Pieter Johannes Veth

02-12-1814 (Dordrecht)  -  14-04-1895 (Arnhem)

Portret van Pieter Johannes Veth naar een glasnegatief van H.J. Tollens (Regionaal Archief Dordrecht 556_1804)

Pieter Johannes Veth werd op 2 december 1814 in Dordrecht geboren en stierf op 14 april 1895 te Arnhem. Hij werd op 17 april 1895 op de Algemene Begraafplaats te Dordrecht begraven, waar in 1899 een grafmonument voor hem werd opgericht. Pieter Veth was het derde kind, en de middelste van drie overlevende zoons, van Huibert Veth (gedoopt Dordrecht 6 februari 1779-Dordrecht 23 april 1856), handelaar in ijzerwaren op de Voorstraat, gehuwd te Rotterdam op 12 juni 1803 met Cornelia Johanna Pickée (gedoopt Rotterdam 28 januari 1783-Dordrecht 31 augustus 1851). Op 17 april 1845 trouwde Pieter Veth te Amsterdam met Anna Clara Elisabeth Büchler (Amsterdam 9 oktober 1822-Leiden 3 juni 1865), de oudste dochter van Daniël David Büchler (1787-1871), architect, en Anna Elisabeth Geertruid van Hees (1800-1892). Na het overlijden van zijn echtgenote hertrouwde hij te Dordrecht op 27 december 1872 met Henriette Geertruijda van der Koogh (Dordrecht 14 november 1827-Arnhem 20 juli 1898), dochter van Adrianus van der Koogh (1796-1831), kunst- en decoratieschilder, en Maria van der Koogh (1800-1875).

Uit Pieters eerste huwelijk werden tien kinderen geboren, van wie alleen zijn oudste zoon hem overleefde. Naast drie doodgeboren kinderen en drie andere die binnen het jaar overleden, waren dat dr. Huibert Johannes Veth (1846-1917), entomoloog, leraar in de natuurlijke historie aan de HBS en het gymnasium te Rotterdam, en directeur van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke wijsbegeerte; Daniël David Veth (Amsterdam 17 februari 1850-Kala Kauga, Angola 19 mei 1885, begraven in een bocht van de Kalamanka-rivier, herbegraven te Dordrecht 1 april 1889), ontdekkingsreiziger; Cornelis Johannes Veth (1856-1870); en Johannes Gerardus Veth (1858-1876). Het tweede huwelijk bleef kinderloos.

Pieters oudere broer Jan Veth (1805-1859), handelaar in ijzerwaren bij opvolging van zijn vader, trouwde in 1832 met Anna Catharina Moll (1808-1872), dochter van Jan Willem Moll en Johanna van der Koogh. De kerkhistoricus Willem Moll (1812-1879) was haar jongere broer [zie het artikel op zijn naam]. Pieters jongste broer Gerrardus Huibert Veth (1817-1907), eveneens ijzerhandelaar, was de vader van Jan Pieter Veth (1864-1925), tekenaar, lithograaf en publicist, en hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam [zie het artikel op zijn naam].

Geboren in een degelijk Dordts burgermilieu en begaafd met een grote intelligentie en een talenknobbel, ontwikkelde Pieter Veth zich snel tot een breed georiënteerd geleerde die vele initiatieven nam en zowel verbaal begaafd was als een goed en veel gevraagd bestuurder. Hij werd het internationale boegbeeld van de Nederlandse geografie maar specialiseerde zich vooral in de geografie, talen en culturen van Nederlands-Indië waarvoor hij een meer humane politiek bepleitte. Hij stelde zich achter Multatuli’s kritiek op het cultuurstelsel en speelde een vooraanstaande rol bij de hervorming van het koloniale overheidsbeleid.

