Sura

11e eeuw  -  12e eeuw

Sint Sura in de Sint-Janskathedraal te ’s-Hertogenbosch (foto Herman A. van Duinen).

De heilige Sura (Sinte Suwaert, Sinte Sotheris, Sinte Zuur, Sinte Soers), plaatselijke heilige, maagd, martelares. Vermeende stichteres van de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk van Dordrecht, 11e -12e eeuw. Sterfdag 10 februari.

De oudste gegevens over Sura gaan terug tot de vijftiende eeuw. Volgens aantekeningen van Joannes Gerbrandsz van Leiden (†1504), prior van het Karmelietenklooster te Haarlem, uitgegeven door Marcus Zuerius van Boxhorn in zijn Theatrum sive Hollandiae comitatus et urbium descriptio (1632), zou een zekere maagd Sotheris of Suwaert stichteres zijn van de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk van Dordrecht. Waarschijnlijk werd Suwaert (Sura) vereenzelvigd met Sint Sotheris, die als martelares stierf te Rome en begraven werd in de catacombe van San Callisto. Ook Sotheris werd herdacht op 10 februari. De attributen van Sint-Sura zijn een vismes en palmtak.

Heribertus Rosweydus, in de Generale Legende der Heylighen, beschrijft het leven van Sura als volgt: Sura, geboren uit ‘seer eerlycke ouders’, wordt gehouden voor stichteres van de Grote Kerk. Zij aanbad dagelijks een beeld van de moeder Gods, dat aan een boom hing bij ‘de riviere van Dordrecht’. Op haar verlangen ter ere van Maria een kerk te bouwen, toonde een engel haar een model. Hoewel zij slechts beschikte over ‘dry penninxkens’, kopkens genaamd, nam zij toch drie dagloners in dienst. Steeds wanneer zij hen had uitbetaald, vond zij drie nieuwe penningen in haar beurs. De werklieden, menende dat zij rijk was, beroofden haar van het leven met een vismes. De moordenaars werden gevangen genomen en ter dood veroordeeld. De ‘H. Martelaerse’ herrees en toonde de verse wond aan haar hals. Ze verkreeg kwijtschelding voor haar ‘leetwesende’ (=spijt betuigende) moordenaars. De historicus Jacob van Oudenhoven (? – 1683) voegde er in zijn Oudt en Nieuw Dordrecht (1666) aan toe: De maagd Sura ‘ontspronck van de doodt’, verloste de drie moordenaars en trok met hen naar de paus te Rome. Daar biechtten zij hun misdaad. De paus schonk absolutie en verleende aflaten om de bouw van de kerk voort te zetten. Uiteindelijk is Sura zalig gestorven, maar wanneer dit is geschied, is niet bekend.

Op de plaats van de moord zou volgens de legende een fontein of bron zijn ontsprongen, zeer gezond voor hen ‘die met ko(o)rtse belade syn’. Op het kerkhof, ten noordoosten van het Mariakoor, is er tot de zeventiende eeuw inderdaad een bron geweest, de Suraput, waaruit volgens schriftelijke getuigenissen geneeskrachtig water stroomde. De in Dordrecht geboren Willem Damasz van der Lindt (1525-1588), onder de naam Wilhelmus Lindanus bisschop van Roermond, vermeldt in zijn Apologia ad Germanos (1570) dat ‘de ondervinding leert dat er bronnen en putten zijn die geneeskracht hebben tegen ziekten of koortsen, zoals te Dordrecht de Sint-Surafontein, die altijd levend water heeft. Door het drinken daarvan is in mijn jeugd N.N. genezen, toen hij als een vriend in mijn vaders huis verblijvend, iemand daarheen had gezonden om er water te putten’. Volgens de Dordtse pastoor Dirck Cornelisz de Witte is in 1608 de put verdwenen: ‘Daer is oock een put geweest op ’t kerckhoff, overdeckt synde, alwaer men seijt, dat sy (Sura) vermoort is; hieruit werden veel waters geput voor de coortsen. Dan is (de put) door de ketters (gereformeerden) gedestrueert (vernietigd)’. De ‘vernietiging’ van de waterput heeft waarschijnlijk plaatsgevonden tussen 1603 en 1608. De kerkenraadsakte van 1603 vermeldt namelijk: ‘Alzoo men verstaat, dat er op het kerkhof van de Grootekerk een steenen kring (putrand?) staat, en vele menschen daarvoor nederknielen en verdere superstitiën (bijgelovigheden) bedrijven, zoo zal men den Burgemeester verzoeken, dat dezelve moge weggenomen worden’.

Waar bevond zich de Suraput? Schotel (1807-1892) spreekt over een vijver bij het oude kerkhof, waarover hij gegevens vond in Batavia Sacra of Beschrijving van het Utrechtse bisdom (1714). Op 24 januari 1452 gaf het kapittel van Sint-Jan te Utrecht toestemming om een kapel tot een parochiekerk in te richten, staande buiten de Vuilpoort te Dordrecht, de Sint-Adriaanskerk. Het kapittel schonk enkele renten en inkomsten aan de kapel, waaronder die van ‘de vijver bij het oude kerkhof’ van de Grote Kerk. Ook de Dordtse geschiedschrijvers Van Dalen (1927) en Lips (1974) brengen de vijver in verband met de Suraput. Volgens Verhoeven is ‘vijver’ echter een verkeerde vertaling. In de Latijnse oorkonde staat ‘piscaria’, een visserij bij de begraafplaats, niet van de Grote Kerk, maar van de kerk buiten de Vuilpoort. Het ging dus om visrechten die werden overgedragen.

