Rudolph van der Pijl

01-02-1790 (Vianen)  -  06-12-1828 (Geel (België))

Een blad dat door Van der Pijl in 1817 in een prijsboek werd geplakt. Daaruit blijken onder meer de leervakken Frans, Nederlands, aardrijkskunde, geschiedenis en wiskunde. Ook is duidelijk dat de eerste klas verdeeld was in drie afdelingen.

Geboren 1 februari 1790 (1787?) in Vianen, overleden te Geel (België) op 6 december 1828. Zoon van Rudolphus van der Pijl (begraven 15 april 1791 te Vianen) en Petronella Coenraads (begraven 10 maart 1791 te Vianen). Trouwde 16 december 1809 in Dordrecht met Helena van Hoogstraten (Dordrecht 25 augustus 1789-Dordrecht 20 december 1810), dochter van Johannes van Hoogstraten en Johanna Jacoba Vrieswoud. Hertrouwde 1 augustus 1811 inDordrecht met Wilhelmina Hester van Oudgaarden (Dordrecht 1793-Wassenaar 1838), dochter van Johannes van Oudgaarden (commies bij de Posterijen) en Odilia Vrieswoud. Vijf kinderen, allen uit het tweede huwelijk: Odilia (30 september 1812-Maarsseveen 1 juli 1872), Petronella Jeanne (6 mei 1815-Veenhuizen 25 april 1884), Jeanne Jacqueline (13 september 1817-Wassenaar 13 mei 1841), Rudolphe Jean (9 november 1820-Dordrecht 1 februari 1821) en Rudolphe Guillaume (23 juni 1825-Dordrecht 8 augustus 1825). Over het geboortejaar van Rudolph van der Pijl bestaat onzekerheid. Toen hij in oktober 1807 slaagde voor een onderwijzersexamen, zou hij 20 jaar zijn geweest. In een brief van november 1808 aan het Dordtse stadsbestuur gaf hij als leeftijd 21 à 22 jaar op. Vanaf 1810 wordt echter steeds 1790 als geboortejaar gehanteerd, ook door Rudolph zelf.

Van der Pijl was een geslaagde schoolhouder die met zijn assistenten in Dordrecht een drukbezochte Franse kostschool leidde. Het succes bleek uit een aanzienlijk aantal leerlingen, maar vond zijn verklaring in de grote pedagogisch-didactische bekwaamheden van de directeur. De Franse scholen (een soort havo) stonden in aanzien, vooral door het onderwijs in de vreemde talen. De positie van Van der Pijl binnen de kring van Franse schoolhouders was zelfs landelijk als uitzonderlijk te kwalificeren door de leerboeken die hij schreef. Het accent lag daarbij op het onderwijs in de vreemde talen en zijn bijdrage aan de ontwikkeling van dat onderwijs was groot. Zijn leerboeken waren door het vernieuwende karakter de gehele eeuw in gebruik.

Rudolph bleek een ambitieuze jongeman, want al op achttienjarige(?) leeftijd behaalde hij op 14 oktober 1807 de onderwijsakte van de tweede rang, de op een na hoogste van de vier rangen die in 1806 waren ingesteld. Hij was ondermeester aan diverse scholen, maar hij ambieerde een Franse school. In 1808 was hij eerste ondermeester, eerste secondant, in de Franse school van B. Batenburg te Culemborg. In november dat jaar verzocht hij het stadsbestuur van Dordrecht in de stad een Franse school te mogen openen. Hij wilde daar onderwijs geven in Frans, Duits, Nederlands, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis en zingen. Hij deed dat op eigen initiatief, want er was geen vacature. Toch liet het stadsbestuur hem door de commissie van toezicht op het onderwijs examineren. Deze concludeerde in haar rapport van 28 december 1808 dat Van der Pijl ‘niet slechts eene meer dan gewoone kunde en bedrevenheid in alle deze wetenschappen bezit, maar ook vrij wat geschiktheid heeft vertoond om dezelve op eene redenmatige wijze aan kinderen mede te deelen’. De didactiek van het onderwijs werd getest door middel van een soort proefles aan enkele kinderen. Hij werd aanbevolen en 2 januari 1809 kreeg Rudolph toestemming een Franse school te openen. De door Rudolph gestarte (kost)school was een succes, want de resultaten waren uitstekend zoals uit het openbaar examen in 1810 en in volgende jaren bleek. Evenals de Latijnse school en de lagere scholen reikte de Franse school aan de beste leerlingen prijsboeken uit. Het bleek daarbij dat intussen ook Engels een vast onderdeel uitmaakte van het onderwijsprogramma.