Pieter Veth ging aanvankelijk naar het Instituut Rudolph van der Pijl (een Franse school) te Dordrecht. Hij werd in 1828 toegelaten op de Dordtse Latijnse school, waar hij in juni 1832 met de hoogste lof naar de Leidse universiteit werd bevorderd. In 1834 legde hij daar het examen in de mathesis af, in 1838 het kandidaatsexamen in de letteren en in 1841 dat in theologie. In juni 1838, nog slechts kandidaat, werd hij benoemd tot leraar Engels en Oosterse talen aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Op 8 december 1840 verdedigde hij in Leiden zijn proefschrift over een taalkundig Arabisch handschrift, maar omdat hij geen doctoraalexamen had afgelegd, kreeg hij het doctoraat in de letteren alsnog honoris causa op 2 april 1841. Nog in 1841 werd hij benoemd tot hoogleraar Oosterse letterkunde (Arabisch en Hebreeuws) aan ’s Rijks Athenaeum te Franeker. Hij aanvaardde zijn ambt met een rede ‘Over de inrigtingen der Arabieren voor het onderwijs der jeugd en tot bevordering der wetenschappen’.

Al op 2 november 1842 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Oosterse talen, Hebreeuwse antiquiteiten, exegese van het Oude Testament, wijsbegeerte en logica aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam, waar hij in zijn inaugurele rede (1 mei 1843) betoogde dat christelijke theologen de islam en haar geschiedenis niet mogen verwaarlozen. Hij vervulde dat ambt tot zijn benoeming tot hoogleraar in de Mohammedaanse instellingen en de land- en volkenkunde van Nederlands-Indië aan de Rijksinstelling van Onderwijs in de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië (het Indisch Instituut) te Leiden in 1864. Van 1877 tot 1885 was hij hoogleraar in de geschiedenis, letterkunde, oudheden, instellingen, zeden en gewoonten der volken en de fysische aardrijkskunde van de Indische archipel aan de Rijksuniversiteit Leiden. Bij zijn ambtsaanvaarding bepleitte hij daar de toevoeging van de Indische talen en letterkunde aan het academisch onderwijs. In 1894 werd hem door zijn leerlingen en studenten een feestbundel aangeboden  (Hulde aan den nestor der geographische wetenschap in Nederland). Na zijn emeritaat (1885) vestigde hij zich aan de Utrechtseweg in Arnhem.

Pieter Veth was een breed georiënteerd geleerde en een echte polyglot, ook van niet-Europese talen. Hij was een liberale geest en op religieus gebied vrijzinnig. Hij ontwikkelde zich tot de meest gezaghebbende oriëntalist, etnoloog en koloniaal geograaf van Nederland, de schepper van de Indologie. Zijn maatschappelijke betrokkenheid, grote inzet en bestuurskwaliteiten bezorgden hem een centrale positie in de wetenschappelijke wereld. Hij werd tot lid of erelid benoemd van talloze wetenschappelijke genootschappen op provinciaal en nationaal niveau, en in een tiental Europese landen, en van een keur van maatschappelijke organisaties. Van 1844 tot 1876 was hij redacteur van De Gids. Vanaf jaargang 6 (1842) schreef hij daarin, naast vele boekbesprekingen, niet minder dan 48 artikelen (in totaal 1845 bladzijden!) over Nederlands-Indië. Ze zetten de toon van een nieuwe kijk op de kolonie, zoals ‘De oppositie tegen het koloniale stelsel’ (1849) en zijn befaamde recensie van Multatuli’s Max Havelaar (1860), die dat boek van succes heeft verzekerd en de Indische kwestie actueel heeft gemaakt. Multatuli was er bijzonder mee ingenomen.

