Petrus Marinus Keller van Hoorn

13-04-1825 (Sprang)  -  12-02-1908 (Dordrecht)

Portret van Petrus Marinus Keller van Hoorn

Petrus Marinus Keller van Hoorn werd op 13 april 1825 in Sprang (NB) geboren. Hij overleed op 12 februari 1908 te Dordrecht en werd hier op 15 februari begraven. Hij was de oudste zoon van Hen(d)ricus Johannes van Hoorn (Utrecht 1799-Amersfoort 1872), die predikant was in de Nederlandse Hervormde Kerk en Alida Johanna Keller (Rotterdam 1797-Hoorn 1880). Hij trouwde op 29 september 1853 te Utrecht met Maria Sophia Singels (1833-1917), dochter van Janus Cornelius Singels en Maria Sophia Stam(m) (overleden Warschau 31 oktober 1836).

Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren: Alida Johanna Hendrica (Abcoude-Baambrugge 5 juli 1854-Den Haag 21 februari 1940), Maria Anna Sophia (Abcoude-Baambrugge 24 januari 1856-Den Haag 11 november 1940), Hendricus Johannes (Abcoude-Baambrugge 18 oktober 1857-Marseille 24 december 1896), Jacoba (Noordwijk 12 oktober 1859-Den Haag 18 februari 1913), Janus Cornelis (Dordrecht 30 september 1861-Blitar in Nederlands-Indië 8 december 1897), Elisabeth Agnesia Johanna (Dordrecht 23 maart 1865-Eze (Fr.) 25 april 1928), Jan (Dordrecht 27 maart 1867-Algiers 21 april 1932), Willem (Dordrecht 4 januari 1869-Dordrecht 5 januari 1877).

Petrus Marinus Keller van Hoorn was predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk en vanaf 1860 stond hij als predikant in Dordrecht. Hij groeide uit tot één van de voormannen van de vrijzinnigheid in Dordrecht in een tijd dat juist de orthodoxie de overhand kreeg. In de oprichting van de Remonstrantse Vereniging speelde hij op de achtergrond een rol. Hij was erg actief in het maatschappelijke leven en had in veel verenigingen een plek in het bestuur. Hij stond bekend om zijn welsprekendheid en was een gevierd spreker tijdens onder andere de vergaderingen van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen.

Petrus Marinus Keller van Hoorn werd geboren in het Brabantse Sprang, de eerste standplaats van zijn vader. Hij werd vernoemd naar zijn grootvader van moeders kant: Petrus Marinus Keller. Keller van Hoorn groeide op in Amersfoort en ging daar naar het gymnasium. In deze tijd veranderde hij ook zijn achternaam in Keller van Hoorn, waarschijnlijk om uitsterven van de naam Keller te voorkomen. Op 27 november 1843 schreef hij zich in voor de studie theologie aan de Universiteit van Utrecht. Zes jaar later, op 1 mei 1849, werd hij benoemd tot proponent door het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel. Zijn eerste gemeente was de Nederlandse Hervormde Kerk te Baambrugge in Utrecht, waar hij op 25 november 1849 bevestigd werd. Tien jaar lang heeft Keller van Hoorn daar als predikant de gemeente gediend voordat hij in 1859 vertrok naar de Hervormde Gemeente Noordwijk-Binnen. Lang heeft hij daar niet gestaan, want een jaar later nam hij een beroep aan naar Dordrecht. Op 12 februari 1860 werd hij in Dordrecht bevestigd als opvolger van L.W.E. Rauwenhof. Keller van Hoorn werd in zijn lange leven diverse keren onderscheiden. Op zijn 50-jarig ambtsfeest werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op zijn tachtigste verjaardag in 1905 werd hij opnieuw onderscheiden en bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Keller van Hoorn ging niet prat op zijn onderscheidingen. Hij droeg ze niet in het openbaar. Volgens hem waren deze orden geen verdienste, maar slechts het ‘officiële bewijs dat hij een krachtig lichaam had.’

Keller van Hoorn was maatschappelijk een zeer betrokken mens. Hij was daarom in het verenigingsleven sterk vertegenwoordigd. Niet zelden was hij voorzitter of bekleedde hij een post in het bestuur. Te denken valt aan verenigingen als de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen en de commissie opgericht naar aanleiding van de cholera-epidemieën. Behalve door verenigingen was hij ook op andere manieren actief in de samenleving zoals door godsdienstonderricht en het voeren van correspondentie in de krant. Hij was kortom een invloedrijke figuur in het sociale leven van Dordrecht en daarbuiten.

