Ocker Repelaer van Driel

17-10-1759 (Dordrecht)  -  27-10-1832 (Den Haag)

Portret van Ocker Repelaer van Driel (circa 1810, Regionaal Archief Dordrecht 552_328727)

Ocker Repelaer werd 17 oktober 1759 in Dordrecht geboren en overleed 27 oktober 1832 in Den Haag. Hij was de zoon van Hugo Repelaer (Dordrecht 13 mei, gedoopt 17 mei 1730-Den Haag 13 mei 1804, begraven te Dordrecht op 19 mei), burgemeester van Dordrecht (1778, 1782, 1789, 1794), drossaard (schout/baljuw) van Liesveld (ZH), en Susanna Catharina Gevaerts (Dordrecht 14 mei 1738-Dordrecht 14 juli, begraven 19 juli 1766).

Ocker Repelaer ondertrouwde op 27 september 1801 in Dordrecht en Nijmegen; trouwde 22 oktober 1801 in Dieden (bij Oss) met Elisabeth Maria Hermina Singendonck (Den Haag 27 oktober 1774-Nijmegen 15 oktober 1837). Zij was de dochter van Coenraad Diederik Neomagus Singendonck (Nijmegen 1727- Dieden 1792), postmeester-generaal in Nijmegen, gecommitteerde in de Staten-Generaal, en Elisabeth Bonifacia Dierquens (Den Haag 1740-Nijmegen 1807). Uit het huwelijk werden zes kinderen geboren: Elisabeth Bonifacia (Den Haag 23 augustus 1802-Nijmegen 11 april 1841); Hugo (Den Haag 21 april 1804-Den Haag 28 september 1878); Ocker (Den Haag 11 september 1805-Bloemendaal 24 februari 1859); Johan (Den Haag 28 december 1808-21 juni 1818); Henriëtte Susanne Angelique (Den Haag 7 december 1809-Nijmegen 13 april 1838); Paul Johan Adriaan Willem (Den Haag 22 september 1811-Den Haag 2 maart 1821).

Ocker had rechtswetenschappen gestudeerd, maar was nauwelijks als jurist werkzaam. Hij was bovenal politicus op lokaal en nationaal niveau. Repelaer was orangist en een voorstander van stadhouderlijk bestuur. Dat leidde tot botsingen met patriotse tegenstanders. Zijn ijver om de Republiek te behouden voor de stadhouder leidde tot zijn arrestatie en een jarenlange gevangenschap. Toen de patriotten aan zeggenschap hadden ingeboet, verscheen Repelaer weer op het politieke toneel. Het werd een periode van herwaardering van zijn kwaliteiten. Hij vervulde nog belangrijke ambten als minister onder koning Willem I. Repelaer was vrijmetselaar en was aangesloten bij de Nationale Grote Schotse Loge die de hoofdzetel in Brussel had.

Ocker Repelaar groeide op in een voornaam en welgesteld gezin van zeven kinderen, drie meisjes en vier jongens. Ocker meldde zich in augustus 1771 bij rector Antony de Rooij (1724-1806) die hem inschreef als leerling voor de eerste klas van de Dordtse Latijnse school. Zijn verblijf was niet van lange duur. Hij zal elders voldoende Latijn hebben opgedaan voor een academische studie. Ocker schreef zich 20 januari 1778 in als student in Leiden. Die dag schreven ook zijn broers Johan (17 jaar) en Hugo (16 jaar) zich daar in, alle drie voor een rechtenstudie. Zijn broer Paulus (12 jaar!) schreef zich een dag eerder in als Leidse student, maar koos voor de Letteren, de artes oude stijl, een soort bovenbouw van de Latijnse school. Paulus zou in februari 1790 promoveren in de rechten. De inschrijving van de vier broers ging gepaard met de registratie van een ‘ephorus studiosorum’, een toezichthouder, verzorger en mogelijk repetitor van de broers. Vader Hugo Repelaer had daarvoor Rudolf Abdorf gekozen, een 30-jarige Zwitser uit Mulhausen die in Dordrecht woonachtig was.