Terwijl het Nederlandse bestuur de kolonie nog nauwelijks anders zag dan als een wingewest voor Europeanen, ontwikkelde Veth een wetenschappelijk gefundeerde visie op de toekomst van de archipel die de eigenheid ervan respecteerde en het gehate cultuurstelsel verwierp. Die visie lag weliswaar nog besloten in de termen van koloniale overheersing, maar vanuit zijn liberale beginselen pleitte Veth al voor de eigen belangen en mogelijkheden tot ontwikkeling van de inlandse bevolking. Zelf is hij nooit in Nederlands-Indië geweest, maar vanuit zijn antropologische en geografische kennis voelde hij de Indische wereld goed aan. Al in 1846 werd hij redacteur van De Indiër, in 1854 richtte hij het Indisch Genootschap op, en in 1867 werd hij hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. In de daaropvolgende decennia zette hij zich actief in voor de hervorming van het overheidsbeleid ten aanzien van Indië. Hij vatte zijn professoraat op als een missie voor de vorming van bekwame en ‘humane’ ambtenaren, de verheffing van de Indische bevolking en de bestendiging van de band tussen moederland en kolonie. Ook andere koloniale gebieden die het moeilijk hadden, deelden in zijn morele verontwaardiging. Zo zette hij zich in 1877-1879 in voor het Anti-annexatie Comité van Transvaal. In 1881 werd hij erevoorzitter van het uitvoerend comité van de Internationale koloniale en uitvoerhandeltentoonstelling in Amsterdam; voor zijn inzet en werkzaamheden kreeg hij in 1883 drie erediploma’s en een gouden medaille.

Pieter Veth werd al vroeg lid van het hoofdbestuur van het Nederlandsch Bijbel Genootschap (voor de talen van de Indische archipel), even later ook van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (waarin zijn schoonfamilie actief was), en vanaf 1845 van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Al in 1846 werd hij verbonden aan het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten te Amsterdam, in 1851 lid van het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde (vanaf 1882 erelid), in 1857 van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, en in 1865 van de Koninklijke Nederlandse Akademie (!) van Wetenschappen. Vanaf 1873 was hij voorzitter (1884 erevoorzitter) van het toen mede door hem opgerichte (Koninklijk) Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, dat wel als een ‘actieve koloniale lobby’ is gekenschetst. Het Genootschap eerde hem later door de instelling van het P.J. Vethfonds (1898) en van een bronzen en zilveren Veth-medaille (1917). Hij was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1874), officier de l’Instruction Publique (Frankrijk), commandeur in de Leopoldsorde (België), en commandeur in de Orde van de Eikenkroon (Luxemburg). In 1881 kreeg hij de Thorbecke medaille. Bij zijn honderdste sterfdag (1995) werd het gebouw Nonnensteeg 1-3 te Leiden naar hem vernoemd (nu het P.J. Veth-gebouw op de Humanities Campus), en in 1997 werd het P.J. Veth-Fonds voor studenten ingesteld. Andere vernoemingen naar hem betreffen een Sumatraanse kever (Chrysochroa Vethii), een paradijsvogel (Epimachus Vethi), een plantengeslacht (Indovethia Calophylla), en de zeestraat Stretto Veth aan de westkust van Nieuw-Guinea (nu hernoemd).

Hoewel Pieter Veth het grootste deel van zijn leven buiten Dordrecht doorbracht, heeft hij steeds nauwe banden met Dordrecht en zijn Dordtse familie onderhouden. Het grote drama van zijn leven was het lot van zijn tweede zoon, Daniël, van wie hij veel had verwacht. De intelligente Daniël was geen kamergeleerde maar een man van de praktijk, die zijn jongensdroom van ontdekkingsreiziger wist te realiseren. Na een expeditie naar Midden-Sumatra in 1875 organiseerde hij een tweede naar Zuid-West-Afrika (Angola), waar hij echter, 35 jaar oud, aan dysenterie overleed. Zijn troosteloze vader stelde twee jaar later een boek over hem samen, als monument voor zijn zoon, en liet zijn lichaam uit Afrika overbrengen naar Dordrecht. Daar werd hij ook zelf in diens nabijheid begraven.

