Pieter Catharinus Arie Geyl

15-12-1887 (Dordrecht)  -  31-12-1966 (Utrecht)

Pieter Geyl als student te Leiden omstreeks 1910 (Regionaal Archief Dordrecht 552-303155).

Geboren 15 december 1887 te Dordrecht, overleden 31 december 1966 te Utrecht. Oudste zoon van Arie Geijl (1852-1914), gynaecoloog en huisarts in Dordrecht (tot 1899) en Alida Charlotte Albertine van Erp Taalman Kip (1846-1937). Trouwde in 1911 met Maria Cornelia van Slooten. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Toos (1913-1998) en Wim (1916-1998). Het huwelijk eindigde met de dood van Corrie van Slooten in 1933. In1934 tweede huwelijk met Lien Kremer (1902-1979). Dit huwelijk bleef kinderloos.  Pieter Catharinus Arie Geijl gebruikte al vanaf zijn studietijd de naamsvariant Geyl omdat de ij in het Engels onbekend is.

Pieter Geyl was een internationaal befaamd historicus, die eredoctoraten van de universiteiten van Oxford en Harvard ontving en in 1958 de P.C. Hooft-prijs kreeg, de staatsprijs voor de Nederlandse letteren. Hij dankte zijn faam zowel aan zijn ‘Groot-Nederlandse’ geschiedschrijving als aan zijn historiografische essays waarin hij zich sterk maakte voor zowel een open geschiedschrijving (‘de discussie zonder eind’) als voor een open, democratische samenleving. Zijn vele polemieken riepen weerstand op maar bezorgden hem ook vele bewonderaars. Verscheidene van zijn boeken, zowel over de Nederlandse geschiedenis als over de historiografie, zijn in het Engels vertaald. Geyl publiceerde naast zijn werk als historicus zonder veel succes een dichtbundel en een detective.

Pieter groeide op in een gezin dat bol stond van de spanningen. Vader Arie Geijl, een gynaecoloog die bevriend was met zijn beroemde vakgenoot Hector Treub, had grote ambities die niet waargemaakt werden. Waar Treub het bracht tot hoogleraar, moest Arie Geijl genoegen nemen met de status van huisarts. Hij opende een praktijk aan het Maartensgat 11 te Dordrecht, maar kreeg al snel last van wanen. Veelvuldig medicijngebruik, in het bijzonder het gebruik van morfine, verergerde zijn kwaal slechts. In 1899 – Pieter was toen elf jaar – werd de praktijk gesloten en verhuisde het gezin naar Den Haag, waar Arie Geijl nog enkele vruchteloze pogingen deed aan de slag te komen. Financieel bijgestaan door vrienden en familie zou Geyl zich in de laatste jaren van zijn leven ontpoppen tot een uiterst productieve auteur op het gebied van de medische geschiedenis. Toch schonk hem dat geen bevrediging. Af en aan verpleegd in psychiatrische klinieken, pleegde hij uiteindelijk zelfmoord in de inrichting Sint Joris te Delft.

Pieter Geyl leed onder de depressies en woedeaanvallen van zijn vader, voor wie hij desondanks grote sympathie voelde. Als oudste van drie kinderen nam hij de vaderrol over en poogde tegelijkertijd zijn eigen idealen gestalte te geven. Na de middelbare school – die hij grotendeels doorliep op het gymnasium Haganum in zijn woonplaats Den Haag – ging hij Nederlands studeren aan de Leidse universiteit. Op de middelbare school was Geyl bevriend geraakt met de dichter P.N. van Eyck. Samen koesterden de vrienden aanvankelijk grote literaire aspiraties. Maar waar Van Eyck naam maakte als oorspronkelijk dichter, produceerde Geyl enkele draken van gedichten, geheel en al afgekeken van het hogelijk bewonderde werk van de Tachtigers.

Al snel vond hij zijn eigenlijke bestemming: de geschiedenis. Geyl liep onder meer colleges bij de hoogleraar P.J. Blok, bij wie hij in 1913 cum laude promoveerde op het proefschrift Christofforo Suriano. Resident van de Serenissime Republiek van Venetië in Den Haag, 1616-1623. Na een kortstondig leraarschap in Schiedam kreeg Geyl de mogelijkheid correspondent in Groot-Brittannië te worden voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij was nog maar amper in het land aangekomen toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Geyl deed uitvoerig verslag van de verwikkelingen in de Britse politiek ten aanzien van de oorlog.

