Theodoor Stoop

20-10-1861 (Dordrecht)  -  07-09-1933 (Dordrecht)

Portret van Theodoor Stoop door Georg Reuter, aangeboden bij zijn 25-jarig raadslidmaatschap op 3 september 1926 (RAD 552_303297) 

Theodoor Stoop (roepnaam Thé) werd op 20 oktober 1861 te Dordrecht geboren en overleed daar op 7 september 1933. Hij was een van de zes kinderen uit het op 8 augustus 1849 in Dordrecht gesloten huwelijk van brouwer, kassier, rentmeester en commissionair in effecten Adriaan Stoop (Dordrecht 11 augustus 1818-Dordrecht 24 juli 1888) met Cornelia Déking Dura (Dordrecht 4 mei 1827-Dordrecht 13 januari 1902). Hij trad op 8 maart 1893 in Rheden (Gld) in het huwelijk met Adriana Magdalena Julie (roepnaam Jeanne) Snouck Hurgronje (Pasoeroean, Nederlands-Indië 1 november 1872-Dordrecht 19 mei 1953). Zij was een dochter van Adriaan Isaäc Snouck Hurgronje, notaris te Soerabaja (1839-1888) en van Maria Helena Elsabe van der Poel (1849-1918). Uit hun huwelijk werden geboren: Maria Elisabeth (Dordrecht 21 februari 1894-Uddel 8 maart 1986), Adriana Theodora (Dordrecht 1 april 1895-Den Haag 6 oktober 1974), Gerard Jan, bankdirecteur, (Dordrecht 9 juli 1896-Velp 19 februari 1970), Aarnout Jacob (Dordrecht 26 september 1897-Dordrecht 7 oktober 1897), Ritsaert, arts, (Dordrecht 25 januari 1906-Aalden 11 augustus 1987) en Peter Iwan, griffier rechtbank,  (Dordrecht 28 april 1907-Nijmegen 15 juli 1961), Theodoor Petrik (Dordrecht 24 juni 1911-Dordrecht 12 november 1911). Daarnaast werden levenloze kinderen geboren in 1899, 1900 en 1913.

Theodoor was een broer van de uit Dordrecht afkomstige mijnbouwkundige, ondernemer en filantroop ir. Adriaan Stoop (1856-1935). Stoops vrouw, Jeanne Snouck Hurgronje, was een zuster van de eerste bibliotheekdirectrice in Nederland, Petronella (Nel) Snouck Hurgronje (1875-1959), die tussen 1905 en 1940 de directie voerde van de Dordtse bibliotheek en leeszaal. De befaamde Leidse hoogleraar Arabistiek Christaan Snouck Hurgronje (1857-1936) was beider oom.

Theodoor Stoop was een vermogend en sociaal bewogen arts. Hij was ondanks zijn patricische afkomst antimilitarist en actief lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Stoop was zesentwintig jaar gemeenteraadslid en enige jaren wethouder voor die partij in Dordrecht. Hij was een verbindende figuur die door zijn kalme en beminnelijke karakter menig conflict wist op te lossen of te voorkomen. Gesteund door zijn echtgenote nam hij talrijke initiatieven ter verbetering van de levensomstandigheden en de gezondheid van vooral de armen in Dordrecht en steunde hij initiatieven daartoe van anderen. Stoop had zitting in vele besturen, ook niet-socialistische, en was een geziene figuur. Zijn betekenis voor Dordrecht kan moeilijk worden overschat.

Theodoor Stoop stamde uit een oud en wijdvertakt patriciërsgeslacht dat vanaf de Late Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw stadsbestuurders leverde. Stoop doorliep na de lagere school het gymnasium in Dordrecht en schreef zich vervolgens in als student geneeskunde aan de Leidse universiteit. Hij gebruikte tien jaar voor zijn studie die hij afrondde met een promotie (1890). Hij was in Leiden korte tijd assistent van hoogleraar chirurgie Van Kersen. Kort daarna vergezelde hij zijn broer François (1851-1912) op een reis naar Nederlands-Indië om er familie te bezoeken. Op de terugreis in 1891 ontmoette hij aan boord de ‘eigengereide notarisdochter Jeanne Snouck Hurgronje’. Hun vrijage kon geen genade vinden in de ogen van de familie. Het paar trotseerde echter alle weerstand en trouwde in 1893. Stoop was aldus ‘de enige Dordtenaar die een snoek ving in zout water’.