Belangrijkste publicaties van P.J. Veth
Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst voor de gymnasiën (Amsterdam 1847; 2e dr. 1852).
Bijdragen tot de kennis van den politieken toestand van Nederlands Indië, 2 dln (Amsterdam 1848).
Bijbelsch woordenboek voor het christelijk gezin. Uitgegeven door W. Moll, P.J. Veth en F.J. Domela Nieuwenhuis, 3 delen (Amsterdam/Utrecht 1852-1859).
Borneo’s wester-afdeeling, geografisch, historisch, statistisch, 2 dln (Zaltbommel 1854-1856).
Bijdragen tot de kennis van de voornaamste voortbrengselen van Nederlandsch-Indië (rijst, koffie, katoen, sago), 4 dln (Amsterdam 1860-1866).
Aardrijkskundig en statistisch woordenboek van Nederlandsch Indië, 3 dln (Amsterdam 1869).
Atchin en zijne betrekking tot Nederland: topographisch-historische beschrijving (Leiden 1873) [Over Atjeh].
Java, geographisch, ethnologisch, historisch, 4 dln (Haarlem 1875-1884; 2e druk 1896-1907). Hierbij: aantekeningen op deel 1 door Raden Mas Adipati Ario Tjondro Negoro (ca 1836-1885), met naschrift door P.J. Veth, in Bijblad 9 van het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, deel 3, nr. 4 (1881).
Midden-Sumatra : reizen en onderzoekingen der Sumatra-expeditie, uitgerust door het Aardrijkskundig Genootschap, 1877-1879; beschreven door de leden der expeditie, onder toezicht van P.J. Veth, m.m.v. D.D. Veth (1850-1885), 4 dln in 8 banden (Leiden 1881-1892).
Onze Transvaalsche broeders (Amsterdam 1881).
Catalogus der afdeeling Nederlandsche koloniën van de internationale koloniale en uitvoerhandel tentoonstelling (van 1 mei tot ult°. october 1883) te Amsterdam; bewerkt door P.J. Veth, G.A. Wilken en H.C. Klinkert, 3 dln (Leiden 1883).
Daniel Veth’s reizen in Angola, voorafgegaan door eene schets van zijn leven, bewerkt door P.J. Veth en J.F. Snelleman (Haarlem 1887).
Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden (Arnhem 1889; 3e uitg. 1910). 4e uitg., Amsterdam/Antwerpen 2003, met een Levensschets van P.J. Veth door P. van der Velde, p. 9-17).
Ter gedachtenis aan Multatuli, 1887-19 februari-1892 [met een bijdrage van P.J. Veth] (Amsterdam 1892).

Bronnen en literatuur
In het Regionaal Archief Dordrecht, toegangsnr 545 (Collectie van bescheiden met betrekking tot de kunstschilder J. Veth) bevindt zich een deel van zijn correspondentie.
Alle andere bronnen en de publicaties van en over hem staan vermeld in de biografie door P. van der Velde, Een Indische liefde : P.J. Veth (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-Indië (Amsterdam 2000) [proefschrift Universiteit Leiden]. Engelse vertaling: A lifelong passion : P.J. Veth (1814-1895) and the Dutch East Indies; transl. from the Dutch by Beverley Jackson (Leiden 2006). Hierbij: P. van de Velde (samensteller), Een potje met Veth: paarlen van en over P.J. (Amsterdam 2000).
Voorts biografische artikelen door zijn neef J. Veth, in De Gids, 59-II (1895), p. 291-294, en door P.A. van der Lith in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1896, p. 271-305.
H. Kern, Ter herinnering aan P.J. Veth, in: De Indische Gids. 17-I (1895), p. 609-612.
Veilingcatalogus, boeken van Pieter Johannes Veth, 8 tot 15 mei 1899 (Leiden 1899) [Kon. Bibl.: KW Verz Cat 7937, exemplaar met namen van kopers en prijzen].
Nederlands-Indië op papier: de wetenschappelijke beschrijving van de archipel door P.J. Veth (1814-1895) en enkelen van zijn tijdgenoten in boeken, prenten, foto’s, kaarten en brieven. Catalogus bij een tentoonstelling in de Leidse Universiteitsbibliotheek van 8 april tot 12 mei 1995, samengesteld door P. van der Velde en J.J. Witkam (Leiden 1995).
M. Bindels, Indië in De Gids, in: Indische letteren, 12 (1997), p. 34-43.

Willem Frijhoff (maart 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum