Robert Fruin Th. Azn

22-11-1857 (Dordrecht)  -  26-10-1935 (Den Haag)

Portretfoto van Robert Fruin (Regionaal Archief Dordrecht 552_15355).

Geboren te Dordrecht op 22 november 1857, overleden te ’s-Gravenhage op 26 oktober 1935. Hij was de oudste zoon van Thomas Anthony Fruin (1818-1878), Nederlands Hervormd predikant te Dordrecht van 1849 tot zijn emeritaat in 1872, die op 16 april 1856 in Dordrecht huwde met Agatha Elisabeth Martina Veltman (geboren te Dordrecht op 12 februari 1818, aldaar overleden op 15 februari 1898). Op 15 november 1888 trouwde Robert Fruin te Leiden met Catharina Christina Niemeijer (geboren te Leiden op 1 januari 1862, overleden te Amersfoort op 14 oktober 1944), tot haar huwelijk onderwijzeres handwerken aan de Herhalingsschool te Leiden, dochter van Abraham Anthony Niemeijer en Geertruij Schouten. Uit dit huwelijk werden vijf zoons geboren: mr. Thomas Anthonie Fruin (1890-1964), president van de Algemeene Volkscredietbank in Nederlandsch-Indië, na 1945 partijbestuurder van de SDAP en wethouder in Amersfoort, Robert Abraham Anthonij (1891), William Frewin (1892), Joannes Gerardus (1893) en Henrij Marij (1895).

Robert Fruin Th.Azn (deze afkortingen worden gewoonlijk gebruikt om hem van zijn bijna gelijknamige oom, de historicus Robert J. Fruin, te onderscheiden) stamde uit een Rotterdamse familie van intellectuelen, waartoe eveneens zijn twee bekende ooms behoorden, de Leidse hoogleraar en grondlegger van de wetenschappelijke geschiedschrijving in Nederland prof. dr. Robert Jacobus Fruin (1823-1899) en diens broer prof. mr. Jacobus Anthonie Fruin (1829-1884), hoogleraar in het Nederlands privaatrecht te Utrecht. Hij was een van de grondlegers van de archiefwetenschap in Nederland en daarbuiten en speelde als algemeen rijksarchivaris ruim twintig jaar een toonaangevende rol in de historische wereld.

Na drie klassen van de gemeentelijke HBS in Dordrecht te hebben doorlopen, voltooide Robert Fruin zijn middelbare opleiding aan het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam. Vanaf 1877 studeerde hij rechten te Leiden waar hij op 2 oktober 1886 promoveerde op het proefschrift Overzicht der staatsgeschiedenis van het landschap Westerwolde tot op zijn vereeniging met de XVII Nederlanden. Hoewel gevormd als jurist voelde Fruin zich vanaf het begin geboeid door de historische ontwikkeling van de instellingen, het oude schrift en de archieven. Na zijn promotie werkte hij als archiefbeambte. Op 1 december 1888 werd hij benoemd tot commies-chartermeester van het Rijksarchief in Utrecht, onder toezicht van rijksarchivaris mr. Samuel Muller Fzn, die een nieuwe methode voor de ordening van archieven ontwikkeld had, gebaseerd op het herkomstbeginsel. Samen met Muller en J.A. Feith, rijksarchivaris in Groningen, ijverde hij voor de verspreiding van die methode, o.a. door de publicatie van een gezaghebbende Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven (1898) die ook in het Duits, Engels, Frans, Portugees en Spaans is vertaald, en die hun in de nationale en internationale archiefwereld een groot en duurzaam gezag verleende. In aansluiting bij het werk van zijn oom Robert J. Fruin streefde Robert Th. Azn ernaar het archiefbeheer te verwetenschappelijken. Daartoe speelde hij vanaf de oprichting in 1891 een actieve rol in de Vereeniging van Archivarissen in Nederland. Vanaf 1900 trad hij tevens op als redacteur (van 1920 tot 1932 redactievoorzitter) van het Nederlandsch Archievenblad.