Als student had Geyl in 1911 een ervaring die zijn leven een beslissende wending gaf. Hij was een van de Leidse afgevaardigden bij een Vlaams-Nederlands studentencongres te Gent. Daar trof hem de achterstelling van de Vlaamse taal en cultuur en ontpopte zich zijn Groot-Nederlandse engagement: Vlaanderen en Nederland zouden stam- en taalverwante volkeren zijn die eens gescheiden waren maar eigenlijk bijeen zouden horen. In Londen zette Geyl zich volop in voor die gedachte. In 1919 werd door de Nederlandse regering de leerstoel ‘Dutch Studies’ ingesteld met als doel de kennis van Nederland in Groot-Brittannië te vergroten. Geyl was de eerste bekleder van deze leerstoel. Als historicus zocht hij het spoor terug naar de zijns inziens noodlottige scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Hij bestreed zogenoemde ‘Klein-Nederlandse’ historici (onder anderen zijn leermeester Blok en H.T. Colenbrander) die de scheuring tussen Noord en Zuid als onvermijdelijk voorstelden in hun werk en daarbij niet zelden wezen op de religieuze tegenstelling tussen de protestantse Republiek der Zeven Provinciën en het rooms-katholieke Zuiden.

Nadat hij in de jaren twintig de Klein-Nederlandse historiografie probeerde af te breken, wilde hij een eigen Nederlandse geschiedschrijving ontwerpen. In de jaren dertig verschenen drie delen onder de titel Geschiedenis van de Nederlandse stam. Daarin probeerde Geyl niet alleen Noord en Zuid het volle pond te geven, maar bestreed hij ook de onvermijdelijkheid van de zestiende-eeuwse scheuring. Het waren in zijn ogen veeleer militaire en geografische omstandigheden die tot de scheuring hadden geleid dan godsdienstige. Hij wees erop dat de calvinistische machtsaanspraken in de Republiek niemand moesten misleiden: de rooms-katholieken vormden getalsmatig nog altijd een (zwijgende) meerderheid. Het waren destijds nieuwe inzichten in de historiografie, die Geyl de levenslange dank opleverden van vooral rooms-katholieke historici, voorop de Nijmeegse hoogleraar L.J. Rogier. Geyl sneed met zijn studies van de Republiek een ander controversieel thema aan en hij deed dat met dezelfde polemische slagkracht als waarmee hij de Klein-Nederlandse historiografie trachtte te verbrijzelen: hij schreef in de jaren twintig en dertig enkele studies (Willem IV en Engeland [1924] en Oranje en Stuart [1939]) waarin hij (tot ergernis van orangistische historici) een weinig vleiend beeld schetste van de Oranjes.

In 1936 kwam dan eindelijk de verlossing uit wat Geyl beschouwde als zijn Engelse ‘ballingschap’: hij werd benoemd tot hoogleraar in de Algemene en Vaderlandse geschiedenis na de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit Utrecht. De benoeming had heel wat voeten in de aarde: zijn Groot-Nederlandse engagement riep wantrouwen op en het gerucht ging dat koningin Wilhelmina not amused was met de benoeming van een hoogleraar die haar voorgeslacht nogal kritisch bejegende. Eenmaal in Utrecht toonde Geyl een nieuw engagement: hij toonde zich een fel tegenstander van de totalitaire stromingen nationaalsocialisme en communisme en trad om die reden toe tot de beweging Eenheid door Democratie. Hij schreef tevens kritische artikelen in het Utrechtsch Nieuwsblad over de ontwikkelingen in Nazi-Duitsland.