Na terugkeer uit Indië vestigde hij zich als huisarts in het min of meer verpauperde Dordrecht. Hij was geschokt door de toestand waarin de armen en de arbeiders zich bevonden en besloot zich in te zetten voor de verbetering van hun lot. Hierin lag ook de wortel van zijn besluit zich politiek te engageren. Vanaf 1896 was het door uitbreiding van het kiesrecht mogelijk geworden volksvertegenwoordigers van en uit de arbeidersklasse te kiezen. Daarop meldde hij zich als lid van de in 1897 opgerichte Arbeiders-Kiesvereniging. Hier kwam hij in contact met Dordtse socialistische voormannen als Jan Bergmeijer (1854-1941) en Johan van Zadelhoff (1868-1946). In 1900 werd een afdeling Dordrecht van de SDAP opgericht en Stoop meldde zich als lid. Hij behoorde er tot de gematigde marxisten.

Gezien het milieu waaruit hij afkomstig was, was dit een radicale en controversiële keuze die aanvankelijk schandaal verwekte. Hij wist echter te schaken op twee borden: het socialistische en het burgerlijk-liberale. Theodoor ondervond op den duur toch begrip en waardering uit zijn eigen milieu voor zijn belangeloze inzet voor de armen. Op het burgerlijk-liberale vlak was hij actief in bijvoorbeeld de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en het bestuur van de Dordtse bibliotheek. Stoop wist ook welgestelde burgers te mobiliseren om de arbeidersverenigingen te steunen. In 1904 speelde hij een belangrijke rol bij de door socialist Nehemia de Lieme (1882-1940) opgerichte Centrale Arbeiders-Verzekerings- en Depositobank, kortweg ‘De Centrale’. Van de winst van de bank werd 55% afgedragen aan de arbeidersbeweging. Stoop leende deze bank regelmatig aanzienlijke bedragen. Hij zag De Centrale als een machtig instrument voor de arbeidersbeweging en bleef zijn leven lang lid van de Raad van Commissarissen.

Stoops politieke loopbaan begon in 1901 toen hij zich kandidaat stelde voor de Dordtse gemeenteraad. Tot ontsteltenis van de liberalen werd hij samen met ziekenfondsbode D.A. Smits gekozen. Hij bleef onafgebroken raadslid tot in 1927. In 1917 werd hij benoemd tot wethouder van Sociale Zaken. Onmiddellijk voerde hij met succes de voedseldistributie in. De Armenzorg werd vervangen door het minder stigmatiserende Maatschappelijk Hulpbetoon.

In 1919 verloor hij voor korte tijd zijn wethouderszetel maar in 1921 keerde hij terug. Hij ambieerde een zetel in de Provinciale Staten, maar werd in 1904, 1907 en 1910 niet gekozen. Dat lukte pas in 1913. Zo hij had gewenst, had hij senator kunnen worden maar de hem herhaaldelijk aangeboden zetel in de Eerste Kamer wees hij steeds van de hand. Zijn ambitie lag niet in het vervullen van hoge ambten. In 1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maakte hij deel uit van de ‘Dordtse oppositie’ tegen de door SDAP-leider mr. Pieter Jelles Troelstra (1860-1944) voorgestelde ‘godsvrede’, dat wil zeggen: dat links wegens de oorlogsomstandigheden haar oppositie moest matigen.

Stoop deed veel op het terrein van de gezondheidszorg. Op zijn initiatief opende de gemeente de Gezondheidskolonie Dordrecht voor zwakke kinderen in Etten-Leur en in 1901 kwam op zijn initiatief het Medisch Dispuutgezelschap Dordrecht tot stand. Ook zette hij zich in voor de tuberculosebestrijding, de totstandkoming van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, de schooltandartsendienst en de wijkverpleging. Hij ijverde voor de bouw de Inrichting tot Ziekenverpleging, een klein nieuw ziekenhuis. Hij bracht ook een tehuis voor invalide bejaarden tot stand. Hij bepleitte vrije artsenkeuze voor allen en speelde een belangrijke rol bij de reorganisatie van het Algemeen Ziekenfonds. Ook de preventieve gezondheidszorg had zijn belangstelling. Gemeentereiniging en sportbeoefening (Sportpark Reeweg) hadden zijn aandacht. De opsomming is daarmee zeker niet compleet. In 1921 legde hij zijn medische praktijk neer. Van zijn collega-medici ontving hij op 31 mei van dat jaar een lovende oorkonde.

