Marinus Pieter Reus

04-08-1865 (Dordrecht)  -  17-04-1938 (Bergen op Zoom)

Portret van Marinus Pieter Reus 

Marinus Pieter Reus (roepnaam Rien of Rinus) werd geboren te Dordrecht op 4 augustus 1865 en overleed in Halsteren, gemeente Bergen op Zoom op 17 april 1938. Hij werd op 20 april begraven op de begraafplaats van de psychiatrische inrichting ‘Vrederust’ in Halsteren. Hij was met zijn tweelingbroer Nicolaas de jongste van acht kinderen, geboren uit het op 21 april 1847 te Dordrecht gesloten huwelijk van Pieter Reus, timmerman, (Dordrecht 12 augustus 1818-Dordrecht 13 februari 1865) en Jensdina Maria de Meer (Dordrecht 23 november 1822-Dordrecht 24 mei 1886). Uit het huwelijk van Pieter en Jensdina de volgende nakomelingen, allen geboren te Dordrecht: Maria Magdalena (5 juni 1848-Dordrecht 10 maart 1928), Alida (13 juli 1850-Dordrecht 25 april 1903), Hendrik (18 augustus 1852-Dordrecht 23 november 1890), Pieter (19 september 1854- onbekend), Johanna Jacoba (4 juli 1857-Arnhem 24 februari 1902), Hendrika Pieternella (18 januari 1861-Dordrecht 17 april 1919) en de tweelingbroers Nicolaas (4 augustus 1865-Dordrecht 24 oktober 1955) en Marinus Pieter (4 augustus 1865- Bergen op Zoom 17 april 1938). Marinus Reus bleef ongehuwd.

Marinus Pieter Reus was schilder, aquarellist, maar vooral tekenaar. Hij volgde geen enkele formele kunstopleiding. Scheen typeerde hem als ‘een vooruitstrevend impressionist’. Hij wordt dan ook gerekend tot de groep ‘Dordtse impressionisten’. Reus was en bleef in hoge mate een eenling en was wellicht de meest originele van de Dordtse impressionisten, ondanks, of misschien juist dankzij, zijn gebrekkige opleiding. Het publiek had aanvankelijk weinig waardering voor zijn werk. Men vond het wild, onaf en ruw. Hij had een bewogen leven en kende vaak financiële en psychische problemen. Na 1920 kwam hij daardoor vrijwel niet meer tot werken. Reus was een vroege bewonderaar van Vincent van Gogh (1853-1890).

Zijn vader was werkzaam in een timmerbedrijf en aannemerij in de Hoge Nieuwstraat. Hij overleed enkele maanden voor Marinus geboorte en Marinus werd opgevoed door zijn moeder. Zijn oudste zuster Maria Magdalena, roepnaam ‘Marie’, had haar moeder beloofd altijd voor Rinus te zorgen omdat moeder Reus al vroeg zag dat haar zoon een bijzonder en kwetsbaar kind was. Het gezin woonde in de Nieuwstraat 41, waar Marinus na de dood van zijn moeder in 1886 met Marie en tweelingbroer Nicolaas bleef wonen. Nicolaas was aanvankelijk smid en later bankwerker. Hij trouwde in 1905, verliet het ouderlijk huis en begon met zijn vrouw een sigarenmagazijn.

Op de lagere school werd duidelijk dat Rinus een doorsnee-leerling was, maar met een bijzonder talent voor tekenen. Na de lagere school werkte hij vanaf 1879 enkele jaren in een schildersbedrijf in Dordrecht. Zijn schildersloopbaan begon hij in 1885 als leerling van een decoratieschilder in Rotterdam. In 1888 ontving hij van stadgenoot en schilder Roland Larij (1855-1932) enkele schilderlessen, maar het klikte niet tussen hen. Reus was in de kern autodidact. In het Dordrechts Museum kopieerde hij schilderijen, een vanouds beproefde methode om het schildersvak te leren. Op de avondschool slaagde hij op 24 september 1890 voor de L.O.-akte Tekenen. Daarna besloot hij in 1892 zich helemaal toe te leggen op de teken- en schilderkunst en er zijn beroep van te maken. Deze keuze zou hem af en toe in financiële problemen brengen. Zozeer zelfs, dat het soms onmogelijk was tekenpapier te kopen. Op alles wat hem voor handen kwam, werd koortsachtig getekend: verpakkingsmateriaal, folders, gelegenheidsdrukwerk enz.