Keller van Hoorn stond bekend als een goed spreker. Op vergaderingen van de Maatschappij tot het Nut van het Algemeen was hij regelmatig te horen. Er is niet veel van hem gepubliceerd maar één rede van hem is wel uitgegeven: Heinrich Schliemann en zijne archeologische onderzoekingen … gehouden te Dordrecht 25 september 1874. Hij besprak hierin met veel retoriek de persoon en het werk van Heinrich Schliemann die claimde de stad Troje ontdekt en opgegraven te hebben. Keller van Hoorn had veel bewondering voor Schliemann al liet hij ruimte voor eventuele twijfel over de authenticiteit van de bewering dat het om Troje ging. Uiteindelijk was voor hem het wetenschappelijke aspect niet het belangrijkste. Waar het Keller van Hoorn vooral om ging was de persoon Schliemann. Schliemann was de belichaming van de leus: ‘Ja het geloof overwint, en die zichzelf helpt, helpt God’. Schliemann begon zijn carrière als loopjongen en door karakter en inzet wist hij het te brengen tot beroemd en gefortuneerd archeoloog. Vanwege zijn eenvoudige afkomst werd hij door collega’s niet altijd serieus genomen, maar hij zette door en slaagde. In Schliemann ziet Keller van Hoorn een voorbeeld voor de Maatschappij waarin het tot een verzoening moet komen van handel en wetenschap en van kennis en kapitaal. Keller van Hoorn was erg trots op zijn redevoering en zond hem op naar Schliemann. Deze reageerde positief in een brief in het Nederlands. Keller van Hoorn was hier blij mee en zond de briefwisseling naar diverse kranten ter publicatie.

In 1877 kreeg Keller van Hoorn bezoek van Vincent van Gogh die toen nog geen schilder was en enkele maanden in Dordrecht verbleef. Dit blijkt uit brieven die Vincent van Gogh aan zijn broer Theo schreef. Van Gogh, zelf ook de zoon van een predikant, was op een religieuze zoektocht en kwam veel in de kerk, soms wel drie keer op een zondag. Aan Keller van Hoorn vroeg hij of hij niet voor predikant kon leren. Volgens Keller van Hoorn kon dit niet omdat hij geen gymnasiumopleiding had gehad. Uiteindelijk koos Vincent niet voor een loopbaan in de kerk, maar werd schilder.

Behalve wellicht voor de schilderkunst ligt de betekenis van Keller van Hoorn vooral in het feit dat hij gedurende de negentiende eeuw een voorman was van het modernisme in Dordrecht en dat is gebleven in een tijd dat de orthodoxie daar sterk opkwam. Vanaf 1867 mochten de gewone, meestal orthodoxe kerkleden de leden van de kerkenraad kiezen. De vrijzinnige Keller van Hoorn en zijn collega’s zagen zich hierdoor steeds meer geplaatst voor een conservatieve kerkenraad. Dit leverde de nodige spanningen op. Voorheen konden ook de vrijzinnige Remonstranten hun attestatie inleveren bij de Hervormde Kerk. In de zomer van 1897 legde echter de laatste vrijzinnige predikant (Ds. P. Steen) het ambt neer en waren de modernen herderloos. Keller van Hoorn was inmiddels ook al met emeritaat. Hij probeerde nog enkele preekbeurten te regelen, maar er was meer nodig. In 1897 werd de Remonstrantse Vereniging gesticht die later de Remonstrantse Broederschap zou worden. De vrijzinnigheid van Keller van Hoorn werd niet door iedereen gewaardeerd. Na zijn overlijden werd hij opgevolgd door de ‘ultra-rechtzinnige’ predikant J.G. Dekking te Hoorn aldus het Algemeen Handelsblad op 26 januari 1909. De meeste waardering komt uit de Remonstrantse en Doopsgezinde hoek zoals blijkt uit de toespraak van de doopsgezinde predikant A.J. van Loghum Slaterus op 16 februari 1908 ter nagedachtenis van Keller van Hoorn.

Publicaties
Eenheid (Haarlem 1871).
Heinrich Schliemann en zijne archeologische onderzoekingen. Redevoering uitgesproken door P.M. Keller van Hoorn bij de opening van de algemeene vergadering der Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen gehouden te Dordrecht 25 september 1874, in: Verslag van het verhandelde op de algemeene vergadering der Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, gehouden te Dordrecht, 25 september 1874, en redevoering bij de opening door P.M. Keller van Hoorn (Amsterdam 1874).
Lichtstralen, (Leiden 1890).

Literatuur
A.J. van Loghum Slaterus, Gedenkt uw voorgangers. Toespraak gewijd aan de nagedachtenis van ds. P.M. Keller van Hoorn in leven Nederlands Hervormd predikant te Dordrecht gehouden in de Doopsgezinde kerk op zondag 16 februari 1908 door A.J. van Loghum Slaterus doopsgezind predikant. (Dordrecht 1908).
E.H. Cossee, Het Remonstrantisme te Dordrecht, in: E.H. Cossee, H.A.M.E. van der Linde-Brugman, M.I. Wagenaar-Koopmans, Eenheid in het nodige. Gedenkboekje, samengesteld ter gelegenheid van het 80-jarige bestaan der Remonstrantse Gereformeerde Gemeente te Dordrecht (Dordrecht 1977).
W. Arentzen, Schliemann en Nederland, een leven vol verhalen (Leiden 2012).

Wim Koole (december 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum