Pieter Johannes de Kanter

17-03-1868 (Gouda)  -  16-05-1953 (Scheveningen)

Portretfoto van Pieter Johannes de Kanter (Regionaal Archief Dordrecht (552_315289)

Geboren in Gouda op 17 maart 1868, overleden te Scheveningen (‘s-Gravenhage) op 16 mei 1953. Oudste van twee zoons uit het in 1865 te Haarlem gesloten huwelijk tussen arts Nicolaas Hoffer de Kanter (Alphen aan de Rijn 6 juli 1832-Gouda 27 januari 1873) en jonkvrouwe Louise Francisca van Haeften  (Amersfoort 8 november 1834-‘s-Gravenhage 22 april 1906).

Pieter trad op 29 juni 1893 te Dordrecht in het huwelijk met Henriette Jacoba Johanna baronesse Collot d’Escury (Dordrecht 22 mei 1870-‘s-Gravenhage 28 april 1942), dochter van Emond baron Collot d’Escury (1836-1910) en Agatha Anna Louisa Mauritz (1844-1933). Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren:
– Nicoline Louise Francisca (Dordrecht 2 april 1897-Eindhoven 4 mei 1977)
– Pieter Johannes Emond (Dordrecht 13 juni 1900-Doorn 28 oktober 1991)
– Adriaan Constant (Dordrecht 19 mei 1905-Rotterdam 26 december 2003)

Pieter werkte een paar jaar als kandidaat-notaris. Hij was decennialang (mede)directeur van verzekeringsmaatschappij ‘De Holland van 1859′ en verdiende in talrijke functies zijn sporen als bestuurder. Ook was hij erg actief in de politiek. De liberale De Kanter werd lid van de Dordtse gemeenteraad, was twee periodes wethouder en drie verschillende periodes lid van de Tweede Kamer. Hij speelde daar als onderwijswoordvoerder een belangrijke rol bij de discussies over de grondwetsherziening van 1917. Hij was geruime tijd voorman van het Algemeen Nederlandsch Verbond en sloot zijn politieke loopbaan af als lid van de Zuid-Hollandse Provinciale Staten.

Toen zijn vader op 40-jarige leeftijd aan tyfus overleed, werd diens oudste broer Piet (Pieter Johannes sr., 1800-1869) toeziend voogd van Pieter en zijn jongere broer Adriaan Constant (Gouda 25 februari 1870-Voorburg 25 april 1945). Aanvankelijk bleef moeder Louise met haar twee zoons in Gouda wonen, maar toen Pieter naar de lagere school moest, besloot ze in 1875 naar Dordrecht te verhuizen. Pieter ging, Nederlands-Hervormd van huis uit, naar de particuliere rooms-katholieke school in De Munt. Hier kreeg hij tekenles van de daar net als hulponderwijzer aangestelde J.M.T. Orelio (1854-1926), de latere operazanger. In 1880 legde Pieter met succes een toelatingsexamen af voor het gymnasium. Reeds op jonge jonge leeftijd was geschiedenis zijn favoriete vak. Pieter was een ijverige scholier, maar speelde daarnaast ook graag piano en cricket. Het gymnasium rondde De Kanter niet af. Zijn moeder zag blijkbaar geen academische carrière voor hem weggelegd. Op advies van een neef van zijn moeder begon Pieter aan een (particuliere) opleiding tot kandidaat-notaris in het Overijsselse Steenwijk. Vanwege de afstand ging hij, zeventien jaar oud, in die plaats ook op kamers wonen.Toen zijn leraar (en hospes) naar Hoorn werd overgeplaatst, verhuisden zijn studenten, Pieter incluis, met hem mee.

In oktober 1888 deed Pieter met goed gevolg eindexamen. Tijdens zijn studie had hij de oudste zoon van de Amsterdamse burgemeester Gijsbert van Tienhoven (1841-1914) leren kennen. Dit deed Pieter besluiten om in januari 1889 bij een notariskantoor in de hoofdstad in de leer te gaan. Amper een half jaar later keerde hij terug naar Dordrecht. Oom Piet de Kanter, directeur en medeoprichter van Brandverzekeringsmaatschappij De Holland, vroeg zijn neef om in zijn voetsporen te treden. In september begon de jonge Pieter als beoogd directeur bij De Holland. In de ochtend en avond was hij er op kantoor te vinden. In middaguren werkte hij elders in de stad twee jaar lang als kandidaat-notaris. Dit was namelijk een verplichting om eventueel nadien nog voor een benoeming tot notaris in aanmerking te komen. Bij de verzekeringsmaatschappij hield Pieter zich in het begin onder andere bezig met het ordenen van het archief. De aandeelhoudersvergadering benoemde de dan net 23-jarige De Kanter per 1 mei 1891 tot mededirecteur. Aan het eind van de negentiende eeuw groeide De Holland langzaam maar zeker; men ging ook andere verzekeringen verkopen en op den duur werden andere verzekeringsmaatschappijen overgenomen. Pieter de Kanter zou uiteindelijk aan het roer van De Holland blijven tot 1921.

