Willem Kes

16-02-1856 (Dordrecht)  -  22-02-1934 (München)

Foto van Willem Kes omstreeks 1890, fotograaf onbekend.

Willem Kes werd geboren te Dordrecht op 16 februari 1856, overleed te München op 22 februari 1934 en is gecremeerd in Berlijn. Hij was de zoon van kaas- en boterwinkelier Adrianus Stoffel Kes (Dordrecht 4 mei 1823-Dordrecht 17 oktober 1898) en Cornelia Maria Krekelenburg (Dordrecht 12 maart 1822-Dordrecht 27 mei 1904). Hij trouwde te Leipzig op 29 juni 1881 met Bertha Auguste Elise Koch (Berlijn 8 december 1860-?). Zij was de dochter van August Christian Theodor Koch, procuratiehouder te Leipzig en Elise Friederike Juliana Pfeil. Uit het huwelijk van Willem en Bertha werden geboren: Adrianus August Walther (Amsterdam 23 mei 1882-?) en Otto Leopold (Amsterdam 28  juli 1883-?).

De ouders van Willem Kes kregen 7 kinderen: Adrianus Stoffel (Dordrecht 13 mei 1848-Dordrecht 11 augustus 1923), Suzanna (Dordrecht 3 november 1849-Dordrecht 15 november 1849), Dirk 1 (Dordrecht 4 januari 1851-Dordrecht 14 april 1851), Dirk 2 (Dordrecht 3 maart 1852-Dordrecht 10 mei 1852), Dirk 3 (Dordrecht 24 april 1853-Dordrecht 22 juli 1861). Daarna volgde de geboorte van Willem (Dordrecht 16 februari 1856-München 22 februari 1934) en tenslotte van Cornelia Maria Suzanne (Dordrecht 17 oktober1863-Dordrecht 24 februari 1864). Op 22 november 1854 kwam een kind levenloos ter wereld.

De violist, altviolist, pianist, componist (onder andere van een eigen vioolconcert en de cantate Der Taucher) en dirigent Willem Kes was aanvankelijk dirigent van het Toonkunstkoor en de Orkest-Vereeniging van Dordrecht. Kes heeft met als zijn grote voorbeeld dirigent Hans von Bülow (1830-1894) vervolgens in 1888 het Amsterdamse Concertgebouworkest geformeerd uit de beste musici van die tijd en het orkest vervolgens gedirigeerd in de periode 1888-1895.

Willem Kes werd als zesde van zeven kinderen geboren in een onmuzikaal gezin. Vader Kes dreef een kaas- en boterwinkel op de hoek van de Voorstraat en het Steegoversloot te Dordrecht. Willem liep als kleuter graag draaiorgels achterna en speelde, toen nog zonder muziekles, op harmonica, fluit, slagwerk, pianino en viool. Hij kreeg, nadat druk op zijn ouders was uitgeoefend, uiteindelijk aan de Stedelijke Muziekschool van Dordrecht vioolles bij Theodorus Tijssens (1803-1871), pianoles bij Friedrich Wilhelm Nothdurft (1813-1905) en harmonieleer bij Ferdinand Böhme (1815-1883). Kes trad op 1 december 1869 als 13-jarige op als vioolsolist in het gebouw van J.D. van Peere aan de Wijnstraat (nu Pandora, Wijnstraat 82 ) samen met het strijkensemble Het Dordrechtsch Concert. Tenslotte studeerde hij in Leipzig viool en piano op kosten van de Maatschappij tot Bevordering van de Toonkunst en vioolspel in Brussel en Berlijn op kosten van Koning Willem III (1817-1890). Dit laatste was het resultaat van een aantal audities die hij op Paleis het Loo had gegeven voor de koning en een jury.