Zijn echtgenote deelde zijn opvattingen en was eveneens lid van de SDAP. Zij was actief feministe, deed vrijwilligerswerk, schreef kinderboeken en was bevriend met dichteres en socialiste Henriette Roland Holst (1869-1952).  Zij stak haar opvattingen niet onder stoelen of banken. Zo beklom zij op de Dag van de Arbeid in 1919 (1 mei) de toren van de Dordtse Grote Kerk en hees de rode vlag. Toen in datzelfde jaar het eerste socialistische vrouwelijke raadslid in Dordrecht werd geïnstalleerd, stak zij vanaf de publieke tribune een vurige redevoering af. Ook steunde zij dienstweigeraars. De bekendste zaak was die van anarchist en pacifist Herman Groenendaal (1901-1979) die in 1921 gevangen werd gezet. Jeanne sprak de Tweede Kamer vanaf de publieke tribune in juli 1921 toe over deze kwestie, maar het woord werd haar snel ontnomen. Zij was de drijvende kracht achter Stoops streven werkgelegenheid te scheppen voor arbeiders die door de crisis werkloos waren geworden. In dit kader werd bijvoorbeeld een deel van de Dordtse Biesbosch ingepolderd. De aanpak van dit project was echter niet onomstreden: er werd zelfs voor de crisisjaren slecht betaald en er moest langdurig zware arbeid worden verricht. Stoop trachtte wel de voorwaarden en werkomstandigheden te verbeteren. De Stoopbank aan de Noorderelsweg werd nog bij leven van Stoop, op 10 maart 1930, in gebruik genomen.

Stoop was een vermogend man. In Dordrecht bezat hij op meerdere plaatsen onroerend goed. Zelf woonde hij in een groot pand met grote tuin aan de deftige Singel op nummer 234. Er werd door de SDAP, diverse vakbonden en tijdschriften regelmatig en met succes een beroep op hem gedaan. Ook personen, zoals bijvoorbeeld zakenman en socialistisch voorman dr. F.M. (Floor) Wibaut (1859-1936) en Henri Polak (1868-1943), voorzitter van de Algemene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, deden niet tevergeefs een beroep op hem. Ook arbeiders die door hun overtuiging in moeilijkheden waren gekomen, konden veelal op zijn steun rekenen. Samen met andere vermogende geestverwanten zoals socialist en vrijdenker J.G. ten Bokkel (1856-1932) bracht hij regelmatig geld bijeen.

Op 7 september 1926 werd hij benoemd tot ereburger van Dordrecht. Stoop was een bescheiden man die weinig ophef maakte over zijn werk en de resultaten ervan. In 1927 legde hij om gezondheidsredenen al zijn functies neer. Hij overleed op 7 september 1933. Zijn stoffelijk overschot werd gecremeerd.

Publicatie
Iets over de behandeling der zoogenaamde aneurysmata externa (dissertatie, Leiden 1890).

Vernoemingen
Stoopbank (Noorderelsweg 3, Dordtse Biesbosch).
Theodoor Stoopzaal (Restaurant Den Witten Haen aan de Groenmarkt).
Theodoor Stoopprijs.
Jaarlijkse wisselprijs ingesteld door de Dordtse afdeling van de Partij van de Arbeid voor personen of instellingen die zich belangeloos inzetten voor mensen die een steuntje in de rug kunnen gebruiken.

Bronnen en literatuur
dordtenaZOEKer: Theodoor Stoop.
Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel 8, (2001), p. 266-269.
P. Kooy, V. Sleebe (red.), Geschiedenis van Dordrecht van 1813 tot 2000 (Hilversum 2000).
H. van Voorst Vader-Duyckinck Sander, Leven en laten leven. Een biografie van ir. Adriaan Stoop 1856-1935 (Haarlem 1994).
F. Vriesendorp, Dokter Stoop, in: Kwartaal en Teken (Dordrecht 1975/4), p. 8-10.

Roel Leentvaar (april 2020)

 

Sluit het Verborgen Museum