 11 november 1647 als advocaat toegelaten tot het Hof van Holland. Eind 1650 werd hij ingezworen als pensionaris van Dordrecht.

 

Op 28-jarige leeftijd werd Johan raadpensionaris van Holland. Johan was een overtuigd republikein. Zijn doel was de bijna erfelijk geworden positie van de prins van Oranje als stadhouder en als kapitein-generaal van het Staatse leger, te ontmantelen. Onder Johans bewind is er vrede gesloten met Engeland, waarna Holland een welvarende periode doormaakte. Onder het volk zijn de oranjes echter nog populair. Als de Republiek in het rampjaar 1672 wordt bedreigd, leidt dit tot problemen tussen prinsgezinden en regenten. De eersten willen vechten. Terwijl Johan steunde op ‘persuasie’ (het overtuigen) en diplomatie.

Wanneer Engeland, Frankrijk, Keulen en Munster de Republiek dat jaar toch aanvallen, is de woede onder het volk groot. Johans buitenlandse politiek was op een mislukking uitgelopen. Alle woede en paniek werd op de raadpensionaris gericht. Op 21 juni pleegden enkele jonge mannen een aanslag op De Witt die hij echter overleefde. Cornelis werd verdacht van hoogverraad en zat in de Gevangenpoort waar hij werd gemarteld. Op 20 augustus werden Johan en Cornelis, die zijn broer uit de Gevangenpoort kwam ophalen, door schutters doodgeschoten. Daarna verminkte een woedende meute hun lichamen.

 

Deze fraaie prent, een mezzotint, is nota bene gemaakt in een techniek die is uitgevonden in de zeventiende eeuw door de Duitser Ludwig von Siegen (1609 – 1680). Deze techniek maakt het mogelijk om halftonen te maken waardoor er een fraaie licht-en-donkerwerking ontstaat.

 

Cornelis Willemsz van Beveren was een van de meest belangrijke regenten in Dordrecht. Bovendien wist hij ook zijn kinderen in belangrijke posities te manoeuvreren. Vanuit zijn machtspositie in Dordrecht wist hij ook een van de machtigste personen van de Republiek te worden, waar hij verschillende functies bekleedde. En zoals een belangrijk man betaamt, was hij ook mecenas van letteren en kunsten op zijn buitenplaats Develstein.

Net als zijn vader was Cornelis Willemsz op politiek gebied staatsgezind en volgde hij op religieus vlak de rekkelijke opvatting van de gereformeerde leer van Arminius (die op de Synode van Dordrecht werd veroordeeld).  De familie was rijk geworden in de hout- en wijnhandel  en de goede naam die de familie van Beveren had opgebouwd.  Dit werd nog eens versterkt door het sluiten van voordelige huwelijken met andere belangrijke families. Hun leidende rol in Dordrecht werd na de dood van Van Beveren overgenomen door de De Witten.

 

Sluit het Verborgen Museum