Simon Michielsz Hoogerzeijl

02-06-1743 (Krimpen aan de Lek)  -  24-02-1814 (Dordrecht)

De Kalkhaven te Dordrecht waar de walvisvaarders gereed werden gemaakt voor het visseizoen

Simon Hoogerzeijl werd 2 juni 1743 geboren en 3 juni in Krimpen aan de Lek gedoopt en overleed 24 februari 1814 in Dordrecht. Hij werd er begraven in de Grote Kerk. Hij was de zoon van Michiel (ook Machiel) Ockersz Hoogerzeijl (Krimpen aan de Lek 18 juli 1696-Krimpen aan de Lek 25 mei 1779), commandeur van een walvisvaarder in de periode 1729-1759, en Elisabeth Schouten (Dordrecht doop 14 januari 1712-Krimpen aan de Lek 4 april 1782). Simon trouwde 30 september 1764 in Krimpen aan de Lek (ondertrouw 7 september Nieuwpoort) met Anna Ooms (Nieuwpoort 7 oktober 1742-Dordrecht 2 februari 1818). Zij was de dochter van Adam Adriaansz Ooms (Nieuwpoort 15 juli 1714-Nieuwpoort 5/10 januari 1776), commandeur van een walvisvaarder in de periode 1749-1775, en Johanna (Anna) Hendricksdr van der Ham (ook Van der Stam), (Ameide 14 juli 1715-Nieuwpoort 17/19 januari 1780).

De kinderen uit het huwelijk van Simon en Anna werden allen geboren en gedoopt in Nieuwpoort: Michiel (30 juni 1765-Amsterdam 30 september 1765 aan boord van walvisvaarder Agatha); Adam (3/10 augustus 1766-Groenland aan boord van walvisvaarder Pro Patria 5 juli 1788; begraven 8 september 1788 in de Grote Kerk te Dordrecht); Elisabeth (10/14 augustus 1768-Dordrecht 3 april 1841), trouwde  Dordrecht 7 november 1790 met Simon van Roosendaal (Dordrecht 11/16 januari 1765-Dordrecht 5 september 1806), schipper; Anna (3 augustus 1771-Dordrecht 3 juli 1848), trouwde Dordrecht 21 maart 1801 met Herbert Baars (Dordrecht 9 januari 1771-Dordrecht 29 januari 1832), schipper; Eva  (9/16 mei 1773-Dordrecht aan boord van Pro Patria 26 september 1773, begraven 30 september in de Grote Kerk); Michiel (18/27 juni 1774-Dordrecht 5 maart 1853), commandeur walvisvaart, zeekapitein en ontvanger der belastingen voor Rhoon, Poortugaal en Albrandswaard, trouwde Meerdervoort 19 april 1801 met Magtilda Broeksmit (Dordrecht 26 december 1772-Dordrecht 31 december 1847); Simon (7/14 juli 1776-‘s-Gravendeel 15 mei 1829), trouwde Dordrecht 28 september 1799 met Seija (ook Lissia) van Epenhuijsen (Dordrecht 23 augustus 1780 (De Mijl)-Dordrecht 14 september 1833); Hendrina Sophia (19/24 mei 1778-Dordrecht 5 december 1792, begraven 12 december 1792 in de Grote Kerk).

Simon was een uitstekende commandeur in de rauwe wereld van de walvisvaart. Hij bleek vakbekwaam als navigator, stuurman, maar wist ook precaire situaties het hoofd te bieden. De mannen Hoogerzeijl die zich bezighielden met de walvisvaart bleken een vrij hoge graad van ontwikkeling te bezitten. Voor Simon bleek dat onder meer uit zijn gepubliceerde Epacten, verhandelingen over het gelijkmaken van het maanjaar aan het zonnejaar, wat toen een belangrijk gegeven was voor een juiste navigatie. Aangezien de financiële omstandigheden zich danig wijzigden wanneer een walviscommandeur zich in Dordrecht vestigde, verhuisden de betrokken Hoogerzeijls van Krimpen aan de Lek en Nieuwpoort naar Dordrecht.

De familie Hoogerzeijl had zich gevestigd in Krimpen aan de Lek. Al in de 17de eeuw hadden de mannelijke vertegenwoordigers zich beziggehouden met de walvisvaart. Uit dit geslacht waren ten minste zeven commandeurs van een walvisvaarder voortgekomen. Toen Simon met Anna Ooms uit Nieuwpoort trouwde, was dat een huwelijk tussen geslachten die hun kwaliteiten in de walvisvaart hadden bewezen. Het geslacht Ooms kende namelijk zeker acht commandeurs die vanuit Nieuwpoort de walvisvangst beoefenden. Simon, zijn oudere broer Ocker (1740-1794) en jongere broer Johannis (1752-1821) waren vertrouwd met het werk aan boord van een walvisvaarder. Vader Michiel Ockersz was jarenlang (1729-1759) als commandeur actief geweest en had zijn zoons aan boord wegwijs gemaakt. De drie broers werden later ook commandeur.