Naast de waterput wordt ook een kapel genoemd, gewijd aan Sura, en gebouwd aan de noordoostzijde, tegen het Mariakoor van de Grote Kerk. In de kapel werden, naar Lindanus vermeldt, het vismes, doeken en banden bewaard van personen die op wonderbaarlijke manier waren genezen door het bronwater te drinken. In de zeventiende eeuw is de kapel afgebroken, maar de funderingen werden in 1905 opgegraven en in de bestrating weergegeven. Volgens overlevering zouden haar relieken zijn overgebracht naar Soissons in Frankrijk. Of de kapel, toegankelijk vanuit het Mariakoor, ooit gewijd is geweest aan Sura, is in de archieven niet terug te vinden. Wel was de kapel destijds de sacristie van de Mariabroederschap in de Grote Kerk.

Een hoogtepunt in het middeleeuwse kerkelijk leven was de processie van het Heilig Sacrament of de Grote Ommegang, gehouden de zondag na Maria Magdalenadag (23 juli). Volgens overlevering zou bij een brand in het Gasthuis het sacrament in de zilveren monstrans ongeschonden zijn gebleven. In een Dordts aktenboek van 27 juni 1497 wordt ook de naam van Sint Suwer (Sura) genoemd onder de vele heiligen die werden uitgebeeld tijdens de processie. Tot 1571 is dit jaarlijkse feest van de Grote Ommegang gehouden, daarna ging de stad over in gereformeerde handen.

Aan Sura zijn nog enkele tastbare herinneringen aanwezig. Zo staat zij afgebeeld op een wang van de noorderkoorbank (1538) in de Grote Kerk. Stadshistoricus Matthijs Balen (1677) weet te melden dat er in het torentje van het Dordtse klooster Mariënborn (in een zijstraat van de Voorstraat, nu de Marïenbornstraat) een klok hing met het opschrift ‘Sinte Zuur is mijnen naam. Deze klok is Kersten gemaakt: up onser Vrouwendach nativitatis Ao 1548’. De klok verhuisde in 1869 naar de Oud-Katholieke kerk aan de Voorstraat en werd in 1881 verkocht aan de Hervormde kerk van Veessen (Gld). Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de klok door de Duitsers gevorderd. In 1984 is voor de Oud-Katholieke kerk een nieuwe klok gegoten met een afbeelding van de heilige Sura.

In de Sint-Janskathedraal te ‘s-Hertogenbosch bevindt zich tegen een pilaar in het noorderzijschip een beeld van ‘Sura van Dordrecht’, in 1918 gemaakt in atelier A. van der Geld in ‘s-Hertogenbosch. Waarom Sura, een Dordtse heilige, ook in ‘s-Hertogenbosch is uitgebeeld is niet bekend. 4 februari 1940 werd in de Sint-Bonifatiuskerk aan de Wijnstraat een Sint Surabeeld gewijd, gemaakt door de beeldhouwer Sprenkels uit Hillegersberg. Het beeld bevindt zich tegenwoordig in de Sint-Antoniuskerk aan de Burgemeester de Raadtsingel. In een nis in het Mariakoor van de Grote Kerk is in 1992 door Herman A. van Duinen een schildering aangebracht over het leven van de heilige Sura. Op de hoek Schuitemakersstraat / Houttuinen bevindt zich een pleintje dat in 1967 de naam Sint Suraplein kreeg.

Literatuur
P. Ribadineira en R. Rosweydus, Generale legende der heylighen (Antwerpen 1549), p. 328.
M.Z. Boxhorn, Theatrum sive Hollandiae comitatus et verbium nova descriptio (Amsterdam 1632), p. 94-96.
J. van Oudenhoven, Oudt en Nieuw Dordrecht (Haarlem 1666), p. 455 e.v.
G.D.J. Schotel, Een keizerlijk, stadhouderlijk en koninklijk bezoek in de O.L. Vrouwe-kerk te Dordrecht (Amsterdam 1859), p. 29-30, 111-113.
L.C. Spoorman, De O.L. Vrouwekerk van Dordrecht en S. Sura, Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem, 4 (1876), p. 381-393.
J.A.F. Kroonenburg, Neerlands heiligen in de Middeleeuwen 2 (Amsterdam 1899), p. 128-139.
J.L. van Dalen, De Groote Kerk te Dordrecht (Dordrecht 1927), p. 10-11.
C.J. Hesp, Een vergeten heilige? Nieuwe Dordtsche Courant, juni 1936.
C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht (Zaltbommel 1974), p. 143-145.
G.verhoeven, Parochies. In: J. van Herwaarden e.a., Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 (Hilversum 1996), p. 303.
G. Verhoeven, Dordrecht: H. Sura, in: P.J. Margry & Ch. Caspers (red.), Bedevaartplaatsen in Nederland. I: Noord- en Midden-Nederland (Amsterdam & Hilversum 1997), p. 318-320.
J. Spaans, H. Maria Maior (Sliedrecht 2009), p. 27 en 45.
www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/180.

Herman A. van Duinen (januari 2013)

Sluit het Verborgen Museum