Op 1 november 1894 werd hij rijksarchivaris in Zeeland. In Middelburg was hij ook maatschappelijk actief. Hij werd lid van de gemeenteraad (1902-1910) en voorzitter van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, waarvan hij voor zijn verdiensten later ook de gouden medaille kreeg. In 1905 werd hij bij een benoemingsprocedure tot hoogleraar geschiedenis in Groningen gepasseerd ten gunste van Johan Huizinga, maar op 14 november 1910 aanvaardde hij de leerstoel in de encyclopedie van de rechtswetenschap en in het oud-vaderlands recht en zijn geschiedenis aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam met de oratie De studie van het oud-vaderlandsche recht en de archieven. Na enige strubbelingen over zijn aanstelling en salaris werd hij door de minister per 1 mei 1912 benoemd tot algemeen rijksarchivaris in Den Haag, onder toekenning van een persoonlijke toelage en met behoud van de professorstitel. Als zodanig was hij de belangrijkste stuwende kracht achter de Archiefwet van 1918 en de daarop volgende regelingen en uitvoeringsbesluiten, waarbij de openbaarheid en toegankelijkheid van de overheidsarchieven werden vastgelegd en gewaarborgd. Hij verdedigde het standpunt dat het de eerste taak van archivarissen is hun archieven te ontsluiten en toegankelijk te maken voor het publiek, in het bijzonder door de publicatie van inventarissen. Ook was hij een groot voorstander van de professionalisering van het archiefwezen. Mede daarvoor wist hij aan het Algemeen Rijksarchief in 1919 een archiefschool te verbinden, waarvan hij directeur werd; hij gaf er veel onderwijs en nam de examens af. Door bezuinigingen werd de school in 1924 opgeheven, maar de examencommissie bleef bestaan en Fruin bleef er tot zijn overlijden lid van.

Ook was hij een groot voorstander van de modernisering van de archiefbewaarplaatsen en van verdere rationalisering van het archiefbeleid. Tenslotte was hij een van de eersten die het belang van iconografische documentatie inzagen en zich actief voor een beeld- en filmarchief inzetten. In 1919 was hij medeoprichter van de Vereeniging Nederlandsch Centraal Filmarchief, de basis van het latere Nederlands Filmmuseum. Ook het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie heeft zijn oorsprong mede aan zijn activiteiten te danken. Fruin is door dat alles een van de sleutelfiguren van het vroege erfgoedbeleid geworden. Bij zijn pensionering in 1922 vroeg de minister hem voorlopig nog aan te blijven; eerst op 1 januari 1933 werd hem in verband met zijn gezondheid eervol ontslag verleend. Twee jaar later overleed hij.

Belangrijkste publicaties naast archiefinventarissen en uitgaven van lokale en gewestelijke rechtsbronnen
Overzicht der staatsgeschiedenis van het landschap Westerwolde tot op zijn vereeniging met de XVII Nederlanden (Leiden 1886).
De Middeleeuwsche rechtsbronnen der kleine steden van het Nedersticht van Utrecht, 3 delen (’s-Gravenhage 1892-1903).
Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, ontworpen in opdracht van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland  door S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th. Az (Groningen 1898; 2e druk 1920; herziene versie 1998).
De studie van het oud-vaderlandsche recht en de archieven (Middelburg 1910).
Nederlandsche steden in de 16e eeuw: plattegronden van Jacob van Deventer: 111 teekeningen en 97 cartons in facsimile / uitg. met eene inleiding van R. Fruin, 2 delen (’s-Gravenhage, 1916-1923).
De Archiefwet 1918, 2 delen (Alphen aan den Rijn 1919-1929).
Brieven aan Johan de Witt, 1648-1672, 2 delen (Amsterdam 1919-1922).
The General State Archives and their contents (’s-Gravenhage 1932).
De provincie Zeeland en hare rechterlijke indeeling vóór 1795 (Middelburg 1933).
Handboek der chronologie, voornamelijk van Nederland (Alphen aan den Rijn 1934).

Bronnen en literatuur
Bij het bombardement van Rotterdam in 1940 is een deel van het familiearchief dat zich in het advocatenkantoor van mr. Thomas Antonie Fruin (1869-1945) aan de Wijnhaven bevond, verloren gegaan. Het persoonlijk archief van Robert Fruin Th.Azn wordt bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag, Collectie 425 Fruin (1754-1982), toegangsnummer 2.21.222, afdeling I, 4: Stukken van Mr Robert Fruin en Catharina Christina Niemeijer. Een aantal brieven van en aan Fruin wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek.
Biografisch woordenboek van Nederland, II (Amsterdam 1985), p. 168-171 (door F.C.J. Ketelaar).
NNBW, V, p. 193-194 (zijn vader Th.A. Fruin); VII, p. 450-452 (zijn oom Jac. A. Fruin), p. 452-456 (zijn oom Robert J. Fruin).
W. Moll, Lijst der geschriften van prof. mr. R. Fruin 1886-1936, in: Nederlandsch Archievenblad, 43 (1935/36), p. 214-238.
F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed (’s-Gravenhage 1975), p. 433-457.

Willem Frijhoff (april 2015)

Sluit het Verborgen Museum