Na de Duitse inval in mei 1940 werd Geyl ontslagen als hoogleraar en in oktober 1940 werd hij samen met honderdzestien andere vooraanstaande Nederlanders (onder wie de latere premier Willem Drees) gearresteerd en afgevoerd naar Buchenwald. Na een jaar verhuisden de gijzelaars naar het Brabantse Sint Michielsgestel, waar ze een redelijk geprivilegieerd maar niet van gevaar ontbloot bestaan leidden: ze mochten boeken en sporadisch post ontvangen. Geyl ‘ontdekte’ hier de internationale historiografie. Hij schreef in gevangenschap de studie Napoleon. Voor en tegen in de Franse geschiedschrijving, die in 1946 voor het eerst werd gepubliceerd en die Geyl ook internationaal faam bezorgde. In dit boek lanceerde hij zijn beroemdste zin: ‘Men kan de geschiedschrijving opvatten als een discussie zonder eind’. Geen einde, maar eind: een onophoudelijk debat, waarin niemand het laatste woord had. Zo gaf Geyl zijn liberalisme als geschiedschrijver vorm. Hij zette zich af tegen denkers die zijns inziens een gesloten wereldbeeld nastreefden: de Britse historicus Arnold Toynbee en zijn Amsterdamse collega Jan Romein, door Geyl gretig als ‘leerling’ van Toynbee voorgesteld, hoewel Romein in werkelijkheid niet zo eenvoudig kan worden weggezet. Hoe dan ook verweet Geyl de christen Toynbee en de marxist Romein lijnen en patronen in de geschiedenis te ontwaren die er niet zouden zijn. Hij schreef na de Tweede Wereldoorlog indringende kritieken op beiden. Zijn kritiek op Toynbee leverde Geyl roem op in de Angelsaksische wereld, waar zijn ‘common sense’ werd gewaardeerd.

Zijn historiografische studies, aangevuld met essays over uiteenlopende schrijvers als William Shakespeare, Willem Bilderdijk, Conrad Busken Huet, Menno ter Braak en E. Du Perron, weerhielden hem van voltooiing van zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam, dat nooit voorbij 1795 kwam. Historicus en Geyl-kenner Pieter van Hees heeft (volgens velen terecht) betoogd dat Geyl het werk moeilijk kon afmaken omdat het korte, moeizame bestaan van ‘Groot-Nederland’ (1815-1830) bewees dat er geen duurzame eenheid bestond tussen Noord en Zuid. Niettemin verrichtte Geyl met zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam baanbrekend werk door de Nederlandse geschiedenis breder op te vatten dan historici tot dan toe gewoon waren te doen. Zijn kritische studies over de Oranjes doen nog altijd verfrissend aan en zijn gebaseerd op grondig onderzoek, ook in Britse archieven. Wel was Geyl als typisch politiek historicus al in zijn tijd enigszins ouderwets en bekoorde hij latere generaties minder dan zijn tegenpool Jan Romein, die met zijn pleidooi voor integrale geschiedschrijving in de jaren zestig tot en met tachtig van de vorige eeuw nog enige tijd furore maakte. In de laatste jaren van zijn leven kampte Geyl na een val enigszins met zijn gezondheid. Hij stierf op oudejaarsdag 1966, 79 jaar oud.

Bronnen en literatuur
Archief Pieter Geyl, Universiteitsbibliotheek Utrecht, afdeling Bijzondere collecties.
Wim Berkelaar, Leen Dorsman, Pieter van Hees (ed.), Pieter Geyl, ik die zo weinig in mijn verleden leef. Autobiografie 1887-1940 (Amsterdam 2009).
Wim Berkelaar, Pieter Geyl, in: Hans Achterhuis (e.a., red.), Kritisch denkers lexicon (Amsterdam 2004), p. 1-20.
Wim Berkelaar, “Als uw vrind verheug ik mij”. De ingewikkelde relatie tussen Pieter Geyl en P.J. Blok, in: L.J. Dorsman (red.), Jubileumnummer 120 jaar Tijdschrift voor Geschiedenis 1886-2006, themanummer Leermeesters, 119 (2006) nr. 4, p. 500-505.
Wim Berkelaar, Boosheid om een benoeming. Het Utrechtse professoraat van Pieter Geyl in 1935, in: De Republikein. Tijdschrift voor de ware democraat, 3 (2007) nr. 1, p. 54-59.
P. van Hees, Pieter Geyl (1887-1966), in: A.H. Huussen jr., E.H. Kossmann, H. Renner (red.), Historici van de twintigste eeuw (Utrecht/Antwerpen 1981), p. 144-162.
F.W. Lantink (red.), Nationalisme en historiografie: rondom Pieter Geyl. Afscheidsbundel voor Pieter van Hees (Utrecht 2005).

Wim Berkelaar (september 2013)

Sluit het Verborgen Museum