Matthijs van de Merwede

07-07-1613 (Geertruidenberg)  -  03-03-1664 (Vietnam)

Portret van Matthijs van de Merwede met rechts aan de muur zijn familiewapen, getekend en geëtst te Rome in 1650 door Jan van Bronckhorst (Regionaal Archief Dordrecht 551-11001).

Matthijs van de(r) Merwede (Merwe, Merovingius), heer van Clootwijck, jonker, rentmeester van de heerlijkheid Geertruidenberg (domein van Oranje) en dichter. Publiceerde onder zijn initialen M.V.M.[Hr.]V.Cl. Geboren Geertruidenberg 7 juli 1613, overleden voor de zuidkust van Vietnam 3 maart 1664. Enige zoon van Johan Matthijsz van Clootwijck, rentmeester van de heerlijkheid Geertruidenberg, en Cornelia Willemsdr van Beveren. Huwt circa 1655 Debora van Spronssen, overleden op zee 1662. Hieruit drie zoons: Adriaan Victor, Johan Jacob, en Daniël. Matthijs van Clootwijck nam de naam en het oude familiewapen Van de Merwede weer op.

Matthijs van de Merwede, een sceptisch en kritisch libertijn, was de auteur van de enig bekende erotische gedichtenbundel uit de tijd van de Republiek. Hij bezingt daarin plastisch zijn liefde voor zijn onbereikbare Dordtse vlam Amaril(li), zijn nichtje Amarentia of Emerentia, dochter van zijn oom Carel van Beveren, en zijn seksuele omgang met een aantal zeer jonge meisjes in Italië tijdens zijn grand tour in 1647-1650. De bundel werd herhaaldelijk herdrukt maar wekte tot in de twintigste eeuw schandaal vanwege Matthijs’ vrijmoedige seksuele expressie.

Van moederskant en later door zijn huwelijk behoorde hij tot het Dordtse patriciërsmilieu. Zijn moeder was een dochter van Willem Cornelisz van Beveren (1556-1631), heer van Strevelshoek, meermaals burgemeester en vele jaren gedeputeerde van Dordrecht. Zijn zuster Amarentia van Clootwijck huwde de Dordtse regent Maximiliaan van der Meer van Berendrecht. Na de vroege dood van zijn vader in 1625 volgde hij hem in het rentmeesterschap op, maar vanwege zijn jeugd werd dit ambt van 1626 tot 1654 waargenomen door zijn oom Carel (Charles) van Beveren en vanaf 1655 door Christoff Carel. Omdat Matthijs al van jongs af het vaderlijke erfgoed verkwistte, weigerde zijn oom hem na diens terugkeer uit Rome het rentambt over te dragen. In 1651-1654 voerde Matthijs hierover met succes verscheidene processen. In 1659 trad hij zelf op als rentmeester.

Na het overlijden van zijn moeder in 1626 werd Matthijs op de Latijnse school te Dordrecht geplaatst, onder rector Isaac Beeckman; in 1629 was hij op de Hieronymusschool te Utrecht onder de Dordtse oud-rector Antonius Aemilius. Op 12 juni 1634 als student rechten te Leiden ingeschreven, maakte hij vervolgens een educatiereis naar Frankrijk waar hij in het voorjaar van 1639 aan de universiteit van Orléans het licentiaat in de rechten verwierf. In juli 1639 woonde hij in de Faubourg Saint-Germain te Parijs, in de jaren ’40 in Den Haag.

In 1646 begon hij aan een grand tour naar Italië, samen met zijn neef Adriaen Adriaensz van Blijenburg, heer van Naaldwijk (1616-1682, zoon van zijn tante Carolina Willemsdr van Beveren) en de Leidse hoogleraarszoon Nicolaes Heinsius, om ‘te leeren wat Italien ende d’Italianen zijn’, vooral op grond van hun wellustige reputatie. Vermoedelijk moest de 33-jarige jonker toen al om een amoureus avontuur de Republiek verlaten. Via Engeland (1646) en Frankrijk gingen ze naar Italië. Bij zijn inschrijving aan de Germaanse Natie van de universiteit Padua (13 juni 1647) noemde Matthijs zich ‘edelman uit het Land van Altena’ (waar hij de hofstad Emmichoven bezat). Op 27 augustus 1647 meldde hij zich bij de Natie van Siena. Kort daarna trok hij naar Rome waar hij bijna drie jaar bleef wonen. Hij leidde er een onstuimig leven als lid van de Bentveughels, het genootschap van Nederlandse kunstenaars die in hun stamherberg inwijdingsrituelen hielden en in de voormalige kerk Santa Costanza drinkgelagen organiseerde ter ere van wijngod Bacchus. Bij een uitstapje naar Napels werd hij slachtoffer van zeerovers.

