Tieleman Jansz van Bracht

29-01-1625 (Dordrecht)  -  07-10-1664 (Moordrecht)

Gegraveerd portret door Abraham Blotelingh met onderschrift van Govert Bidlo, uitgegeven door Jan Rieuwertsz en Pieter Arendsz in hun uitgave van zijn Predicatien (Regionaal Archief Dordrecht 551_10850). 

Geboren te Dordrecht op 29 januari 1625, overleden te Moordrecht bij Gouda op 7 oktober 1664; hij werd in de Grote Kerk te Dordrecht begraven. Hij was een zoon van Jan van Bracht (of Braght), lakenkoper te Dordrecht.

Net als zijn vader oefende Tieleman van Bracht het beroep van lakenkoper uit, naast zijn kerkelijk ambt als leraar (oftewel vermaner) in de Vlaamse doopsgezinde gemeente te Dordrecht. Hij was als dichter actief in het Dordtse culturele leven maar werd vooral bekend door zijn monumentale uitgave van het doopsgezinde martelaarsboek in 1660. In heruitgaven, in verkorte uitgaven en in vertalingen is dit ook in de eeuwen daarna onder de dopers in binnen- en buitenland het meest gezagvolle werk over de vervolging van de broederschap gebleven.

Al vanaf het begin van de doperse beweging in de vroege zestiende eeuw waren de aanhangers sterk verdeeld tussen een aantal meer of minder behoudende groeperingen, naast meer vrijzinnige gemeenten. Van Bracht behoorde tot de Vlaamse doopsgezinden, een van de meer behoudende gemeenten, waarin hij in 1644 samen met zijn zuster Lijntje werd gedoopt en in 1648 als leraar werd beroepen. Zijn devies was: ‘De Heere is mijn steenrots’ (Ps. 18:3). Tieleman van Bracht gold als een goed predikant, maar nam een uitgesproken conservatieve positie in. Een bundel met 51 preken van zijn hand werd in 1669 uitgegeven door zijn jongere broer Pieter, die hem in zijn inleiding schetst als een man van ‘grote besigheyt’. Pieter zelf had toen al een liederenbundel gepubliceerd onder de titel Gouden orgel, geluytmakende van God en Christi eer-gesangen, geestelycke mengelingen en geboorteliederen (Dordrecht 1653) en hij schreef later ook een sonnet in Het bloedig tooneel. Ook andere leden van de familie Van Bracht publiceerden later geestelijke literatuur. Volgens Balen bleven naast de gepubliceerde prekenbundel nog 348 andere preken van Tieleman in handschrift bewaard. Van Bracht schreef al spoedig een opvoedkundig werkje voor kinderen getiteld De schole der zedelycke deugt. Het verscheen in 1657 en werd bijna onmiddellijk herdrukt. Het bleef een bestseller onder de dopers; in 1783 was het toe aan de 17e druk, en nog in 1824 verscheen in Sneek een nieuwe uitgave. Naast zijn religieuze werk was Tieleman van Bracht in Dordrecht actief als dichter over zaken van actueel belang, zowel politiek als religieus. Gedichten van zijn hand verschenen in pamfletvorm en komen in verscheidene bundels voor. Gezien zijn talenkennis en zijn grote belangstelling voor astronomie en wijsbegeerte moet hij een begaafd autodidact zijn geweest.

