Pieter van Godewijck

05-02-1593 (Dordrecht)  -  11-08-1669 (Dordrecht)

Zinspreuken in handschrift van Pieter van Godewijck.

Gedoopt op 5 februari 1593 in Dordrecht en daar 11 augustus 1669 overleden en 15 augustus in de Augustijnenkerk begraven. Leraar, dichter, schrijver, historicus, zoon van Govert Godewijck Pietersz en Janneken van der Jacht Rochusdr. Trouwde 26 april 1626 met Sara Pijpelaars Cornelisdr, oud 25 jaar. Uit dit huwelijk twee dochters: Margaretha (1627-1677) en Cornelia (leefjaren onbekend).

Pieter van Godewijck staat landelijk gezien in de schaduw van zijn geleerde Dordtse tijdgenoten. In Dordrecht onderhield hij onder anderen met de letterkundigen ds.Westenburgh en ds. Staphorst, de rectoren van de Latijnse school Parduyn, Rampius en Schalckius en de geschiedschrijvers Van Beverwijck en Balen een intensief contact; op landelijk niveau ook met Barlaeus. Zij waardeerden zijn kwaliteiten op literair gebied, maar het bleef vooral bij een lokale bekendheid. Nationaal gezien gaat de waardering in veel grotere mate uit naar zijn oudste dochter, Margaretha, vanwege haar verdienstelijke werk op het gebied van de dicht-, teken- graveer- en schilderkunst en vanwege haar voortreffelijke kennis van de moderne en klassieke talen. Die kwaliteiten maakten haar tot een van de belangrijkste geleerde vrouwen van de zeventiende eeuw.

Na de basisvaardigheden van het lager onderwijs te hebben verworven, bezocht Pieter de Dordtse Latijnse school waar Gerard Vossius gedurende zijn schooltijd het rectoraat bekleedde. Na afronding van dit klassieke onderwijs volgde er geen universitaire vorming, maar vestigde hij zich als schoolmeester in de stad. Later, in 1618, kreeg hij van het stadsbestuur toestemming een Franse school te openen. Sommigen menen dat Van Godewijck ‘minder behoefte gevoelde’ om een universitaire studie te volgen. Dat lijkt onjuist, gezien het gegeven dat hij zijn dochter Margaretha onderwees in het Italiaans, Engels en Frans. Bovendien gaf hij haar les in rekenkunde, wiskunde en sterrenkunde, vakken waarin hij zeer bedreven was, vaardigheden die hij deels door zelfstudie zal hebben verkregen. Schotel is van mening dat Van Godewijck bezield was ‘met eene brandende zucht voor kunsten en wetenschappen’ en ‘zijne woning was de verzamelplaats van jeugdige geleerden, dichters en schilders’. Het afzien van een studie aan een hogeschool lijkt eerder een zaak geweest te zijn van tekortschietende financiële mogelijkheden.

Pieter was ambitieus, want in1619 solliciteerde hij met succes naar de vacante plaats van Duytse meester in de onderbouw van de Dordtse Latijnse school. De curatoren van het onderwijs lieten zich daarbij leiden door de voorspraak van Gerard Bor(raeus) die in 1619 het rectoraat van de school van Aemilius overnam. Een promotie binnen het docententeam vond, ondanks de grote waardering die de curatoren van het onderwijs voor Van Godewijck hadden, nooit plaats. Wellicht waren het ontbreken van een universitaire vorming en zijn bescheidenheid remmende factoren. Wel vereerde het stadsbestuur hem wegens zijn verdiensten enkele malen met een douceur: 100 gulden in 1638 en 150 gulden in 1650.

Godewijcks inkomen als laagste praeceptor (leraar) bedroeg 512 gulden in 1652 (wedde 312 en 50 voor catechisatielessen en 50 toelage en 100 huursubsidie) niet veel minder dan zijn collegae aan wedde ontvingen. Hij leerde de kinderen de gereformeerde (hervormde) Heidelbergse catechismus en overhoorde hen tijdens de zondagsdienst in de Augustijnenkerk. Pieter was eveneens belast met het toezicht op de stadsbibliotheek die in het voormalige Mariënbornklooster in de Mariënbornstraat (een zijstraat van de Voorstraat) was ondergebracht. Op woensdag- en zaterdagmiddag konden onder anderen de docenten en leerlingen van de Latijnse school de collectie raadplegen. Het openen en sluiten van de leesruimte en de zorg voor de boeken leverde Van Godewijck 50 gulden per jaar op. Hij stelde in 1640 een catalogus van de boekencollectie (1.019 stuks) samen, welk overzicht in het Dordtse stadsarchief wordt bewaard.

Andere taken van de laagste praeceptor omvatten onderwijs in de Nederlandse taal, lezen en rekenen, de beginselen van het Latijn en het zogenaamde ageren, het toneelspelen. De leerlingen voerden regelmatig een blijspel of tragedie in het klassieke Latijn op, maar Van Godewijck schreef als humanist toch enkele stukken in het Nederlands en in een Latijn dat afgestemd was op de belevingswereld van de schooljeugd. Het waren werken die tot in het begin van achttiende eeuw (toen de bezwaren van de kerkenraad tot een verbod van toneelspel leidden) met succes werden opgevoerd. In dit verband dient genoemd te worden zijn blijspel Witte-broodskinderen of bedorve jongelingen, het eerste Nederlandse blijspel in vijf bedrijven en waarvan de tekst in alexandrijnen vorm is gegeven. Het blijspel is een bewerking van het Latijnse drama Dyscoli dat de Haarlemse rector Schonaeus schreef. Van Godewijck maakte er een aantrekkelijke Dordtse geschiedenis van.

Zijn betrokkenheid met Dordrecht blijkt eveneens uit een onvoltooide kroniek die hij tot en met 18 januari 1668 voortzette: Beschrijvinghe van Dordrecht. Het handschrift werd niet uitgegeven tot het in 2006, voorzien van vele annotaties van de bezorger, W. van der Schouw, alsnog het licht zag. Matthijs Balen ontleende voor zijn bekende stadsgeschiedenis de nodige gegevens aan Godewijcks manuscript. Andere kleinere historische werken van Van Godewijck gingen verloren, wat ook het geval is met vele van zijn gelegenheidsgedichten, daar hij die in een kleine oplage liet drukken en in kleine kring verspreidde.

Van Godewijck schreef voornamelijk Nederlandstalige poëzie in tegenstelling tot zijn geleerde plaatsgenoten die doorgaans het Latijn hanteerden. Samen met zijn enkele Latijnse gedichten getuigen die van een grote belezenheid en kennis van de poëzie en het proza van Griekse en Romeinse schrijvers. Hij kan gezien worden als een van de eerste dichters die het Latijn inruilde voor het Nederlands. M. Balen noemt hem een ‘zoet-vloeyend Rijmschrijver’, maar de waardering voor Godewijcks gedichten is wisselend. Schotel merkt op dat de gedichten ‘niet zonder verdiensten’ zijn, maar sommige ‘verraden meer de rijmelaar dan den ware dichter’. Godewijcks lofdichten op werken van stadgenoten ‘hebben genoegzaam niets te beduiden en zijn naauwelijks middelmatig’. Andere gedichten worden echter hoger gewaardeerd, vooral de lijkzangen en een aantal bejubelingen van zegepralen tijdens de 80-jarige oorlog. Zijn Lijkdigt op de doot van Caspar Parduyn en de lijkzang op het overlijden van zijn vriend dominee Johannis Westenburgh oogstten waardering. Dat gold ook voor enkele gedichten naar aanleiding van de strijd tegen de Spanjaarden. Het carmen In furentes et fanaticos Anglos bellum gerentes adversus Batavos geschreven tegen de Engelse agressie, toegeschreven aan Pieter, is waarschijnlijk van dochter Margaretha. Van Godewijck ondertekende als ‘oprecht godsdienstig’ zijn gedichten doorgaans met een van de zinspreuken Tot Gode wijck, Tot Gode is ons wijck, ook wel Deus mihi vicus en Deus nostrum asylum.

Schotel meent dat hij dichtte in de trant van Jacob Cats. Walson ziet in Godewijcks lofdicht Segen-vlagh , naar aanleiding van de slag bij Duins (1639), een stijl die sterk doet denken aan Huygens. Zijn blijspel Witte-broodskinderen zou volgens deze criticus zelfs met Brederode vergeleken kunnen worden. Het lijkt echter aannemelijk dat Van Godewijck bij zijn dichtersactiviteiten ook de invloed van Barlaeus onderging, zeker bij de lofzangen op militaire successen.

Toen Pieter van Godewijck in 1669 onder grote belangstelling werd begraven, had hij aan de Latijnse school vijftig jaren het onderwijs in Nederlands, de beginselen van het Latijn, het toneelspel en schrijfonderwijs verzorgd, een lange loopbaan onder de rectoren Borraeus, Beeckman, Parduyn, Rampius en Schalkius. De werkzaamheden aan de school had hij op voortreffelijke wijze verricht; zijn activiteiten als dichter en schrijver brachten hem vooral lokale roem.

Enkele werken
Remedie voor de pest, in rijm gestelt, Dordrecht 1636 (GAD 489-10683).
Tranen, uut-gestort van de maeght van Dordrecht, over het droevigh af-sterven des godsaligen vromen ende hoogh-geleerden D. Johannis Westerburgh, in sijn leven getrouwen ende wackeren uyt-deelder der verborgentheden Gods in de Duytsche Gemeente Jesu Christi binnen Dordrecht, ende professor historiarum, christelick in den Heere ontslapen op den 3 september 1636, Dordrecht 1636 (GAD 489-11102).
Segen-krans op de heerlijcke, en voortreffelijcke victorie, verkregen by syn Hoogheyt, ende vorstelicke ghenade Frederic Henric, Prince van Oraengien, Grave van Nassou, etc. van weghen het in-nemen der stercke stadt van Breda, gheschiet op den 10. october, anno 1637, Dordrecht 1637 (GAD 489-10682).
Segen-vlagh op de victorie en blijde inkomst van den E. manhaften zee-heldt ende admirael van Hollant, Maerten Herpersen Tromp: als hy de groote ende machtighe spaensche scheeps armade, onder het beleydt van Don Anthonio d’Oquendo, bestaende in 67 schepen, soo galeoenen, konincx-schepen, Duynkerckers ende andere in route geslagen ende verdestrueert had, op den 21. en 22. october anno 1639, Dordrecht 1639 (GAD 489-10685).
Lyck-klaght, over de doot van Hendrick Kasimier, graef van Nassau, stadt-holder van Frieslant, &c,  Dordrecht 1640.
Lof op de geboorte onzes Heeren JESU Christi, Dordrecht 1641.
Witte-broots kinderen, of bedorve jongelingen: bly-eynde spel, Dordrecht 1641.
Hollandze Mars aan zijn Doorluchtige Hoogheyd Fredrik Henrik, Prince van Oranje, &c., op het veroveren van ’t Sas van Gent, Dordrecht 1644.
’t Lof der luysen : beschreven in de latijnsche tale door den hoogh-geleerden heer Daniel Heynsius, professor inde wijt-beroemde academie tot Leyden : in Nederduytschen rijm na-ghevolght, Dordrecht 1644 (GAD 489-10686).
Oorloghs-reden, opte doot van zijn Doorluchtige Hoogheyd, Fredrik Henrik, Prince van Oranje, &c. Als oock mede op sijn … krijghs-daden. Gestorven den 14. Martij, anno 1647, Dordrecht 1647.
Olyf-tack opte Eeuwige Vrede, Dordrecht 1648.
Beschryvinge van Dordrecht (niet voltooid), in 2006 als kroniek verschenen.

Literatuur
Matthijs Balen, Beschryvinge van Dordrecht, Dordrecht 1677.
G.D.J. Schotel, Letter- en oudheidkundige avondstonden, Dordrecht 1841.
G.D.J. Schotel, De Illustre school te Dordrecht, Utrecht 1857.
P.C. Molhuysen en P.J. Blok, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 7, Leiden 1927.
C.J. Walson, Dordtse litteraire portretten, Dordrecht 1949.
C. Esseboom, Minerva Dordracena, Dordrecht 2003.
W.M. van der Schouw, Dese heerlicke stadt: een zeventiende-eeuwse kroniek van Dordrecht, Dordrecht 2006.

Cees Esseboom (december 2012)

Sluit het Verborgen Museum