Na een hevige aanval van darmkrampen en hoge koorts kreeg hij in november 1647 van zijn arts Alfonso Ferri de raad een meisje bij zich in huis te nemen om zijn ‘al te grooten hitt’ te dempen. Hij vatte dat op als een advies om seksueel actiever te worden, en deed dat op heel eigen wijze, los van de kerkelijke moraal en de normen van burgerlijk fatsoen. In zijn autobiografische gedichtenbundel Uytheemsen oorlog ofte Roomse min-triomfen (1651) vertelt hij gedetailleerd, maar versleuteld door veel dubbelzinnige woordspelingen, over zijn avontuurtjes en relaties met een groot aantal heel jonge meisjes in de Italiaanse steden, vooral in Rome, gewoonlijk voor geld, vaak aangebracht door een koppelaarster en soms met medeweten van hun ouders. In het voorwoord plaatst hij zich in de traditie van Pierre Charron en Michel de Montaigne, die zich door de rede en de natuur lieten leiden, niet door de publieke opinie, de geestelijkheid of schijnheilige ‘pilaarbijters’. Uiteindelijk werd hij door de Luikse pater Meurs in Rome aangeklaagd wegens ‘nonnenschenderij’, maar weer vrijgelaten door tussenkomst van de chirurgijn Herman Keulers uit Tienen, de huisarts van de Bentveughels. De dood van zijn laatste maîtresse en de dodelijke ziekte van zijn geliefde jongste zus Margaretha, voor wie hij in 1643 het Hooglied had vertaald, deden hem op 8 mei 1650 Rome verlaten en samen met de schilder Jan Jansz van Bronckhorst via Venetië, Tirol en Augsburg naar de Republiek terugkeren.

De erotische gedichtenbundel die hij na zijn terugkeer publiceerde, verwekte veel opspraak waardoor hij gedwongen werd Dordrecht te verlaten. Behalve een (niet nader getraceerd) publicatieverbod zou zijn boek in Utrecht publiek zijn verbrand. Om opnieuw een officiële functie te kunnen bekleden, moest hij in het openbaar berouw tonen. Daartoe verscheen in 1653 zijn tweede gedichtenbundel Geestelyke minne-vlammen. Hij stelt daarin dat hij door ‘den ramp ende tegenspoed my van den Hemel toegepast’ (de problemen met zijn oom?) tot inkeer was gekomen. Naast zijn vertaling van het Hooglied van Salomon (p. 1-27, herziene versie van de druk van 1643, waarvan geen exemplaar bewaard is) en de boetvaardigheidspsalmen bevat die bundel gedichten op de boetelinge Maria Magdalena en Paulus’ bekering, en een vertaling van Juvenalis’ 13e Satire. M.A.Schenkeveld-van der Dussen heeft aannemelijk gemaakt dat de bundel een dubbele bodem heeft die alleen voor lezers uit zijn eigen kring inzichtelijk was. Onder het mom van bekering en spiritualiteit vormt zij een bevestiging van Matthijs’ cynische levensinstelling. Bovendien bevat de Satire in nauwelijks bedekte termen een heftige aanklacht tegen zijn oom Carel van Beveren, die zijn nichtje Amarentia tegen hem had opgestookt en zijn ambt vasthield. Kort hierna moest hij voor zijn schuldeisers naar Antwerpen vluchten. Toen die hem hadden opgespoord en betaling eisten, nam hij dienst bij de VOC. Op reis naar Batavia in 1662 overleed zijn echtgenote. In 1663 was hij onderkoopman op een oorlogsvloot met bestemming China en Formosa. Op 3 maart 1664 overleed hij aan boord, voor de zuidkust van Vietnam.

Al in zijn jeugd moet hij gedichten hebben geschreven. Bij zijn terugkeer uit Rome publiceerde hij eerst een sonnet op de dood van prins Willem II, wiens bezitting Geertruidenberg hij beheerde (Pamflet Knuttel 6882). Naast het Hooglied en enkele sonnetten van Petrarca vertaalde hij in 1643 het vierde boek van Virgilius’ Aeneis, over de liefde van Aeneas en Dido (uitgegeven in Min-triomfen, p. 199-233). Ook de vertaling uit het Spaans van de populaire gedragsgids Leyts-man der hovelingen van Antonio de Guevara (Amsterdam 1652) door E.E. [Emilius Elmeguidi] wordt aan hem toegeschreven. Zijn vertaling van Juvenalis 13e Satire verscheen opnieuw in een verzameldruk van diens werk (Haarlem 1709).