In de jaren 1640-50 werden de Vlaamse doperse gemeenten geteisterd door de zogenaamde Lammerenkrijg (genoemd naar de Amsterdamse gemeente ’t Lam), een langdurig, scherp en hevig conflict tussen conservatieven en vrijzinnigen over de doperse leer en de mate van wereldmijding. Van Bracht deed zich kennen als een overtuigd aanhanger van de oude doperse beginselen waarvoor hij in woord en daad in het strijdperk trad, zowel onder de doopsgezinden zelf als in debatten met andersdenkenden. Zo was hij de adressant van een Brief van de Vlaemsche Mennisten, ontdeckende den grouwel ende kracht der Sociniaensche kettery, onder haer indringende (Leiden 1654). Hij kon daarbij steunen op zijn al jong verworven talenkennis van Latijn, Grieks, Hebreeuws, Frans en Duits. Al in 1650 klaagde de Dordtse gereformeerde kerkenraad erover dat de nog jonge, strijdbare Van Bracht in de marktschuit op Rotterdam in het openbaar de gereformeerde belijdenis had aangevallen. Een beroep als oudste in Rotterdam sloeg hij af, maar hij hielp de Utrechtse doopsgezinde gemeente de progressieve predikers af te zetten. Vervolgens werd hij voorzitter van een op 18-22 juni 1660 te Leiden gehouden vergadering van de Zuid-Hollandse doopsgezinde leraren, de zogenaamde ‘synode der mennisten’, die de behoudende partij bedoelde te verenigen en de invloed van de vrijzinnigen (de collegianten) te weren. Hij was een van de auteurs van de confessie die daar werd aangenomen en hielp deze in een volgende vergadering te Rotterdam op 15 maart 1662 nader uitwerken. Op 8 april 1663 hield hij met de pas benoemde gereformeerde predikant Gerardus Aemilius (1636-1701) te Oud-Beijerland een gedenkwaardig dispuut over de kinderdoop, dat liefst acht uur duurde. Twee fictieve disputaties van zijn hand zijn achterin zijn martelarenboek afgedrukt. Kort voor zijn overlijden werd in pamfletten nog een pennenstrijd gevoerd rond zijn optreden: Bastiaan van Weynig-Om, uyt last van Tieleman van Bracht, Bisschop van Dort, Copia van een ernstige vermaen-brief, geschreven aen Samuel Apostool, cum sociis. Dordr. 20 Jan. 1664 (z.pl. 1664), gevolgd door het Antwoort van S[amuel] A[postool] aan T[ieleman] v[an] B[racht] op de ernstige vermaan-brief. Gedateert den 20 Jan. 1664. In Dordrecht (Amsterdam 1664).

Bij de richtingenstrijd onder de doopsgezinden werd ook de geschiedschrijving als argument ingezet. Tieleman van Bracht dankt zijn internationale bekendheid aan zijn bewerking van oudere doopsgezinde martelaarsboeken, met name van de in 1631 verschenen Martelaersspiegel der werelose Christenen t’zedert anno 1524. Op basis van nieuw onderzoek in archieven, collecties en gedrukte bronnen en met behulp van een netwerk van correspondenten die hem hun familieoverlevering meedeelden, stelde hij een zeer uitvoerige bewerking van de oudere geschiedenissen samen, in een behoudende maar niet echt partijdige zin. Ze werd in 1660 door Jacob Braat te Dordrecht gedrukt voor uitgever Jacobus Savry (of Saverij), winkelhoudend ‘in ’t Kasteel van Gendt’. Dit volledig herschreven werk, heel anders opgezet dan zijn voorganger uit 1631, verscheen in twee delen onder Van Brachts initialen T.J.V.B. en droeg de titel Het bloedigh tooneel der Doops-Gesinde, en weereloose christenen, die om het getuygenisse Jesu hares salighmaeckers geleden hebben en gedoodt zijn van Christi tijdt af tot dese onse laetste tijden toe. In het eerste deel van deze foliant passeren de martelaren uit de oude kerk de revue, in het tweede, bijna dubbel zo omvangrijk, die van het doperdom na 1500 tot halverwege de zeventiende eeuw. Naast de martelaarsverhalen bevatte het werk allerlei teksten over belangrijke kwesties van geloof en leer en over de geschiedenis van de doperse gemeenten, met inbegrip van de belangrijkste doperse belijdenissen. Daardoor werd het voor geloofsgenoten een onmisbare vraagbaak.

In 1685 verscheen van dit grote werk te Amsterdam een integrale herdruk met enkele aanvullingen. Tevens werd een reeks van 104 etsen van de hand van de menist Jan Luiken (1649-1712) erin opgenomen, die veel tot de populariteit van het werk bijdroeg. De prenten zijn sindsdien ook afzonderlijk uitgegeven in een Frans-Duitse druk (Theater des martyrs = Schau-Buhne der Martyrer: depuis la mort de J. Christ jusqu’ à present: représenté en tres belles tailles-douces, Leiden 1698) en in een Engelse uitgave (The Drama of the Martyrs, Lancaster, PA, 1975). De uitgave van 1685 van de Martelaers spiegel, zoals Van Brachts werk uit 1660 gewoonlijk werd genoemd, telde meer dan 1300 bladzijden op folioformaat. Het was een kapitaalintensieve onderneming waarvoor het Amsterdamse consortium van uitgevers een privilege van de Staten van Holland verwierf en waaraan het een intensieve reclamecampagne besteedde. Het werk verscheen nu zowel in een luxe-editie op duur papier van extra groot formaat, voor de prijs van dertien gulden, als in een eenvoudiger uitgave op normaal papier voor acht gulden en tien stuivers ten behoeve van een breder publiek. Vermoedelijk was Tielemans broer Cornelis van Bracht bij deze heruitgave betrokken, want er komt een gedicht van zijn hand in voor. In 1699 werd Tieleman van Brachts omvangrijke werk door Joost Bout bewerkt tot een verkorte uitgave van 400 bladzijden in-8° onder de titel ’t Merg van de historien der martelaren, die tot 1769 ook vier drukken beleefde.