Na zijn studie werd hij concertmeester van het Parkorkest te Amsterdam en daarna tweede concertmeester van de Amsterdamsche Orkest-Vereeniging.  Tegelijkertijd trad hij in heel Nederland op als kamermusicus of als vioolsolist. Heel kort dirigeerde hij in 1883 het (tweede) Parkorkest in de nieuwe Parkschouwburg van Amsterdam. Bij toeval werd hij dirigent van het Toonkunstkoor Dordrecht, waarmee hij vanaf 24 december 1879 tot 5 april 1888 koorwerken met piano uitvoerde in de Schouwburg aan de Cornelis de Wittstraat (De Houten Tent genoemd) en vanaf 1884 samen met dit koor en de Orchest-Vereeniging van Dordrecht, dat hij in 1883 mede had opgericht, in het eerste gebouw van Kunstmin. Met de Orchest-Vereeniging heeft hij orkestconcerten geleid van 3 april 1884 tot en met 3 mei 1888. Van historisch belang waren het Wagnerconcert van 23 maart 1886 en het Tweedaags Muziekfeest van juni 1886 in Kunstmin die door Kes werden gedirigeerd. Kes was ook leraar viool aan de Stedelijke Muziekschool in Dordrecht. In 1888 beëindigde Kes zijn werkzaamheden bij het Toonkunstkoor en de Orchest-Vereeniging.  Op 8 december 1893 trad Kes bij de Orchest-Vereeniging op als concertviolist bij de viering van het 10-jarig bestaan van dit orkest. Bij het 25-jarig bestaan, op 14 december 1913, dirigeerde hij dit orkest eveneens.

In 1888 formeerde Kes in Amsterdam een nieuw orkest dat nu bekend staat als het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij verrichtte hierbij drie buitengewone prestaties. Hij richtte een orkest op met een uitzonderlijk hoog spelniveau. Tevens maakte hij een einde aan het hinderlijke gedrag van het publiek tijdens concerten (het zomaar in- en uitlopende en pratende publiek). Zij werden serieuze luisteraars bij de concerten van Kes. Ten slotte maakte hij het orkestrepertoire up-to-date via een inhaalmanoeuvre met werken van Wagner, Liszt en Berlioz enerzijds en het introduceren van nieuwe orkestwerken van Richard Strauss (1864-1949), met name diens Don Juan.

Hij heeft als enige dirigent van het Concertgebouworkest het niveau van het orkestspel in Nederland kunnen verhogen aan de hand van zijn grote voorbeeld: Hans von Bülow. Kes was hiertoe in staat doordat hij zeer kieskeurig was bij het aannemen van musici voor het Concertgebouworkest. Musici met overleefde faam en zij die krampachtig vasthielden aan anciënniteitsregels werden door hem niet aangenomen. Daarnaast heeft hij als eerste gebroken met het vluchtig doornemen van een orkestwerk. Als volgens hem tijdens de repetitie bleek dat musici hun partij niet goed kenden, dan moesten zij nablijven en mochten pas naar huis als zij hun partij volgens Kes beheersten. Kes wilde als eerste van technische problemen niets meer weten. Tijdens repetities werd er door Kes vaak voor het eerst geconcentreerd – d.w.z. groep voor groep – gerepeteerd. Zo kreeg een repetitie onder leiding van Kes een betekenis als nooit tevoren. Kes brak zo met de “sleur en slender” van die tijd en had via deze maatregelen direct een orkestniveau verkregen dat al vanaf het eerste optreden op 3 november 1888 met geen enkel ander orkest in Nederland te vergelijken viel.

Het Concertgebouworkest trad niet alleen op in Amsterdam. Met dit orkest heeft Kes in het gehele land concerten gegeven omdat bestuurders van orkesten elders erkenden dat hun eigen orkest bij lange na de kwaliteit niet had van het orkest van Kes. Hij heeft met het Concertgebouworkest ook driemaal een concert gegeven in Dordrecht en wel eenmaal in het vorige gebouw van Kunstmin op 5 juli 1889 en tweemaal in het nieuwe gebouw van Kunstmin: op 5 oktober 1891 en op 30 maart 1894. Kes heeft in Amsterdam in het Concertgebouw ook nog de Orkestschool opgericht om aanstaande musici veel beter voor te bereiden voor een functie in het muziekleven en in zijn Concertgebouworkest.

Als type dirigent hoort Kes thuis in het rijtje dirigenten die soms ingrepen in de partituur toestaan zoals het geval was met Richard Wagner, Hans von Bülow, Willem Mengelberg (1871-1951) en Wilhelm Furtwängler (1886-1954). Tussen de bedrijven door gaf Kes kamermuziekconcerten in Amsterdam en in Dordrecht, in de laatste stad altijd samen met Henri (Johannes Hendricus Fransiscus) Vink (13 mei 1849-7 maart 1925), de voorganger van Kes bij het Toonkunstkoor Dordrecht en tevens leraar piano aan de Stedelijke Muziekschool van Dordrecht. Verder trad hij als concertviolist op met de Orchest-vereeniging van Dordrecht waarbij hij op 8 december 1893 het vioolconcert van Ludwig von Beethoven (1770-1827) uitvoerde. Kes componeerde een door hem veel gespeeld en door de Toonkunstenaars-vereeniging bekroond vioolconcert en had ook veel succes met zijn cantate Der Taucher op tekst van Friedrich Schiller (1759-1805).