Hij was bevriend met vele vooraanstaande schrijvers uit de Gouden Eeuw, zoals Reyer Anslo, Jan Six van Chandelier, Aernout Hellemans Hooft, Henricus Bruno en Dirck Graswinckel. Hij maakte ook deel uit van de Dordtse literaire kring die bijeenkwam op Cornelis van Beverens slot Develstein in de Zwijndrechtse Waard. Hij sprak en schreef vloeiend Latijn, Frans en Italiaans. Er zijn meertalige brieven van hem bewaard aan zijn neef en ‘amid’enfance’ Adriaen van Blijenburg vanuit Parijs 1639, en Rome 1648 (over de aankoop van schilderijen van Rafael, Titiaan, Guido Reni e.a.).

Werken
Uyt-heemsen oorlog ofte Roomse min-triomfen, voor-gevallen en beschreven in ’t jaer 1647. 48. 49 en 50 (‘s-Gravenhage 1651, 1657, 1676; Amsterdam 1654). Digitaal via Early European Books; transcriptie in www.dbnl.org/tekst/merw001uyth01_01. Selecties hieruit als bibliografische edities: De Roomse min van Checha Biancona (Oosterbeek 1981); Gedichten, ed. Paul Dijstelberge (Amsterdam 1992); De gevangene van Priapus, ed. Paul Dijstelberge (Amsterdam 1995). Als cd-rom bij Armorica Editions: Roomse min-triomfen & enkele fraaie gezichten op Rome (2001).
Geestelyke minne-vlammen, poëtischer wijse voor-gestelt (‘s-Gravenhage 1653). Digitale transcriptie in http://www.dbnl.org/tekst/merw001gees01_01/downloads.php
Lof-sangh van het begin van de victorie van M.V.M. tegens C.V.B. [=Carel van Beveren] voor ghevallen inden jare 1653 (z.pl. 1654). [Museum Meermanno, sign. 144 B 018].

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht, 150-1775 (ms. Van Dalen) en 150-2504 (6 brieven aan familieleden, 1642-1657).
Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Collectie Blyenburch, sign. 129 A 26, nr. 49 (brieven aan Adriaen van Blyenburch en gedichten).
Nationaal Archief, Familiearchief Collot d’Escury (1.10.21), inv. nr. 313 en 334.
NNBW, X, p. 621-622.
J.L. van Dalen, Matthijs van de Merwede, Heer van Clootwijck. in: Oud-Holland 18 (1900), p. 95-111.
G.A. van Es en Edward Rombauts, I. Dichters van aardse schoonheid en geneugten, 1. Erotische poëzie, in: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden V (1952), p. 121-122.
G.J. Hoogewerff, Jan Gerritsz en Jan Jansz van Bronckhorst, schilders van Utrecht, in: Oud-Holland 74 (1959), p. 134-160 (p. 151-155: portret in Paleis Caetani te Rome).
P.C.A. van Putte, Merwede, Matthijs van der, heer van Clootwijck, in: Winkler Prins lexicon van de Nederlandse Letterkunde (Amsterdam 1986), p. 269-270.
A. Blankert, Nieuw licht op de Gouden Eeuw (Utrecht 1987), p. 241-244 (portretten).
M.A. Schenkeveld-van der Dussen, In de boeken, met de geest. Vijftien studies over vroegmoderne Nederlandse literatuur (Amsterdam 2002), p. 192-208, 225-239 (eerder als artikelen verschenen).

Portretten
Gravure (Rome 1650) door Jan Jansz van Bronckhorst(1627-1656), bijgebonden in Min-triomfen, 1651.
Gravure (Rome 1650) van Reinier van Persijn naar Joachim Sandrart in Minne-vlammen, 1653.
Schilderij van Jan Jansz van Bronckhorst van drie Bentveughels te Rome, mogelijk varianten van dezelfde persoon, waarop Matthijs Petrarca’s gedichten toont (Paleis Caetani, Rome); vermoedelijk hiernaar het portret door Arnoud van Halen (1673-1732) in het Panpoeticum Batavum (Rijksmuseum).
Portret door Hans Hendrik Schoenfeldt (Rome, oktober 1648); gedicht hierop in Min-triomfen, p. 184-185).

Willem Frijhoff (november 2012)

Sluit het Verborgen Museum