Otto Dingeman Dicke

03-05-1918 (Dordrecht)  -  12-12-1984 (Dordrecht)

Portret van Otto Dicke (Regionaal Archief Dordrecht 552_301084)

Otto Dingeman Dicke werd geboren in Dordrecht op 3 mei 1918 en overleed aldaar op 7 december 1984. Hij werd begraven op 12 december 1984 op begraafplaats De Essenhof te Dordrecht. Hij was het zevende van elf kinderen geboren uit het op 19 juni 1907 te Dordrecht gesloten huwelijk van Carel Matthijs Dicke, koopman, raadslid en wethouder voor de Anti-Revolutionaire Partij te Dordrecht (Dordrecht 28 oktober 1884-Dordrecht 14 februari 1956) en van Adriana Levina Slijper (Dordrecht 23 november 1883-Dordrecht 30 augustus 1961). Helena Cornelia (Lenie) Dicke, verzetsvrouw, (9 februari 1922- Warnsveld 1 oktober 2000) was een zuster van Otto.

Otto Dicke trouwde op 7 maart 1946 in Dordrecht met Elsje van Wingerden (Zwijndrecht 15 februari 1919-Dordrecht 25 januari 2007). Zij was een dochter van Jordaan van Wingerden (Zwijndrecht 14 mei 1876-Zwijndrecht 30 april 1934) en Dirkje Baan (Zwijndrecht 2 februari 1880-Dordrecht 27 september 1958). Uit het huwelijk van Otto en Elsje werden vier kinderen geboren (allen te Dordrecht): Anna (17 december 1946), Hendrik Adolph (26 maart 1948), Otto Jan (1 mei 1951) en Dirk Willem (19 september 1954).

Otto Dicke was docent, cartoonist, illustrator, glaskunstenaar, maar vooral: een gedreven tekenaar. Tekenen was voor Dicke vanaf zijn vroege jeugd een levensbehoefte. In zijn vak bereikte hij een zeer hoog niveau. Hij was autodidact (zelf noemde hij zich ‘Ottodidact’). Na enige tijd werkzaam geweest te zijn in de wereld van de reclame, vestigde hij zich na de oorlog in Dordrecht als succesvol zelfstandig kunstenaar. Hij vervulde vele opdrachten, maar hechtte ook zeer aan zijn ‘vrije’ werk. Hoewel hij geen muziekles kreeg en geen noot kon lezen, bespeelde hij het orgel, de piano en het spinet met gemak. Muziek, en met name de muziek van J.S. Bach (1685-1750), was zijn tweede grote passie. Met zijn geboortestad had hij een hechte band en bracht haar in honderden tekeningen in beeld.

Otto Dicke werd geboren in een oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige familie. Hij groeide op in een groot, ‘vrolijk gereformeerd’ gezin. Het gezin bewoonde een groot pakhuis annex woonhuis, genaamd In het Zeepaard, aan de Prinsenstraat 3, op de hoek met de Bomkade. Hij bezocht de ‘bewaarschool’ aan het Kromhout en de gereformeerde Ds. H. Bavinckschool voor lager onderwijs. Op de HBS wilde het niet vlotten. De leerstof boeide hem maar matig; het tekenen van cartoons van zijn docenten des te meer. Na drie jaar verliet hij de HBS. Zijn ouders lieten Otto geen kunstzinnige opleiding volgen, al zagen zij zijn tekentalent. Op de ambachtsschool werd hij opgeleid tot reclameschilder. Daar kwam Dicke via medeleerling Jordaan van Wingerden (1920-1991) uit Zwijndrecht, in contact met diens zuster Elsje. Zij zou zijn levenspartner worden.  Bij reclamestudio Jaap Kastelein in Dordrecht ging hij aan de slag voor tweeëneenhalve gulden per week, maar hij had het er niet naar zijn zin.

Na zijn militaire dienstplicht trad hij in dienst van reclamebureau De La Mar in Amsterdam. Hij genoot er van de creatieve sfeer en kwam er in aanraking met tekenaars als Frits van Bemmel (1898-1981) en Eppo Doeve (1907-1981), voor welke laatste hij grote waardering had. Hij volgde er een driejarige opleiding. Het was zijn leerschool, zijn ‘Academie’ zo zei hij zelf.  Aan zijn loopbaan bij De La Mar kwam een voorlopig einde toen hij in augustus 1939 werd gemobiliseerd vanwege de oorlogsdreiging. Zijn oorlogsbestemming was Monster in het Westland, waar hij als verbindingsofficier een seinafdeling leidde. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd hij naar vliegveld Ockenburg gedirigeerd. Daar werd hevig gevochten. De Duitsers veroverden het vliegveld, maar het werd op 13 mei heroverd door het 1e Bataljon Grenadiers. De algehele capitulatie bleek echter toch onvermijdelijk. Dicke werd krijgsgevangen gemaakt, maar werd spoedig in vrijheid gesteld. Evenals zijn zuster Lenie raakte hij betrokken bij het verzet. Het woonhuis van de familie speelde een belangrijke rol voor het verzet. Er werden onder meer vergaderingen gehouden en wapens en munitie opgeslagen. Otto illustreerde het plaatselijke verzetsblad.

Hij keerde voor korte tijd terug naar De La Mar maar nam ontslag en keerde terug naar Dordrecht. Om aan de ‘Arbeitseinsatz’ te ontkomen dook hij met broer Ties onder in Meerkerk in de Alblasserwaard. Ze ontkwamen aan ontdekking dankzij de ‘goede’ burgemeester die hen waarschuwde voor een op handen zijnde inval. Eenmaal terug in Dordrecht en voorzien van een vals persoonsbewijs, ging hij verder met tekenen en schilderen. Daartoe gebruikte hij het brugwachtershuisje aan de Leuvebrug, vlakbij zijn woonhuis, aan de voet van de Grote Kerk. Dit huisje zou later ook werkruimte bieden aan dichter C. (Kees) Buddingh’ (1918-1985) en schilder Bouke IJlstra (1933-2009). In 1944 hield hij zijn eerste tentoonstelling op de zolder van zijn ouderlijk huis. Dat was een illegale daad, want Dicke had zich niet gemeld voor de Kultuurkamer. Er kwamen driehonderd bezoekers. Zijn besluit stond vast: na de bevrijding zou hij een atelier huren in Pictura en zich volledig wijden aan de kunst. Hij vond inspiratie in het werk van onder anderen Rembrandt (1606-1669), Honoré Daumier (1808-1879) en Katsushika Hokusai (1760-1849).

Op 3 januari 1945 werd zijn zuster Lenie door de Duitsers gearresteerd en ingesloten in het huis van bewaring aan de Doelstraat op (terechte) verdenking van verzetsactiviteiten. Op 8 januari werd zij door het verzet met geweld bevrijd om te voorkomen dat zij onder marteling mogelijk zou ‘doorslaan’. Zij wist, verkleed als verpleegster, Dordrecht snel te verlaten. Twee dagen later kon Otto, die naar Zwijndrecht was gevlucht, vanuit de woning aan het Veerplein waar hij verbleef, zien hoe zijn ouderlijk huis door de Duitsers als represaille in brand werd gestoken. Lenie overleefde de oorlog en zou op 1 mei 1957 trouwen met Otto’s collega-tekenaar Philip Kouwen (1922-2002).

Na de bevrijding bood De La Mar hem honderd gulden per week als hij weer in dienst wilde treden, maar Otto’s besluit stond vast: hij zou als zelfstandig kunstenaar verder gaan. Dicke trad in 1945 toe tot Teekengenootschap Pictura en huurde er een atelier. Hij volgde lessen modeltekenen en leerde er kunstenaars kennen zoals Cor Noltee (1903-1967), Daan Mühlhaus (1907-1981), Toos Neger (1910-1986), Leo Marchand (1913-1996), Hans Petri (1919-1996), Lou ten Bosch (1923-2018) en Philip Kouwen. Een klein jaar na de bevrijding trouwde hij met Elsje. Het paar vestigde zich aan de Vorensaterstraat. Dicke typeerde de situatie als ‘gezellige armoe’. In Dordrecht verhuisde het gezin later meermaals: naar de Matthijs Balenstraat, de Erasmuslaan, de Oranjelaan en tenslotte de Vijverweg.

De balans tussen zijn ‘vrije’ werk en de opdrachten die hij ontving, ervoer hij soms als een probleem. Zijn opgebouwde reputatie als illustrator en zijn werkdrift leidden ertoe dat vele vooraanstaande bedrijven hem wisten te vinden. Philips was daar een voorbeeld van. Voor de VARA illustreerde hij vijftien jaar lang De Radiogids. Hij deed zulk werk overigens met plezier. Via uitgever Reinold Kuipers (1914-2005) van de Arbeiderspers kwam hij in contact met Simon Carmiggelt (1913-1987). Kuipers zag een match tussen diens populaire kinderverhalen en de kindertekeningen van Dicke. Deze samenwerking leidde tot een levenslange band. In 1955 ontstond ook een samenwerking met schrijver C. (Kees) Buddingh’. Tien jaar lang verscheen dagelijks de strip Spekkie en Blekkie  in het Dordtsch Dagblad en De Rotterdammer.