Na zijn grensverleggende werkzaamheden in Amsterdam vertrok Kes op 25 oktober 1895 naar het buitenland. Hij leidde eerst het Scottish Orchestra te Glasgow. Aan het eind van deze periode gaf Kes met dit orkest een tournee door Nederland waarbij Utrecht, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam Arnhem en Dordrecht (5 februari 1898 in Kunstmin) werden bezocht. Vanaf maart 1898 was Kes leraar van Het Filharmonisch Gezelschap te Moskou. Kes was hier aanvankelijk als leraar vioolspel aangetrokken. Later gaf hij ook les in orkestspel, partituurlezen, orkest- en koordirectie, nieuwe vakken die hij op deze school introduceerde. Hij dirigeerde hier tien symfonische concerten per jaar en eenmaal dirigeerde hij in het Bolsjojtheater Die Walküre en Siegfried van Wagner. Hij vertrok na 24 april 1904 uit Moskou omdat hij weigerde zich te laten russificeren en hij daardoor in Moskou geen enkele functie meer kon uitoefenen. Als dirigent leidde hij vanaf 1905 gedurende 21 jaar het Städtisches Orchester te Koblenz en heeft ook nog een a capella Chor Koblenz opgericht waarmee hij muziek vanaf de Renaissancetijd tot aan heden dirigeerde. Na zijn pensionering op zijn zeventigste verjaardag verhuisde Kes naar Oberaudorf am Inn. Hij overleed op 22 februari 1934 in München en werd later in Berlijn gecremeerd.

In Nederland dirigeerde Kes na 1895 tijdens zijn periode als dirigent in het buitenland nog de orkesten van Den Haag, Utrecht en Rotterdam in respectievelijk 1906, 1911 en daarna in 1917 en 1928 na vele jaren opnieuw het Concertgebouworkest. Bij alle sporadische gelegenheden dat Kes in Nederland was, was Dordrecht steevast present met een delegatie die voor hem een lauwerkrans had meegenomen om hem telkens te eren voor al wat hij in het verleden voor Dordrecht had gedaan.

Vernoemingen, plaquettes, onderscheidingen
Willem Kesstraat Amsterdam.
Willem Kesstraat Hengelo.
Willem Kes-plantsoen Dordrecht.
In de Grote Zaal van het Concertgebouw van Amsterdam werd op 7 mei 1938 door zijn beroemde opvolger Willem Mengelberg een plaquette van Willem Kes van de hand van Hildo Krop onthuld.
Bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 1893 werd Willem Kes benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
In 1903 benoemde Grootvorstin Elisabeth Feodorowna Kes tot Ridder in de Stanislausorde. 

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht:
Archieftoegang 60, nummer 11, Het Dordrechtsch Concert (1838-1874).
Archieftoegang 143, (Toonkunstkoor).
Archieftoegang 376, (Orchest-Vereeniging).
https://www.delpher.nl
Kwartaal en Teken, 9e jaargang 1983, nummer 3.
W. Hutschenruyter, Consonanten en dissonanten. Mijn herinneringen (Den Haag 1930).
S.A.M. Bottenheim, Geschiedenis van het Concertgebouw, deel 1 (Amsterdam 1948).
J. Giskes, Historie en kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest 1888-1988, deel 1: Voorgeschiedenis 1888-1945 (Zwolle 1988).
H. Suèr en J. Meurs, Geheel in de geest van Wagner. De Wagnervereeniging in Nederland 1883-1959 (Amsterdam 1997).
E. Wennekes, Het Paleis van Volksvlijt (1864-1926): edele uiting eener stoute gedachte (Amsterdam 1999).
P. Kooij en V. Sleebe (red.), Geschiedenis van Dordrecht 1813-2000 (Hilversum 2000).
R. Landman, Willem Kes, toonkunstenaar uit Dordrecht (privé uitgave Dordrecht 2017).

R. Landman (juli 2018)

 

Sluit het Verborgen Museum