De belangstelling voor zijn werk was aanvankelijk niet groot, maar groeide met de jaren. Dat bleek uit de exposities die uitsluitend aan zijn werk waren gewijd. De eerste vond plaats in 1896 in het Dordrechts Museum, de laatste in 1989 in hetzelfde museum. Tussen deze twee vonden nog bijna twintig andere solo-tentoonstellingen plaats in Dordrecht, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Daarnaast nam Reus vele malen deel aan groepsexposities in onder meer Dordrecht, het Stedelijk Museum in Amsterdam, De Haagsche Kunstkring en de Larensche kunsthandel. Tenslotte was Reus regelmatig vertegenwoordigd op exposities van de werkende leden van Teekengenootschap Pictura in Dordrecht.

Zijn gebrek aan opleiding wist Reus te compenseren met durf, inzet en expressievermogen. Hij verstond de kunst van het weglaten. Een ‘echte Reus’ werd gekenmerkt door een eigen, onmiddellijk herkenbare stijl. Van Loon typeerde zijn werk aldus: “…de eenvoud en melancholie, het weemoedige beeld van de nietige mens in de machtige natuur rond Dordrecht, vaak onder hoge luchten geplaatst, het grote immense geheel wat rauwer, zonder het doorgaans vriendelijke romantische vleugje en grijze sausje van de bewonderde Haagse wegbereiders” (bedoeld is de ‘Haagse school’). De natuur beschouwde hij als zijn enige leermeester. Hij liet zich inspireren door de ‘school van Barbizon’ (in Frankrijk) die het schilderen in de vrije natuur voorstond.

De Nederlandse volgelingen van de school van Barbizon werden bekend als de ‘Haagse school’. Beide scholen beïnvloedden Marinus Reus in hoge mate. Dat gold eveneens voor andere Dordtse impressionisten van meerdere generaties. Naast Reus begon deze stroming met Bernard Koldewey (1859-1898) Willy Sluiter (1846-1904) en Roland Larij. Later volgden onder anderen A.P. Schotel (1890-1958) en Cor Noltee (1903-1967). Daan Mühlhaus (1907-1981) sloot de rij. De Biesbosch was een geliefd werkterrein voor deze groep schilders. Pictura was hun werk- en ontmoetingsplek en hun bolwerk. Reus had gedurende zijn loopbaan enkele leerlingen: Arie Boers (1867-1947) en Henk Bellaard (1896-1975). Zijn bekendste leerling was Steef Wijnhoven (1898-1969).

Hoezeer Reus ook een eenling was; dat belette hem niet lid te worden van meerdere beroepsverenigingen en genootschappen. In 1884 werd Reus werkend lid van het uit 1774 daterende Dordtse Teekengenootschap Pictura aan de Voorstraat. Hij werd ook lid van het Amsterdamse Arti et Amicitiae, de Vereeniging Haagsche Kunstkring en ten slotte van de vereniging Sint Lucas in Amsterdam. Deze lidmaatschappen verschaften hem belangrijke relaties in de kunstwereld, brachten hem in contact met mogelijke kopers van zijn werk en verschaften hem expositiemogelijkheden. Opmerkelijk was dat het Haagse Pulchri weigerde om hem in 1911 als lid toe te laten. Het is mogelijk dat hier een standskwestie speelde.