Na zijn terugkeer naar Dordrecht werd Pieter ook actief in tal van functies op sociaal-cultureel terrein. Zo was hij secretaris van de Dordtse afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en van de afdeling Dordrecht van het Nederlands Toneelverbond en penningmeester van de Vereniging voor Vak en Kunst. De Kanter zag ook in dat de economische vitaliteit van Dordrecht niet zonder een goede bereikbaarheid zou kunnen. Hij zette zich in voor goede verbindingen tussen de stad en de Hoeksche Waard en ijverde tevens voor de verbetering van Dordrechts waterweg naar zee. Zijn overstap van de Nederlandse Hervormde naar de Waalse Kerk bracht eveneens nieuwe functies met zich mee, Pieter werd er diaken en kerkvoogd. Ook werd hij ‘brandmeester’ voor de gemeente, een functie die hij echter op moest geven toen hij in 1897 op 29-jarige leeftijd voor de liberale kiesvereniging tot lid van de Dordtse gemeenteraad werd verkozen. Nadat zijn kinderen leerplichtig waren geworden, wist men Pieter te strikken als bestuurslid en later voorzitter van het bestuur van School Mühring.

In 1907 werd De Kanter wethouder in Dordrecht. Zijn moeder maakte die benoeming niet meer mee, want zij overleed in april 1906. In het Dordtse college kreeg Pieter de portefeuille Onderwijs en Financiën. In de periode dat het onderwijs in de stad volop in ontwikkeling was, had met name dit beleidsterrein zijn volle aandacht. In september 1909 werd Pieter, als opvolger van S.M. Hugo van Gijn (1848-1937), ook in de Tweede Kamer gekozen. Dit deed hem een jaar later besluiten te stoppen als wethouder. Bij die verkiezing, toen nog volgens het districtenstelsel, was ARP-voorman Abraham Kuyper (1837-1920) zijn tegenstander. Toen zijn opvolger in het college echter om gezondheidsredenen in oktober 1912 stopte, nam Pieter zijn plaats weer in. Als Tweede Kamerlid stond De Kanter ‘rechts’ in de gematigd vooruitstrevende Liberale Unie, met de sociaaldemocraten in Dordrecht en Den Haag was de verhouding moeizaam. De verstandhouding met confessionele politici als bijvoorbeeld Theo Heemskerk (1852-1932), voorzitter van de ministerraad, was doorgaans beter. Zijn eerste periode als Tweede Kamerlid duurde tot september 1913, zijn tweede van oktober 1916 tot september 1918.

In 1914 richtte Pieter met enkele anderen in Amsterdam de vereniging Nederland in den Vreemde op. In 1902 werd hij bestuurslid en 1919 voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Verbond, een internationale vereniging ter bevordering van de Nederlandse taal en cultuur. Eind 1921 is Pieter geen raadslid en wethouder meer, ook is hij directielid af bij De Holland. Maar De Kanter werd in januari 1922 benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van de Bank voor Nederlandsche Gemeenten (BNG). Als gevolg van deze benoeming kwam er na een paar maanden ook een einde aan zijn derde periode als Tweede Kamerlid (november 1920-juli 1922). Kort hierna zou hij echter wel vanwege zijn nieuwe functie met zijn gezin naar Den Haag verhuizen. Gedurende zijn loopbaan werd Pieter in verschillende parlementaire commissies gekozen, van de commissie Leger en de commissie Verzoekschriften werd hij ook voorzitter. Bij officiële gelegenheden ontmoette hij koningin Wilhelmina en prins Hendrik een aantal keer, en bij een vakantie in Zwitserland blijken de koninklijke familie en de familie De Kanter – toeval of niet – hetzelfde hotel te hebben gekozen. Aan het einde van zijn periode als lid van de Zuid-Hollandse Provinciale Staten (1924-1935) strandde een poging om zich tot lid van de Eerste Kamer te laten verkiezen. De liberalen gaven de voorkeur aan het Statenlid Knottenbelt uit Rotterdam.

Met een onderbreking in de oorlogsjaren was Pieter tot februari 1946 directeur van de BNG. De oorlogsjaren brachten ook voor de familie De Kanter het nodige leed. Pieters vrouw Henriette overleed in april 1942, en een paar weken later werd zijn jongste zoon Constant door de nazi’s geïnterneerd in Sint-Michielsgestel. Pieter Johannes de Kanter kan worden herinnerd als een zeer betrokken Dordtenaar. In de Tweede Kamer hield hij zich onder meer bezig met onderwijs, buitenlandse zaken, arbeid, financiën, distributie en justitie. De stad zou hem vooral nog lang moeten roemen als pleitbezorger voor de Dordtse (maritieme) economie. Op 16 mei 1953 overleed Pieter, hij werd begraven op de Haagse begraafplaats Oud Eik en Duinen.

Bestuursfuncties en commissariaten (niet genoemd in de tekst)
Commissie tot oprichting Volksbadhuis te Dordrecht.
Vereeniging tot Bevordering van den Bloei van Dordrecht.
Dordrechtsche Stoombootmaatschappij.
Commissie voor verbetering van de waterweg naar de zee.
Lips, Residentie Hypotheekbank, Rotterdamsche Verzekering Sociëteiten (RVC).
Staatscommissie Electriciteitsvoorziening.

Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1921).
Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau (1939).
Zilveren Anjer (1950).

Bronnen en literatuur
www.parlement.com
www.delpher.nl (Onze Afgevaardigden, 1909).
Levensbeschrijving P.J. de Kanter (RAD 489, inv.nr. 30206).
Persoonlijkheden P.J. de Kanter (RAD 489, inv.nr. 30332).

Sander van Bladel (december 2020)

 

 

Sluit het Verborgen Museum