Pieter van Braam

22-12-1740 (Vianen)  -  28-09-1817 (Dordrecht)

Silhouetafbeelding van Pieter van Braam

Pieter van Braam werd 22 december 1740 in Vianen geboren en overleed 28 september 1817 in Dordrecht. Hij was de zoon van Cornelius van Braam (overleden Vianen 25 juni 1761) predikant, en Clara de Bruin (overleden Dordrecht 2 februari 1787). Pieter ging 15 september 1768 in ondertrouw en trouwde 2 oktober 1768 in Dordrecht met Anna Christina Lentfrink/Lentfrinck (Ouderkerk aan den IJssel 4 april 1745 – Dordrecht 18 december 1800), dochter van Georgius Alexander Lentfrinck (overleden Overschie 1779), predikant te Ouderkerk aan den IJssel en Sara Norden (overleden Dordrecht 1789; Sara was eerder gehuwd met Johannes van Zuren, predikant te Gouderak, aldaar overleden 28 november 1739).

Uit Pieters huwelijk werden vier kinderen geboren van wie er één jong overleed: Cornelius (doop 28 januari 1770), Georgius Aexander (doop 28 augustus 1771), Georgius Alexander (doop 5 oktober 1774) en Clara Maria (doop 20 mei 1784-Dordrecht 15 september 1831). Zij werden allen in Dordrecht gedoopt. Clara trouwde later met Pieter Blussé jr. (1786-1869), boekhandelaar.

Pieter van Braam zou na de Latijnse school een universitaire studie volgen. Door het overlijden van enige familieleden kwam de uitgeverij en boekhandel die zijn grootvader in Dordrecht had opgezet zonder mannelijke opvolger. Pieter besloot zijn academische plannen op te geven en een praktijkopleiding in de uitgevers- en boekenbranche te gaan volgen. Hij zou ruim vijftig jaar werkzaam zijn in een eigen uitgeverij/boekhandel. Hij bekwaamde zich intussen in de klassieke en moderne letteren en de dichtkunst en was op diverse gebieden dienstbaar aan de stad. Pieter werd vele malen als vertegenwoordiger in het stadsbestuur gekozen en was lid van diverse culturele organisaties.

De familie Van Braam stamt uit een aanzienlijk geslacht uit Vlaanderen van wie Johannes van Braam (1677-1751) zich in 1697 als uitgever/boekhandelaar in Dordrecht vestigde. Een van zijn kinderen, Cornelius, studeerde theologie in Utrecht en werd 29 februari 1728 als proponent in Ottoland beroepen; daarna volgde van 2 december 1731 tot zijn overlijden Vianen als standplaats. Daar werd Pieter geboren. Het gezin telde drie dochters en twee zoons van wie Pieters broer jong overleed.

Pieter had een goed verstand en een sterk geheugen en was voorbestemd voor een academische rechtenstudie. Hij ontving zijn klassieke vorming aan de Latijnse school in Dordrecht en Pieter was klaar voor de universiteit. Toen zijn grootvader, Johannes, in 1751 overleed, had diens zoon, Willem van Braam, de bloeiende uitgeverij/boekhandel overgenomen. In november 1753 overleed ook Maria Verhoef, de weduwe van Johannes. Toen ook Willem enkele jaren later overleed, werd er familieraad gehouden. Pieter zou moeten afzien van een rechtenstudie, maar zich gaan bekwamen in het uitgevers/boekhandelsvak. Pieter schikte zich en zou in Amsterdam bij de geleerde uitgever/boekhandelaar en veilinghouder Petrus Schouten (1723-1788) in de leer gaan. Intussen nam zijn tante, Maria van Braam, het bedrijf waar tot Pieter in staat zou zijn de uitgeverij, drukkerij en boekhandel over te nemen.

In Amsterdam ontmoette Pieter onder anderen Petrus Burman jr. (1713-1778), taalkundige en Neolatijns dichter en hoogleraar aan het Amsterdamse Atheneum Illustre. Burman was van groot belang voor Pieters verdere vorming, want deze volgde zo veel mogelijk diens colleges en combineerde dat met het werk bij Schouten. Zijn literaire ontwikkeling dankte Pieter eveneens aan de omgang met de taalgeleerden Laurentius van Santen (1746-1798) en Hieronimus de Bosch (1740-1811). Toen Burman hem opdroeg zijn omvangrijke boekenverzameling te ordenen, ontmoette Pieter hem vrijwel dagelijks in diens bibliotheek. Het rangschikken en catalogiseren van de boeken die vanwege verhuizingen danig door elkaar waren geraakt, vergde drie jaar naast zijn activiteiten voor de boekhandel.

Toen Pieters vader op 25 juni 1761 overleed, besloot Pieter Amsterdam te verlaten. Na zijn terugkomst in Dordrecht vroeg Pieter het poorterschap (burgerrecht) van de stad aan en betaalde daar 16 december 1761 tien gulden voor. Maria van Braam en Pieter dreven de onderneming gezamenlijk tot 1768. Toen besloot Pieter de zaak op de Groenmarkt bij het Scheffersplein alleen voort te zetten.

Pieter van Braam bleek, zoals Ewaldus Kist (1762-1822) meldde, ‘een man met een verbazende kennis en geleerdheid’. Hij muntte het meest uit in de oude en nieuwere letterkunde, aldus Kist, maar was ook goed op de hoogte van de algemene en kerkelijke geschiedenis. Van Braam sprak het Latijn en Grieks uitstekend en las bij voorkeur Xenophon van de Grieken en Cicero van de Romeinen. Van de dichters las hij graag werk van Daniël Heinsius (1580-1655), Janus Secundus (1511-1536) en Petrus Lotichius (1528-1560). Van de lokale dichters waardeerde hij het Latijnse werk van Jan Hendrik Hoeufft (1756-1843) van wie Pieter gedichten vertaalde in het Nederlands. Hoeufft verklaarde over Pieter: ’In verre de meeste wetenschappen, zelfs de hoogere, was hij tot in het innerlijke doorgedrongen’.

Pieter schreef ook Nederlandse gedichten die grote waardering kregen. De meeste waren gelegenheidsgedichten, maar niet van een alledaags karakter. Uit alle gedichten van Pieter blijkt eerbied voor de hervormde godsdienst. De godsdienstoefeningen woonde hij vaak bij in de Waalse Kerk aan de Voorstraat; hij was lid van die gemeente. Dordtenaren van enige geleerde betekenis bezochten met grote regelmaat zijn boekwinkel en bespraken er literaire vraagstukken. Zijn persoonlijke bibliotheek van klassieken was uitgebreid en befaamd.

In Dordrecht was een rond 1770 gevormd genootschap actief onder de naam ‘Tooneelzugt die geen moeiten schuwt, aan dichtkunst en muzyk gehuwd’. Pieter van Braam was er lid van, evenals notaris P.J. van Steenbergen (1744-1833) en kunstschilder Arie Lamme (1748-1801). Pieter zorgde ervoor dat de teksten gedrukt werden. Het toneelgezelschap speelde toneel, schreef de stukken of gebruikte vertaalde buitenlandse stukken. Een andere hobby van Pieter betrof het verzamelen van objecten. Hij bezat een aanzienlijke collectie gedenkpenningen, portretten, prenten en tekeningen.

In Dordrecht was sinds 1790 het departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen actief en Pieter werd er lid van. Hij was ook honorair lid van Pictura, terwijl zijn zoon Cornelius werkend lid was. Pieter werd ook gekozen in de schoolcommissie voor het lager onderwijs, waardoor hij tevens de schoolexamens van de leerlingen bijwoonde. Pieter had ook een mening over de opvoeding van de jeugd en hij verwoordde die in 1775 met het gedicht Over de opvoeding der jeugd ten nutte van het gemeenebest. Het was zijn antwoord op de prijsvraag uitgeschreven door het gezelschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’ en zijn bijdrage werd gehonoreerd met een zilveren ereprijs.

Van Braam was eveneens lid van de plaatselijke afdeling van de ‘Oeconomische tak’, een organisatie opgericht in 1777 door de Hollandse Maatschappij van Wetenschappen in Haarlem. Het doel was verbeterde technieken voor handel en industrie via prijsvragen aan de orde te stellen om de welvaart te bevorderen. Pieter had eveneens politieke aspiraties en maakte deel uit van diverse vertegenwoordigende lichamen. Van 1787-1794 was hij lid van de Achten, van wie elk stadskwartier twee leden koos. In 1793 werd hij tevens voor de Veertigen gekozen, een college dat schepenen en raden nomineerde. Daar hij een fervent aanhanger van het Huis van Oranje was, werd hij bij de Omwenteling in 1795 uit zijn politieke functies ontslagen. Van 1808 tot 1811 maakte Pieter weer deel uit van de vroedschap/oudraad van de stad. Voor de periode 1816-1824 werd hij in de Raad van de stad gekozen. Hij was zelfs voorzitter, maar door zijn overlijden in 1817 was dat van korte duur.

Pieter van Braam overleefde twee zoons en in 1800 zijn echtgenote. Niet veel later, op 5 juli 1803, werd ook Cornelius, 33 jaar oud, begraven. Dochter Clara Maria was toen zijn enige erfgenaam. Zij trouwde in 1807 met Pieter Blussé jr. die de boekhandel van zijn vader dat jaar had overgenomen. Van Braam zag daardoor zijn levenswerk in de toekomst naar zijn grootste concurrent gaan. Inderdaad werden de twee ondernemingen een jaar na zijn overlijden samengevoegd tot uitgevers- en boekhandelsbedrijf Blussé en Van Braam.

In 1816 werd Pieter de eerste voorzitter van het dat jaar opgerichte leesgezelschap ‘Diversa Sed Una’. Het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde in Leiden kwam eveneens binnen zijn bereik toen hij in juli 1817 tot lid werd, twee maanden voor zijn overlijden. Zijn overlijdensakte vermeldt dat Pieter van Braam, voorzittend raad van de stad Dordrecht, thuis in zijn woning aan de Groenmarkt, in de ochtend van 28 september 1817 om 6 uur overleed. Zijn overlijden werd door ‘Diversa Sed Una’ op 23 februari 1818 herdacht met een lange lofzang door predikant Ewaldus Kist.

Enkele publicaties
Mariamne, vertaling uit het Frans van het treurspel door Voltaire (1774).
De Opvoeding der jeugd ten nutte van dit Gemeenebest (1775).
Zegezang bij de gelegenheid van het op de vlugt slaan der Engelsche vloot door den heer schout bij nagt J.A. Zoutman, vertaald gedicht uit het Latijn van J.H. Hoeufft (1781).
Eeuwzangen bij den aanvang der negentiende eeuw der Kristen jaartellinge, samen met P. Immerzeel (1801).
Carmina (1809)

Bronnen
RAD: Beeldbank, DTB en toegang 98, inventaris 1 en 94.
www.dordtenazoeker.nl
Levensbericht van Pieter van Braam, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (Leiden 1818).
E. Kist, Lofrede op Pieter van Braam (Dordrecht 1818).
P.G. Witsen Geysbeek, Pieter van Braam, in: Biografisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, deel 1 (Amsterdam 1821).
BWN: deel 2 (Haarlem 1855), p. 1139-1141.
NNBW: deel 9 (Leiden 1933), p. 94-95.
G-J. Egberts. e.a., Literatuur en toneel, in: Geschiedenis van Dordrecht 1572 tot 1813 (Dordrecht 1998), p. 366-367.
A. Baggerman,  Een lot uit de loterij (Dordrecht 2000).

Cees Esseboom (september 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum