Bul van paus Innocentius

De Hoekse en Kabeljauwse twisten beginnen in 1345 na het kinderloos overlijden van graaf Willem IV en zorgen ook in Dordrecht voor onrust. Willems Hoekse zus Margaretha van Beieren en diens Kabeljauwse zoon Willem betwisten elkaar de macht. In het najaar van 1352 leidt dat tot ernstige problemen.

De Kabeljauwen, de dan bovenliggende partij, hebben voorname Hoeken uit de stad verbannen. Die komen echter op een zekere nacht terug en vermoorden Kabeljauwse bestuurders. De bevolking achtervolgt de moordenaars, die het kerkhof van de Grote Kerk opvluchten, volgens kerkelijk recht een vrijplaats waar ze dus veilig zijn. Toch worden ze er gedood, waarmee kerk en kerkhof ontwijd worden. De bisschop van Utrecht, Jan van Arkel, spreekt daarop het interdict over de parochie uit. Dat houdt in dat alle kerkelijke activiteiten stil komen te liggen en contact met de parochianen verboden is, wat voor de handel natuurlijk niet bevorderlijk is. Pogingen om het interdict af te kopen lopen op niets uit, mede omdat de Hoeksgezinde bisschop het als een goed middel ziet om zijn wereldlijke tegenstanders in de stad te treffen. Pastoor Hendric Prys reist daarop af naar Avignon om paus Innocentius VI, die daar dan zetelt, op andere gedachten te brengen. Dat lukt uiteindelijk met behulp van veel geld.

In deze bul van 2 juni 1355 geeft de paus de bisschop van Kamerijk opdracht tot een bemiddelingspoging. Jan van Arkel blijft weigerachtig, maar op 29 september van hetzelfde jaar heft bisschop Ludolf namens de bisschop van Kamerijk het interdict op. Van Arkel protesteert, beroept zich op procedurefouten en wijst er bovendien op dat tijdens het interdict doden op het kerkhof zijn begraven, wat tegen de regels is. De zaak sleept zich nog tot 30 juni 1356 voort. Op die datum leggen de Hollandse graaf Willem V en Jan van Arkel hun onenigheden bij, waarna de bisschop alle opgelegde bannen en interdicten – en dus ook het Dordtse – herroept en de moordenaars zich na betaling van een flink bedrag verzoenen met de nabestaanden van hun slachtoffers.

Een pauselijke oorkonde heet bul naar het Latijnse bulla, dat is het loden zegel dat er ter bekrachtiging aan wordt gehangen. De tekst in Latijn is geschreven op perkament. Archieftechnisch hoort dit stuk eigenlijk niet in Dordrecht thuis, maar in het bisschoppelijk archief van Kamerijk. Waarschijnlijk is het na beëindiging van het conflict in Dordrecht terecht gekomen.

Jan Alleblas

Sluit het Verborgen Museum