Ocker was nauwelijks aan de universiteit begonnen of vader Hugo vond een ambt voor hem in Dordrecht. Samen traden zij vanaf 1779 tot 1794 op als ontvangers van de convooien en licenties, vergelijkbaar met douaneformaliteiten. Tevens werd Ocker op voorspraak van zijn vader in 1779 benoemd tot secretaris van de Krijgsraad. Hij promoveerde in de rechtswetenschappen op 5 november 1782. Reeds in 1784 en 1785 werd hij vanuit Dordrecht afgevaardigd in de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland. In 1787 volgde Ockers benoeming tot lid van de Oudraad. Hij was ook regelmatig schepen en lid van de schepenrechtbank (1788-1789 en 1792-1793). In de periode 1790-1795 was hij enkele malen lid van de Dordtse weeskamer. In 1792 volgde Ocker zijn broer Johan op als heemraad van de Alblasserwaard.

Frankrijk verklaarde 1 februari 1793 de oorlog aan Engeland en de Republiek. Ocker was tot 1795 als commissaris-generaal belast met de zorg van het leger te velde. In december 1794 vertrok hij met Gerard Brantsen (1734-1809) naar Parijs om daar een wapenstilstand te bereiken en vredesonderhandelingen te beginnen. Stadhouder Willem V had mondeling van een Franse regeringscommissaris de toezegging gekregen dat Frankrijk met de Republiek een afzonderlijke vrede wilde sluiten. Parijs wist echter van niets en van een wapenstilstand was geen sprake; intussen had het Franse leger met medewerking van de patriotten, die onder generaal Daendels (1762-1818) een legioen leverden, de Republiek in januari 1795 bezet.

Ocker, aanhanger van de stadhouder, had al eerder geprobeerd de Republiek voor Willem V te behouden en correspondeerde met hem en enige van diens hofleden, ook toen de stadhouder al naar Engeland was gevlucht. Op 30 juni 1795 werd Ocker wegens landverraad door het Comité van Algemene Waakzaamheid in Den Haag gearresteerd en ingesloten in de Gevangenpoort. Bij huiszoeking van de kamers die hij in Den Haag aan het Lange Voorhout huurde, werden verdachte brieven gevonden, gedeeltelijk in geheimschrift. De aanklagers meenden dat Ocker c.s. een contrarevolutie voorbereidden om de Republiek terug te geven aan de stadhouder.

Procureur-generaal Cornelis Felix van Maanen (1769-1846) wees als aanklager het Hof op Repelaers correspondentie waarin sprake was van ’geweldadige aanslagen en projecten tot het formeeren eener contrarevolutie’. Bovendien had Repelaer geprobeerd een Pruisische minister over te halen met de Republiek een coalitie te vormen en had daarover de erfprins geïnformeerd. Van Maanen zag naar aanleiding van de gevonden correspondentie maar één straf voor Repelaer: ‘met het zwaard te worden gestraft, dat er de dood navolgde’. De strafeis was echter nog geen vonnis en Repelaer voerde met de hulp van een uitstekende advocaat een gloedvolle verdediging. Mede door veranderde tijden had de verdediging succes en de straf werd in 1797 bepaald op zes jaar gevangenis met aftrek van het voorarrest. De resterende vier jaren bracht Ocker door op Kasteel Woerden; op 1 mei 1801 kwam hij vrij.

In oktober dat jaar trouwde hij in Dieden. Tijdens zijn huwelijk werd hij, waarschijnlijk door een testamentaire beschikking, ambachtsheer van Driel in de Betuwe. Ocker had het heemraadschap van de Alblasserwaard weer opgepakt, maar legde die functie op 1 februari 1804 neer. Waarschijnlijk gebeurde dat, doordat hij in juni 1803 een van de vijf plaatsen in de ‘Raad van de Amerikaanse koloniën en bezittingen’ accepteerde. De Raad was verantwoordelijk voor het bestuur van de voormalige bezittingen van de WIC.

Tijdens het Koninkrijk Holland werd Repelaer in juni 1808 benoemd tot lid van de Raad van State. De inlijving bij Frankrijk in juli 1810 was aanleiding zich uit de ambtenarij terug te trekken. Alleen in zijn geboortestad accepteerde Ocker in 1812 de benoeming tot sous-prefect van het arrondissement Dordrecht. Repelaer nam deel aan het verzet tegen Frankrijk en aan de voorbereidingen voor een terugkeer van erfprins Willem Frederik (1772 -1843). Toen die 30 november 1813 in Scheveningen aankwam, was Ocker Repelaer in Engeland. Hij verbleef daar van 26 november tot 3 december 1813 en hield er voor de stadhouder een dagboek bij over de zaken die hij daar regelde. Eervol was zijn benoeming als lid van de commissie die onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) de grondwet voorbereidde voor het komende Koninkrijk.

Na de inhuldiging van koning Willem I werd Ocker in april 1814 directeur-generaal van Waterstaat. Door een wijziging van de grondwet in 1815 werd onderwijs een zelfstandig ministerie en het ministerschap werd Repelaer toevertrouwd. Het lager onderwijs was in de Zuidelijke Nederlanden slecht geregeld, geschikte onderwijzers en gebouwen ontbraken. Repelaer liet daar kweekscholen voor onderwijzend personeel oprichten en verstrekte subsidies voor scholenbouw. De minister zorgde voor een goede inspectie van de Latijnse scholen in het Koninkrijk en breidde het vakkenpakket uit. De universiteiten veranderden eveneens, er kwamen nieuwe faculteiten en Repelaer voerde de graden ‘kandidaat’ en ‘doctor’ in. Het Latijn als voertaal bij het universitaire onderwijs werd gehandhaafd. In het Zuiden werd de opgeheven universiteit van Leuven hersteld en kregen Luik en Gent een universiteit toegewezen die in 1817 met het onderwijs begonnen. In maart 1818 nam Ocker Repelaer ontslag als minister en bovendien als directeur van de Hervormde Eredienst.

De laatstgenoemde functie, de zorg voor de Protestantse Eredienst, had hij in 1815 op zich genomen. Voor de Katholieke Eredienst werd de Zuid-Nederlander Melchior Goubau (1757-1836) benoemd. Willem I stelde 1 april 1816 het ‘Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk’ vast. De Kerkorde van 1619 werd hierdoor afgeschaft. De Hervormde Kerk werd voortaan onder het bestuur gesteld van een college dat boven de provinciale besturen stond, want er moest landelijke eenheid komen. De positie van de kerkenraden en de classes werd van ondergeschikt belang. Ondanks protesten, van onder andere de Dordtse Waalse gemeente, werd dit reglement van bovenaf opgelegd. Op 3 juli 1816 opende Ocker Repelaer als directeur-generaal van de Hervormde Eredienst namens de koning de nieuwe Algemene Synode.

Na zijn ontslag uit deze functies werd hij lid van de Raad van State en bereidde zich voor op een functie in Brussel. In 1819 verhuisde Repelaer met zijn gezin naar het Zuiden voor het gouverneurschap van de Algemene Maatschappij tot bevordering van volksvlijt, recent door Willem I opgericht. Deze industriebank verstrekte kredieten op lange termijn aan industrie en mijnbouw. Ocker vervulde deze functie tot 1830 toen de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden hem noodzaakte terug te keren naar Den Haag. Daar was Ocker Repelaer van Driel vanaf juli 1818 nog lid van de Provinciale Staten van Holland en zou dat tot zijn overlijden in 1832 blijven.

Enkele lidmaatschappen
Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1816).
Honorair lid Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (1817).
Erelid Académie Royale des Sciences et Belles Lettres de Bruxelles (1818).
Erelid Société d’ Emulation de Liège (1819).
Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (1822).
Nationale Groote Schotsche Loge. ‘In het jaar des Grooten Lichts 7791’.

Onderscheidingen
Door Lodewijk Napoleon: Ridder in de Koninklijke Orde der Unie (1809).
Door Napoleon I: Ridder in de Keizerlijke Orde der Reünie, de Ordre Imperial de la Réunion (1810).
Door Willem I: Verheven in de adelstand (1814) en benoemd tot Commandeur van de Orde in de Nederlandse Leeuw (1815).

Bronnen
RAD: toegang 98, 125, 150, 256, 489.
Rapport van het Committé van Algemeene Waakzaamheid in de zaak van Ocker Repelaer (Den Haag 1795).
Album Studiosorum, Academiae Lugduno Batavae, 1575-1875, kolom 1127 (Den Haag 1875).
BWN: deel 16, p. 270-272.
NNBW: deel 3, p. 1071-1072.
Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren: Ocker Repelaer.
R. van Ditzhuyzen, Onderwijs als opdracht (Den Haag 1977), p. 81-87.
M. Siegenbeek, Levensbericht van Ocker Repelaer, in: Jaarboek van de Maatschappij van de Nederlandse Letterkunde, 1833.

Cees Esseboom (maart 2018)

 

Sluit het Verborgen Museum