Wim de Vries

25-05-1923 (Puttershoek)  -  26-05-1994 (Dordrecht)

Portret van Wim de Vries door fotograaf Hans de Jong, 1983 (Regionaal Archief Dordrecht, 552_300006).

Geboren te Puttershoek op 25 mei 1923, overleden te Dordrecht op 26 mei 1994. Begraven op 31 mei op de algemene begraafplaats te Puttershoek. Zoon van Hendrikus de Vries (1896) sloper en los werkman en Barendina Schram (1898). Tweede van vier kinderen: Dirk (1920), Willem (1923), Neeltje Ida (1924) en Pieter (1929). Huwelijk met Anna Elisabeth Verschoor (1923-1992) te Ridderkerk op 2 juli 1948. Uit dit huwelijk geen nakomelingen.

Wim de Vries was een van de eerste arbeiders die poëzie schreef en die zijn gedichten ook gepubliceerd zag. Aanvankelijk werkte hij op de suikerfabriek te Puttershoek. Gedurende de Duitse bezetting werd hij als dwangarbeider in Duitsland te werk gesteld. Na de oorlog was hij als metaalbewerker en pijpenbuiger werkzaam bij de Fokker vliegtuigenfabriek in Papendrecht. Slechte bazen, het frustrerende en monotone leven van een fabrieksarbeider en diens geringe maatschappelijke status en welstand vormden vooral in zijn vroege gedichten de voornaamste thema’s. Zijn poëzie ontwikkelde zich later geleidelijk meer in literaire richting en het sociale, emancipatoire aspect kreeg minder aandacht.

Na de lagere school te hebben doorlopen moest De Vries een baas zoeken want van ‘doorleren’ kon geen sprake zijn. De plaatselijke suikerfabriek (‘de peefabriek’) lag in Puttershoek – zeker voor laaggeschoolden – voor de hand. Tijdens de Duitse bezetting werd De Vries in 1941 als zeventienjarige dwangarbeider in de Fieseler vliegtuigfabriek in Kassel (Duitsland) te werk gesteld. Hij leed er honger, maakte er zware bombardementen mee en was getuige van executies. Die ervaringen maakten diepe indruk op hem. Poëzie schrijven was voor De Vries in zijn latere leven een middel zijn oorlogservaringen en oorlogsherinneringen te bezweren. Na de Duitse capitulatie keerde hij terug naar Nederland en woonde na zijn huwelijk op verschillende adressen in onder meer Ridderkerk en Puttershoek. In 1952 vestigden De Vries en zijn vrouw zich aan de Dordtse Patersweg 185 zwart (later nummer 269). In 1969 verhuisden zij naar de Celsiusstraat 8, het adres van dierenasiel Louter Bloemen waar zijn vrouw werkzaam was en waarboven zich een woning bevond. Hij vond werk als metaalarbeider en pijpenbuiger bij de Fokkerfabriek in Papendrecht.

Zijn eerste gedichten werden eind jaren ’60 gepubliceerd in Het Vrije Volk en in De Nieuwe Stem. Op een door de Rotterdamse Kunststichting georganiseerde cursus Creatief schrijven leerde hij bouwvakker Pierre van Vollenhoven kennen (uit de familie van Pieter van Vollenhoven). Ze schreven over vergelijkbare thema’s. In 1971 las De Vries samen met Van Vollenhoven in het VARA-televisieprogramma ‘Van Onderen’ zijn verzen voor de camera. De uitzending werd door de linkse uitgever Rob van Gennep bekeken en dit resulteerde het jaar daarop in een bundel van De Vries en Van Vollenhoven: M’n woord een wapen tot verweer, gedichten uit de arbeiderswereld, waarvoor grote belangstelling bestond en die enkele keren herdrukt moest worden. Arbeiderspoëzie was in Nederland in die periode een onbekend fenomeen, dit in tegenstelling tot de toenmalige Sovjet-Unie en de DDR waar ‘Proletkult’ bevorderd werd. Ging het vóór de Tweede Wereldoorlog in Nederland in socialistische kring om de verheffing van de arbeidersklasse, bij De Vries ging het erom de als frustrerend ervaren werk- en leefsituatie van de arbeider te tonen.

Hij werkte mee aan het Dordtse literaire tijdschrift Letteriek dat in 1971 was opgericht en dat later overging in De Fonteijne. Daarnaast was De Vries lid van de redactie van WAR, het tijdschrift voor arbeidersliteratuur waarin niet alleen arbeiders maar ook gevestigde dichters zoals Jan Elburg, Willem Wilmink, Eddy van Vliet en anderen publiceerden. In 1973 gaf de Rotterdamse Kunststichting in de Sonde-reeks de eerste eigen bundel van De Vries uit: Zand, zeep en soda. In december 1973 ontving De Vries samen met Van Vollenhoven de prijs van de Culturele Raad van Zuid-Holland. Geleidelijk aan ontstond er echter verwijdering tussen beide dichters. Van Vollenhoven verweet De Vries dat hij steeds minder aandacht had voor de belangen en de positie van de arbeider en zich steeds meer conformeerde aan het poëtische establishment al was dat aan de bundel Van 8 tot 5 (1975) nog niet te merken. Dat werd eerst recht duidelijk in latere gedichten en nog later in de bundel Bekentenissen uit een vervlogen liefdeleven (1989).

Van grote invloed was de ontmoeting met de Dordtse dichter C. Buddingh’ (1918-1985). De Vries vroeg hem zijn verzen te lezen. Buddingh’ reageerde positief en nodigde De Vries bij hem thuis uit. Buddingh’ hielp bij het publiceren van de bundel Van 8 tot 5 en zorgde er later ook voor dat De Vries een uitnodiging ontving voor een optreden op Poetry International in Rotterdam (1977). Een bloemlezing uit zijn gedichten liet De Vries in 1980 verschijnen onder de titel Zwaar bewolkt, enkele opklaringen.

De Vries bracht in de jaren tachtig van de vorige eeuw opnieuw een bezoek aan Kassel, maar nu vrijwillig. Dat leidde tot de tweetalige bundel: Terug naar Kassel. De ballade van de waanzin / Zurück nach Kassel. Die Ballade vom Wahnsinn (1990). De Duitse vertaling werd verzorgd door de Oostenrijkse Dordtenaar, schrijver en vertaler Heinz Schneeweisz (1930). De Duitse ambassadeur Otto von der Gablentz (1930-2007) nam in het Rotterdamse Goethe-instituut het eerste exemplaar in ontvangst.

De laatste jaren voor zijn pensioen ontving De Vries een werkbeurs van het Fonds voor de Letteren die hem in staat stelde een dag per week aan de literatuur te besteden. Dichter Gerrit Komrij (1944-2012) nam een gedicht van De Vries op in zijn bloemlezing uit de Nederlandse poëzie uit de negentiende- en twintigste eeuw en ook in andere bloemlezingen werden gedichten van hem opgenomen. Na zijn pensionering in 1988 keerde De Vries terug naar zijn geboortedorp Puttershoek. Het werd een bittere teleurstelling: hij herkende het dorp niet meer en het dorp kende hem niet meer. Zijn vrouw overleed er in 1992. De Vries zelf overleed niet lang daarna in het Refaja-ziekenhuis in Dordrecht aan longkanker. De initiator en motor van Poetry International Martin Mooij (1930), gaf na het overlijden van De Vries samen met Jan Koonings een bloemlezing uit het werk van De Vries uit: En hou me levend met het woord (1995). Literatuurcriticus Kees Fens (1929-2008) velde destijds in De Standaard een naar eigen zeggen wel erg hard oordeel over de proletarische poëzie: meer sociologisch interessant dan literair.

Literatuur
Joris van Casteren, Vergeten dichters. Pierre van Vollenhoven & Wim de Vries, in: De Groene Amsterdammer van 2 juni 2001.
Kees Klok, Wim de Vries, pleidooi voor een literaire vriend, in: Ballustrada, najaarsnummer 2011.
http://www.nederlandsepoezie.org/dichters/v/vries_wim_de.html.

Gedenkteken
Het herinneringsmonument voor Dwangarbeid 1940-1945 in Overloon draagt de volgende tekst van Wim de Vries:
Straks gaan we weer terug naar het heden,
En hoe men ’t wendt en keert of plooit,
Wij zullen veel moeten vergeven,
Vergeten echter doen we nooit.

Roel Leentvaar

Sluit het Verborgen Museum