In 1771 vertrok een Dordtse walvisvaarder onder (het eerste) commando van Simon Hoogerzeijl richting Groenland. Hij commandeerde de Pro Patria van rederij Pieter Vernimmen. Vanaf toen was Simons naam bijna dertig jaar lang verbonden aan de Dordtse walvisvaart. In 1780 verhuisden Simon Hoogerzeijl en zijn gezin van Nieuwpoort naar Dordrecht. Nieuwpoort gaf 17 februari 1780 een akte van indemniteit af: ‘… met hunne ses kinderen met namen, Adam oud 13 jaaren, Elisabeth 11 jaaren, Anna 8 jaaren, Michiel 41/2 jaaren, Simon 3 jaaren en Hendrina Sophia  11/2 jaaren.’ Het gezin vestigde zich aan de Draai, bij de ingang van de Kalkhaven dicht bij de trasmolen. Het was de haven waar in het vroege voorjaar de walvisvaarders gereed werden gemaakt voor het halfjaarlijkse vangstseizoen.

Simon maakte gebruik van een Oudraadbesluit uit 1683, dat alle ‘Groenlandcommandeurs die zich hier zouden vestigen het gratis borgerschap van de stad zouden krijgen en bovendien voor altijdt vrijdom van alle tochten ende borgerwachten ende van stadts accijnsen.’Het economische belang voor de stad was kennelijk groot en de vrijstellingen telden zwaar voor een commandeur.

Simon was tot en met 1780 verbonden aan de rederij van Vernimmen, ook Van Nimmer (1718-1780) en kwam na diens overlijden vanaf 1784 in dienst bij de Dordtse reder Frank van der Schoor (1730-1804), zwager van Vernimmen. Tijdens de Vierde Engelse oorlog (1780-1784) werden er van 1781-1783 geen walvisvaarders uitgerust. In die jaren monsterde Simon noodgedwongen aan als zeekapitein bij de koopvaardij. In 1782 was hij ‘schipper’ op het fluitschip Sint Matthijs dat werd ingezet bij de bevoorrading van de Amerikaanse vrijheidsstrijders die onafhankelijk wilden worden van Groot-Brittannië (april 1775- september 1783). Europese landen leverden via Sint-Eustatius goederen aan de Amerikanen.

Het jaar 1784 was de herstart van de Dordtse walvisvaart en Simon, evenals zijn broer Johannis, monsterde aan als commandeur bij Van der Schoor. Uit een brief van Simon in het familiearchief blijkt dat in 1785 zijn zoons Adam (18) en Michiel (10) de reis meemaakten, een aanwijzing dat de Hoogerzeijls op weg naar het commandeurschap alle rangen doorliepen. Michiel junior zou in 1798 (23 jaar) als commandeur op walvisvaart gaan. Voor Adam had Simon ongetwijfeld eenzelfde plan, maar tijdens de reis van 1788 overleed op 7 juli zijn oudste zoon (bijna 22 jaar). Simon wilde zijn zoon geen zeemansgraf geven en liet diens lichaam ter conservering in een vat brandewijn plaatsen. Na thuiskomst werd de jongeman op 8 september begraven in de Dordtse Grote Kerk: ‘Adam Hogerseijl ongehuwt aan de Kalkhaven bij den Draij’.

Het was voor het gezin Hoogerzeijl een rampzalig walvisseizoen. Naast het verlies van de oudste zoon kwam het schip ook ‘schoon’ terug: de vangst was nihil. Van der Schoor was hoofdreder, maar werkte met een partenrederij. Dordtse kooplieden investeerden voor 1/3 of een 1/4 deel in de onderneming, of zelfs voor 1/64 deel. De kosten om een walvisseizoen te financieren bedroegen ongeveer 15.000 tot 16.000 gulden. Voor de rederijen was er in 1788 voor het eerst overheidssteun: de Staten van Holland en West-Friesland hadden bepaald dat er 12 jaar lang een vergoeding voor de reders zou zijn van vijftig gulden voor elk niet aangevoerd vat traan beneden de 100 vaten (à 400 liter); een vergoeding dus van 5.000 gulden voor rederij Van der Schoor! Een jaar later behaalde Simon voor Van der Schoor een recordvangst van 171/2 walvis. Die halve was een gedeelde walvis, doordat die in samenwerking met een andere walvisvaarder was gevangen. Voor Simon was de verdienste dat jaar ruim 1.200 gulden voor zes maanden werk (het jaarloon voor een arbeider was ongeveer 200 tot 250 gulden).