Ondanks kritiek van andersdenkende doopsgezinde groeperingen in zijn eigen tijd, met name uit vrijzinnige hoek, maar ook van gereformeerde theologen (Chr. Schotanus, Van de gronden der Mennistery, ofte waerschouwinghe over ’t bloed-tooneel der Doopsgesinde, Leeuwarden 1671) en van latere doopsgezinde historici (S. Cramer, 1899), is het een standaardwerk over de vervolgingen tegen de wederdopers en doopsgezinden geworden, dat lange tijd de kleur van de geschiedschrijving over de dopers heeft bepaald, niet alleen in Europa, maar vooral ook onder de doperse groeperingen in Noord-Amerika. Vanaf 1748 verscheen het in Pennsylvania en in Duitsland zelf zeker zevenmaal in Duitse vertaling (Der Blutige Schau-Platz oder Martyrer-Spiegel, Ephrata, PA, 1748/49) en vanaf 1837 ook vijfmaal in een Engelse vertaling (A Martyrology of the Churches of Christ commonly called Baptists, Londen 1853). Onder de Amish, een strenge Amerikaanse variant van het doperdom, is het tot de dag van vandaag een bron van religieuze inspiratie gebleven.

Geschriften
Ghewiekte kruywaghen tot opvoeringh der onverwonne keyzerlijke stadt Dordrecht (Dordrecht 1646; heruitgave Dordrecht 1717).
Anghstigh swanen-gezangh of troostelooze vrede (Dordrecht 1647).
De schole der zedelycke deugt, geopent voor kinderen der Christenen (Dordrecht 1657; 2e druk 1658; vele malen herdrukt tot de uitgave School der deugd, Sneek 1824).
Het bloedigh tooneel der Doops-Gesinde, en weereloose christenen (Dordrecht 1660; herdruk Amsterdam 1685; facsimilé-uitgave met inleiding van S.L. Verheus en T. Alberda-van der Zijpp, Dieren 1984). Verkorte uitgave:’t Merg van de historien der martelaren (Haarlem 1699; vervolgdrukken te Amsterdam 1722, 1736 en 1769).
Uitrechts onbescheid, of Femmetjes en Betjes meniste kerkgeschil (pamflet, 1661?).
Een-en-vyftigh predicatien, over verscheyde schriftuer-plaetsen (Amsterdam 1670).

Literatuur
[F. van Hooghstraeten], Op het overlyden van den deugtsaemen en godtvruchtigen Tieleman van Bracht (Rotterdam 1664).
Balen, p. 223-224 (met portret).
NNBW IV, p. 278-279.
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I (Utrecht 1841), p. 358-360.
The Mennonite Encyclopedia, I (Hillsboro, Kansas, enz. 1956), p. 400-401 (door H. Westra en N. van der Zijpp).
Biografisch woordenboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, III (Kampen 1988), p. 55-56 (door S.B.J. Zilverberg).
J.G. de Hoop Scheffer, Inventaris der archiefstukken berustende bij de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam, 2 delen (Amsterdam 1883-1884) I, nr. 612-613.
F. Vander Haeghen et alii, Bibliographie des Martyrologes protestants néerlandais, II: Recueils (Den Haag 1890), p. 21-77.
P. van Eeghen, Het Werk van Jan en Casper Luyken (Amsterdam 1905).
Gerald C. Studer, A History of the Martyrs’ Mirror,  in: Mennonite Quarterly Review 22 (July 1948), p. 163-179.
John S. Oyer & Robert S. Kreider, Mirror of the Martyrs (Intercourse, PA 1990).
James W. Lowry, 350 jaar lang gezag en zeggingskracht. De receptiegeschiedenis van Van Braghts Martelaers spiegel bij de Amish, in: Doopsgezinde bijdragen, nieuwe reeks 35-36 (2010), p. 83-117.

Willem Frijhoff (juni 2015)

 

Sluit het Verborgen Museum