In de periode 1810-1826 produceerde Van der Pijl 37 uitgaven voor het onderwijs aan een Franse school, een gemiddelde van ruim twee boeken per jaar. Hij schreef leerstof voor Frans, Engels, Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde en rekenen; Duits liet hij buiten beschouwing. Zijn eerste boek, verschenen in 1810, betrof aardrijkskunde. Voor Engels en Frans schreef hij tien respectievelijk dertien leerboeken; op die twee talen lag het accent. Het betrof materiaal voor de vocabulaire en grammatica, het daarvan toepassen in oefeningen en handelscorrespondentie in de betreffende taal. Daarbij waren oefeningen in kakografie, het opsporen van fouten in een gegeven tekst, een methode die de gehele negentiende eeuw werd toegepast. Van de andere veertien uitgaven hadden er twee betrekking op het leren van het Nederlands als vreemde taal, een voor Franstaligen en een voor Engelstaligen. Van der Pijl was in de eerste plaats leraar vreemde talen. Bij het Nederlands verwees hij steeds naar de officiële spelling van Siegenbeek (1804) en de officiële grammatica van Weiland (1805). Het onderwijs diende volgens hem op moderne leest geschoeid te zijn. Zijn leermateriaal vond in onderwijsland een goed onthaal, waardoor vele boeken een groot aantal drukken beleefden, zoals in 1866 de twintigste druk van het Frans lees- en vertaalboekje. In 1897 werd het Engelsch lees- en vertaalboekje (deel 1 en 2) nog herdrukt. Zijn succes op dit gebied is toe te schrijven aan zijn gebruikte onderwijsmethoden en op het aangeleverde (actuele) oefenmateriaal.

Toen keizer Napoleon het Koninkrijk Holland in juli 1810 inlijfde bij zijn imperium, maakte Rudolph van der Pijl kennis met nieuwe verworvenheden van de Franse overheersing. Een daarvan was de conscriptie, de militaire dienstplicht, waarvoor in beginsel iedere man vanaf 20 jaar oud beschikbaar moest zijn. In 1812 werd ook Van der Pijl opgeroepen om deel uit te maken van de keizerlijke legers (de jaarlichtingen 1787 t/m 1789 waren aan hem voorbijgegaan). De mogelijkheid bestond echter nog die verplichting over te dragen aan een remplaçant, een plaatsvervanger. Dat was een kostbare aangelegenheid, maar Rudolph was daartoe ondanks zijn jonge jaren in staat. De kostgelden van zijn leerlingen, de opbrengsten van zijn leerboeken en vertaalopdrachten hadden hem een behoorlijke financiële armslag bezorgd. Zijn dienstplicht werd bij notariële akte op 24 januari 1812 overgedragen aan Willem Schorteldoek, arbeider uit Papendrecht, geboren in 1787, en volgens de notaris zonder zichtbare gebreken. De overeenkomst omvatte duizenden francs (1 franc = € 0,22), waarvan Rudolph na het passeren van de akte er 315 aan zijn vervanger betaalde. Zodra die uittrok volgde een betaling van 420 francs en vier jaar lang 8,40 francs per week aan de echtgenote van Schorteldoek. Na afloop, wel of niet verminkt, zou de remplaçant een bedrag van 6.300 francs ontvangen. De schoonvader van Rudolph, Van Oudgaarden, stond borg voor de verplichtingen van zijn schoonzoon.

Na 1825 ging het geestelijk slecht met Van der Pijl. Hij moest steeds meer schoolse aangelegenheden aan zijn eerste assistent Dingemans overlaten. Die bracht de Dordtse schoolcommissie in oktober 1826 op de hoogte van ‘den zeer ongelukkigen toestand van de gesteldheid van de geestvermogens’ van Van der Pijl. Dingemans achtte zich niet langer in staat de kostschool in de Hofstraat te leiden. De gezondheid van Van der Pijl verslechterde zodanig, dat zijn broer Floris (slijter in sterke dranken te Utrecht) in november het verzoek aan de Dordtse rechtbank richtte Rudolph ‘in een krankzinnighuis of verbeterhuis in het Koninkrijk der Nederlanden’ te plaatsen. Het verzoek werd ingewilligd en de kostschoolhouder werd voor een jaar in de tweede klasse in het Dordtse Krankzinnigengesticht aan de Lindengracht (thans Dordrechts Museum) ondergebracht. Op 15 september 1827 ging Van der Pijl van daaruit naar het Belgisch-Brabantse Geel. In die plaats werden de geesteszieken, waar mogelijk, ondergebracht bij particulieren. Dat gebeurde ook met Rudolph, want de Dordtse kostschoolhouder overleed 6 december 1828 op de leeftijd van 38 jaar(?) ten huize van Johannes Henricus Claes, kleermaker in Geel.

In het onderwijskundige geschrift Nieuwe bijdragen werd Rudolph van der Pijl na de bespreking van enkele van zijn boeken in 1830 herdacht als een persoon ‘die door onderwijs en door een aantal doelmatige werken zich bij de vaderlandsche jeugd ten hoogste verdienstelijk heeft gemaakt’. Zijn grootste verdienste voor het onderwijs lag in het produceren van oefenmateriaal dat door de keuze en manier van aanbieden in zijn tijd vernieuwend was.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht, archieven 4, 9, 20, 21, 256, 489.
Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland, 1808 p. 16, 1809 p. 75-76, 1810 p. 168 (Leiden 1808-1810).
Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in de Vereenigde Nederlanden, 1826 p. 1207 (Leiden 1826).
F. Wilhelm, Eene meer dan gewoone kunde en bedrevenheid, in: Meesterwerk, nr. 17, 2000.
C. Esseboom en N.L. Dodde, Minerva Dordracena (Dordrecht 2003).

Cees Esseboom (april 2013)

Sluit het Verborgen Museum