In januari 1795 veroverde Frankrijk de Noordelijke Nederlanden. De walvisvloot bleef dat jaar thuis. De Republiek had deel uitgemaakt van een coalitie tegen Frankrijk, een bondgenootschap van Europese landen (1792-1797). De vestiging van de Bataafse Republiek betekende voor de Nederlanders het einde van de Coalitie, want Engeland stelde zich vanaf dat moment vijandig op tegenover de nieuwe Republiek. De Nederlandse reders van walvisvaarders beraadden zich tegen Engelse kaperij en verkochten in een schijnverkoop hun schepen aan een Duitse handelsrelatie: vooral aan Pieter van Onnen in Emden. Zij verkochten de schepen in feite aan zichzelf. De schepen kregen andere namen, de commandeurs soms ook, de monsterrollen en zeebrieven werden aangepast. De schepen gingen onder neutrale (Pruisische) vlag varen. In 1796 en 1797 werden de schepen gecontroleerd door de Engelse marine, maar dat gaf geen problemen.

In april 1798 vertrokken drie walvisvaarders van rederij Van der Schoor richting Spitsbergen: Simon met de Friedrich, broer Johannis met de Wilhelm en Simons zoon Michiel als commandeur van de Waakzaamheid. De Engelsen hadden twee jaar lang geaccepteerd dat de walvisvaarders onder neutrale vlag uit de Republiek vertrokken, doordat er in Pruisen nog onvoldoende havenfaciliteiten waren. De Engelse marine hield echter op 30 juli dat jaar 29 van de 31 uitgevaren walvisvaarders aan en bracht die naar Leith in Schotland. De schepen en lading werden door de Engelsen geconfisqueerd. Een grote misrekening van de Nederlanders was dat zij een groot aantal schepen op naam van de handelscompagnie van Pieter Onnen hadden gezet: 21 in 1797. Een rederij van die omvang viel ook de Engelsen op. Ook de drie Dordtse walvisvaarders werden opgebracht. Simon vertelde de Engelsen een leugenachtig verhaal dat hij al jaren in Emden woonde en geen Nederlander was. Daardoor wist hij voor zichzelf en de bemanning internering te ontlopen. Eind oktober bereikten hij en de bemanning via Maassluis op het schip van een lonnevaarder (beurtschipper op Londen) Dordrecht. In 1799, 1800 en 1801 lag de walvisvaart vanuit de Bataafse Republiek stil. Simon zocht in 1799 opnieuw zijn heil in de koopvaardij.

Toen in maart 1802 Engeland en Frankrijk de Vrede van Amiens sloten, was Van der Schoor klaar om uit te varen: de Hoop (Simon met zoon Michiel als stuurman) en de Groenlandia (Johannis Hoogerzeijl). Op 16 mei 1803 brak er opnieuw oorlog uit tussen Engeland en Frankrijk.  Rederij Van der Schoor besloot op betere tijden te wachten. De uitgevaren walvisvaarders werden een prooi van Engelse kapers die de schepen opbrachten en verkochten. Simon zocht andermaal een uitweg in de koopvaardij en ging in november 1803 als stuurman varen op een Deens brikschip, de Daphne. Rederij Van der Schoor richtte zich verder op de handelsvaart. Walvisvaarder de Hoop werd via een veiling verkocht aan de Duitse reder D.F. van Camminga uit Emden. De Hoop bleef onder commando van Simon. Vanaf 1805 ging hij voor Camminga onder neutrale vlag varen. Enkele jaren was Simon daar commandeur van de walvisvaarder Amasis. Als oud-commandeur van de Emdense Groenlandvaarder Amasis maakten hij en echtgenote op 31 augustus 1811 ieder hun testament. Simon werd in 1814 in de Grote Kerk begraven, zijn echtgenote op 2 februarti 1818.

Geschriften (zie Gruyl, p. 47)
Epacta (meervoud Epacten). Hiermee wordt de ouderdom bedoeld van de maan op 1 januari (oorspronkelijk de inlasdagen om het maanjaar gelijk te maken aan het zonnejaar). Het een en ander was van belang voor de juiste navigatie.
Samensteller van een lijst van schepen (als navolger van vader) die in de 17de en 18de eeuw ter walvisvaart gingen.

Bronnen en literatuur
RAD: Toegang 3 (inv. 57, inv. 1999); toegang 11 (inv. 54); toegang 20 (inv. 1692; akten 152 en 153); toegang 156.
W. Schöningh, Emdens Grönlandsfahrt, in: Emden. Geschichte und Kultur einer alten Seehafenstadt. Heimatliche Beiträge der Rhein-Ems-Zeitung, nr. 9 (Emden 1960).
P. Dekker, Commandeurs ter walvisvaart uit het gebied van de Maasmond en Lekstreek in de achttiende eeuw, in: Rotterdams jaarboekje (Rotterdam 1977), p. 265-311.
M.E. de Gruyl, Dordtse Jonas in de Olie, (Amsterdam 1997).
E. Kon, Simon Hoogerzeijl, commandeur op de walvisvaart, in: De Stede Nieupoort, nr. 6 (Nieuwpoort 1999), p. 126-177.
D. Esseboom, De Dordtse walvisvaart (1679-1804) (Dordrecht 2016), p. 37-65.

Cees Esseboom (juli 2020)

 

Sluit het Verborgen Museum