Ook de KLM wist Dicke te vinden. Hij kreeg in 1957 met andere kunstenaars opdracht een tekening op locatie te maken voor de jaarlijkse KLM-kalender van 1959. Hij koos Japan als bestemming omdat hij zich verwant voelde met de Japanse prentkunst. Hij bezocht Tokio, Osaka en Kioto. De communicatie verliep voornamelijk non-verbaal. Hij dompelde zich onder in de drukte en de Japanse cultuur en maakte tekeningen van landschappen, het stadsleven, tempels en sumoworstelaars. Hij verbleef uiteindelijk enkele weken in Japan en maakte er honderdvijftig tekeningen. De beoogde kalender van 1959 zou wegens bezuinigingen bij de KLM echter nooit verschijnen. Zijn tekeningen en ervaringen gebruikte hij voor lezingen en geïllustreerde artikelen.

In 1960 nodigde Pierre Janssen (1926-2007), directeur van de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten, Dicke uit daar parttime docent te worden. Hij aanvaardde die uitnodiging met plezier. Hij onderwees modeltekenen en vervulde zijn taak met geestdrift. Hij zou deze taak negentien jaar vervullen. Gemiddeld werkte hij vier dagen op zijn atelier aan opdrachten. Een dag en avond gaf hij les op de Academie. De zaterdag was voor vrij werk, veelal in Dordrecht, zijn geliefde Alblasserwaard of Krimpenerwaard. Hij maakte vanaf 1960 autoreizen naar Parijs, de Dordogne, de Auvergne en in 1971 naar Hongarije. De auto werd vaak gebruikt als atelier. Dichter bij huis was Drente een geliefde streek.

Langzamerhand liet hij het geloof achter zich, zonder zich er nadrukkelijk tegen af te zetten. Het was hem onbegrijpelijk dat er in de gereformeerde kerk werd geruzied en het zelfs tot een kerkscheuring kwam (de Vrijmaking, 1944), terwijl de wereld in brand stond. Dicke was later op verschillende manieren maatschappelijk geëngageerd. In 1967 toonde hij zich bewogen over de rol van de VS in Vietnam en voelde zich steeds sterker verbonden met de antimilitaristische en vrijzinnige koers van predikanten als Willem Banning (1899-1980) en Jan Buskes (1888-1971). Hij liep mee in vredesdemonstraties, vanzelfsprekend met een zelfgetekend bordje. Dichter bij huis voelde hij zich geraakt door de sanering van de oude Dordtse binnenstad. Hij legde de sloop en de afbraak in tekeningen vast.

Ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag organiseerde het Dordrechts Museum een overzichtstentoonstelling (1983). Terugkijkend op zijn loopbaan was hij soms onzeker en twijfelde aan de keuzes die hij had gemaakt. Had hij zijn vrije werk niet te veel verwaarloosd? In 1979 werd de diagnose darmkanker gesteld. Langzaam ging het met zijn gezondheid bergaf. In de laatste fase ging de aftakeling snel. Hij overleed op 7 december 1984. Dicke had bij het bestuur van Pictura bedongen dat zijn atelier na zijn dood nog een jaar op zijn naam zou blijven staan, zodat zoon Henk met zwager Philip Kouwen de nalatenschap kon inventariseren en ordenen.

Publicaties
Otto Dicke publiceerde talrijke boeken met tekeningen onder eigen naam en illustreerde eveneens vele boeken geschreven door bijvoorbeeld ds. Hans Bouma en Simon Carmiggelt.

Vernoeming
Otto Dickeplein te Dordrecht.

Onderscheidingen
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (27 april 1973).
Ereburger van de gemeente Dordrecht (6 januari 1981).

Bronnen en literatuur
http://www.dordrechtsmuseum.nl/
Film over de Dordtse kunstenaar Otto Dicke (SGD 16 mei 2018, te zien op YouTube).
W. Wilmink, Een leven getekend (documentaire 1983).
Dicke, Otto Dingeman (RKD).
K. Sigmond e.a., Dicke in Dordt. Jaarboek 2018 van de Vereniging Oud-Dordrecht (Dordrecht 2018).
M. Dicke, H.Dicke (red.), Otto Dicke. Tekenaar 1918-1984 (Dordrechts Museum 2018).
Tekengek’ Otto Dicke, in: Culthure (december 2018).

Roel Leentvaar (april 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum