Simon van Slingelandt

14-01-1664 (Dordrecht)  -  01-12-1736 (Den Haag)

Borstbeeld van Simon van Slingelandt, geschilderd door Philip Van Dijk in 1728 (RKD).

Geboren te Dordrecht op 14 januari 1664, gestorven te Den Haag op 1 december 1736. Zoon van Govert Barthoutsz van Slingelandt (1623-1690), pensionaris van Dordrecht, curator van de Latijnse school, secretaris van de Raad van State en ambassadeur, en Arnoudina van Beaumont (1635-1702), uit een vooraanstaande Dordtse familie. Huwelijk waarschijnlijk te Amsterdam op 31 juli 1690 met Suzanne De Wildt (1666-1722), dochter van de secretaris van de Amsterdamse admiraliteit. Uit dit huwelijk zes nakomelingen waarvan er twee volwassen werden: Govert (1694-1767) later ontvanger-generaal van Holland, en Suzanna (1700-1737). Tweede veel besproken echt te Den Haag op 29 september 1726 met zijn huishoudster Johanna Margaretha van Coesvelt (1684-1768), dochter van een herbergier. Uit dit huwelijk geen nakomelingen. Simon van Slingelandt was een achterneef van de gebroeders De Witt.

Simon van Slingelandt, heer van Patijnenburg (bij Naaldwijk), stamde uit een oud en invloedrijk Dordts regentengeslacht. Hij was secretaris van de Raad van State, thesaurier-generaal en raadpensionaris van Holland. Zijn betekenis ligt vooral in zijn staatkundige inzichten gebaseerd op een analyse van de staatsinstellingen van de Republiek en van de tekortkomingen daarvan. Hij spande zich in voor de vrede in Europa. Hij werd omschreven als bekwaam, geestig, ijverig, wilskrachtig, uitgesproken en van ongemakkelijk humeur, wat soms tot problemen aanleiding gaf. De discussie rond het herstel van het stadhouderschap in alle gewesten tijdens het tweede stadhouderloze tijdperk (1702-1747) speelde een rol gedurende een groot deel van zijn ambtelijke bestaan. Dat gold eveneens voor de strijd om de erfenis van Willem III (1650-1702) die pas na dertig jaar geregeld werd. Ook in de buitenlandse politiek was hij actief. Thorbecke (1798-1872) waardeerde van Slingelandt als hervormingsgezinde bestuurder zeer.

Zijn geboortehuis stond aan de Voorstraat, thans nummer 54. Vrijwel alle literatuur geeft aan dat Van Slingelandt de Latijnse school aan de Nieuwstraat in Dordrecht heeft bezocht onder de rectores Surendonck (1674-1680) en Neuspitzer (1681-1689). Een bewijs daarvoor is echter niet gevonden. Simon schreef zich op 21 april 1681 in als student rechten aan de Leidse universiteit. Onder Neuspitzer kan hij dus niet hebben gestudeerd want die trad pas eind 1681 als rector aan.  Met zijn broer Govert promoveerde hij op 28 september 1684 in de rechten aan de universiteit van Orléans. Hij werd geadmitteerd als advocaat bij het Hof van Holland op 23 juli 1685. Van Slingelandt was een godsdienstig maar tolerant man. Zijn favoriete lectuur bestond uit de brieven van de apostel Paulus. Op 4 augustus 1690 werd hij op voorspraak van Hans Willem Bentinck (1649-1709) door stadhouder-koning Willem III als opvolger van zijn vader benoemd tot secretaris van de Raad van State, hoewel deze een medestander was geweest van Johan de Witt. Hij vervulde dit ambt tot 1725. Hij was de naaste medewerker van raadpensionaris Anthonie Heinsius (1641-1720), die de buitenlandse politiek van Willem III na diens overlijden in 1702 voortzette. Heinsius verklaarde daarna in de Staten-Generaal dat Holland geen stadhouder meer zou aanstellen. Van Slingelandt was al snel na Heinsius de belangrijkste figuur in de Republiek.

Tijdens de Negenjarige oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) tussen Frankrijk en de geallieerden, waaronder de Republiek, trachtte Van Slingelandt de Europese ambities en de expansiezucht van de Franse koning Lodewijk XIV (1638-1715) te temperen. In Engeland had hij zeer goede contacten met onder anderen John Churchill, de eerste hertog van Marlborough (1650-1722), en politicus Sir Robert Walpole (1676-1745). Van Slingelandt zette zich tijdens deze oorlogen in voor de verbetering van de krijgsmacht van de Republiek. De Negenjarige oorlog werd op 20 september 1697 beëindigd met de Vrede van Rijswijk en op 11 april 1713 werd de Vrede van Utrecht gesloten tussen Frankrijk en de Republiek. De schuldenlast van Holland was door vijfentwintig jaar oorlog enorm opgelopen maar het directe gevaar van de financiële crises van 1715 en 1720 wist Van Slingelandt te bezweren door te bezuinigen op leger en vloot, echter zodanig dat men achting voor de Republiek bleef houden. Europa hield nog rekening met de Republiek.

In 1707 dacht een aantal vooraanstaande Nederlanders onder wie raadpensionaris Heinsius, griffier der Staten-Generaal François Fagel (1659-1748), thesaurier-generaal Jacob Hop (1654-1725) en Van Slingelandt er over Johan Willem Friso (1687-1711) stadhouder van Groningen en Friesland te benoemen tot stadhouder in alle gewesten omdat men meende een arbiter nodig te hebben bij de talloze geschillen. In datzelfde jaar was Johan Willem Friso door de Staten-Generaal al benoemd tot generaal van de infanterie. Echter, na diens onfortuinlijke verdrinkingsdood bij Moerdijk op 14 juli 1711 was deze vraag voorlopig niet meer aan de orde. Van 28 november 1716 tot 14 september 1717 werd op initiatief van Adolf Hendrik, graaf van Rechteren (1656-1731) uit Overijssel in de Trêveszaal aan het Binnenhof in Den Haag een reeks vergaderingen belegd die de Tweede Grote Vergadering werd genoemd. Het was de bedoeling te komen tot staatshervorming. Van Slingelandt formuleerde daartoe voorstellen. Zijn centrale gedachte was het uitbouwen van de Raad van State tot het belangrijkste regeringsorgaan. Zo kon er een centraal gezag worden gecreëerd en de gewestelijke en stedelijke autonomie worden ingeperkt. Zijn plannen vonden echter weinig gehoor en het bleek ook niet mogelijk afgevaardigden met voldoende mandaat naar Den Haag te krijgen. De steden en gewesten hielden vast aan hun soevereine positie en het beginsel van de ruggespraak bleef gehandhaafd. Na deze mislukking gaf Van Slingelandt te kennen dat het stadhouderschap inherent was aan de regeringsvorm van de Republiek. Niet vanuit een sterke oranjegezindheid maar vanuit de gedachte dat een stadhouder die boven de belangen van de gewesten en steden stond dienstig was om de eendracht te bewaren. In 1722 meende hij echter dat andere maatregelen dan het aanstellen van een stadhouder noodzakelijk waren. De postume uitgave van Van Slingelandts Staatkundige geschriften in 1784/1785 had invloed op de ideeën van de patriotten.

Op 3 augustus 1720 overleed raadpensionaris Heinsius. Zijn gedoodverfde opvolger Van Slingelandt werd echter gepasseerd voor dit ambt vanwege zijn hervormingsgezindheid. Heinsius werd opgevolgd door Isaac van Hoornbeeck (1655-1727). Willem Karel Hendrik Friso (1711-1751), zoon van Johan Willem Friso en stadhouder van Friesland en Groningen werd in 1722 ook stadhouder van Drente en Gelderland. Zijn moeder Maria van Hessen-Kassel (1688-1765), bijgenaamd ‘Marijke Meu’, trad tot 1731 op als regentes. De overige gewesten Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel besloten in 1723 echter plechtig de stadhouderloze regeringsvorm te handhaven. Op 27 oktober1725 werd Van Slingelandt benoemd tot thesaurier-generaal van de Republiek. Dit ambt vervulde hij slechts twee jaar, tot de dood van Van Hoornbeeck op 17 juni 1727, waarna hij alsnog tot raadpensionaris werd benoemd. Bij het aanvaarden van dit ambt op 17 juli 1727 legden de Staten van Holland hem de verplichting op niets te ondernemen tegen de bestaande regeringsvorm. Als pragmatisch bestuurder onderwierp hij zich zonder veel bezwaar aan die eis.

Als diplomaat bemiddelde hij meermaals succesvol in internationale conflicten, bijvoorbeeld in 1731 in een conflict tussen Oostenrijk en Groot-Brittannië. In zijn tijd als raadpensionaris stond zijn streven naar vrede in Europa centraal. De Europese waardering voor Van Slingelandt bleek ook uit het feit dat de Franse kardinaal Fleury (1653-1743), eerste minister onder Lodewijk XV (1710-1774), hem in 1736 op zijn ziekbed bezocht om in het geheim te overleggen over het conflict tussen Frankrijk en Oostenrijk. Na zijn plotselinge overlijden op 1 december werd hij op 6 of 7 december 1736 begraven in de Kloosterkerk te Den Haag.

Geschriften
Simon van Slingelandt, Staatkundige geschriften, 4 delen (Amsterdam 1784-1785).
Briefwisseling tussen Simon van Slingelandt en Sicco van Goslinga 1697-1731, uitgave W.A. van Rappard (Den Haag 1978).

Literatuur
Van der Aa BWN 17-2, p. 724-727.
NNBW 5, p. 749-751.
W. van Bunge e.a., The Dictionary of Seventeenth and Eighteenth Century Philosophers (Bristol 2003) p. 917-919.
A. Goslinga, Slingelandt’s efforts towards European Peace (Den Haag 1915).
J.A. van Arkel, De houding van den raadpensionaris Simon van Slingelandt tegenover het Huis van Oranje (Amsterdam 1925).
Olaf van Nimwegen, The Dutch Barrier, in: Anthonie Heinsius and the Dutch Republic 1688-1720, Politics, War and Finance (Den Haag 2002).
Marijke Bruggeman, Nassau en de macht van Oranje. De strijd van de Friese Nassaus voor erkenning van hun rechten 1702-1747 (Hilversum 2007).
Joris van Eijnatten, Simon van Slingelandt (1664-1736) and the Dutch toleration debate, in: Lias 2007/2, p. 249-273.
Piotr Napierala, Simon van Slingelandt (1664-1736). Last chance of the Dutch Republic (Krakau 2013).

Roel Leentvaar (februari 2013)

Sluit het Verborgen Museum