Toen het Dordtse genootschap Diversa sed Una in 1897 de dichter en schilder Jacob Winkler Prins (1849-1904) ontving, kwam het tot een ontmoeting die uitliep op een vriendschap. Reus kon logeren op het landgoed Ydille van Winkler Prins bij Apeldoorn als hij daar behoefte aan had. Daar ontmoette hij ook dichter Johannes Reddingius (1873-1944), een goede vriend van Winkler Prins, waarmee eveneens vriendschap ontstond.

In 1896, toen de eerste psychische problemen zichtbaar werden, verliet hij op doktersadvies de stad en ging naar buiten. Hij vestigde zich enige tijd in Renkum op de Veluwe, waar hij meerdere kunstenaars ontmoette. Het was een van de weinige perioden waarin hij zich gelukkig voelde zoals hij zelf schreef. Na 1905 treden de symptomen (angsten, achterdocht, wanen) van een zenuwziekte steeds sterker op de voorgrond en er volgde een zenuwinzinking die enkele jaren zou duren. Deze inzinkingen die met tussenpozen terugkeerden, deden hem regelmatig in psychiatrische inrichtingen belanden in Breda, Scheveningen en Laag-Soeren. De betaling van zijn verpleging was problematisch. Om de kosten enigszins te dekken werd een aantal werken bij veilinghuis Mak in Dordrecht geveild, maar de opbrengst was gering. De gemeente Dordrecht bood vervolgens aan de verpleegkosten voor haar rekening te nemen tegen de overdracht van het complete atelier. Op 5 juni 1935 werd bij Mak de inventaris van het atelier door de gemeente geveild, waar alles tegen spotprijzen werd verkocht.

Tussen 1913 en 1918 exposeerde Reus nog meerdere malen. In 1925 organiseerde Pictura een ere-tentoonstelling ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag. Daarna werd het stil. Er volgden vrijwel geen exposities meer en hij kwam door zijn psychische problemen niet meer tot schilderen. Zijn zuster Marie overleed in 1928, een verlies dat hem zeer zwaar viel. Hij verhuisde in 1929 na vierenzestig jaar in zijn geboortehuis te hebben gewoond, naar een pension op de Voorstraat 177 rood (nu nummer 229). Marinus Reus werd op 1 mei 1930 in het gemeenteziekenhuis in Dordrecht opgenomen, waar men niet goed raad met hem wist. Zijn toestand werd ernstig en in datzelfde jaar werd hij definitief opgenomen in ‘Vrederust’ in Bergen op Zoom, een protestantse psychiatrische instelling voor verwarde personen. Zijn toestand verslechterde de laatste jaren zienderogen. Hij overleed er acht jaar later.

Bronnen en literatuur
RKD-artists bioportnummer 89856.
P. van Loon, Dordtse impressionisten. Schilders van de losse toets. Verhalen van Dordrecht 27 (Dordrecht 2013).
R. van der Mijle, Marinus Pieter Reus 1865-1938, een Dordts impressionist. Jaarboek van de Vereniging Oud-Dordrecht (Dordrecht 1998).
G.J. Schweitzer en W. de Paus, M.P. Reus (1865-1938): tekeningen en schilderijen (Dordrecht 1989).
B. Jintes, M.P. Reus (1865-1938), een Dordts schilder (Dordrecht 1988).
P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950 (Den Haag 1981), p. 423.
G.J. Schweitzer en F.M. Bijl de Vroe-Verloop, Ik mag lijden dat het morgen grijs is. Dordtse kunstenaars 1880-1940 (Dordrecht 1980).
Catalogus van de tentoonstelling van werken door Marinus Pieter Reus ter gelegenheid van het 180-jarig bestaan van het Teekengenootschap Pictura Dordrecht van 22 october tot en met 7 november 1954. Inleiding door C.J. Roosendaal (Dordrecht 1954).
C. van Son, M.P. Reus in: Maandblad voor beeldende kunsten 12 (1935), p. 226-232.
Catalogus van de tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam van kunstwerken door C.C.J. van Trigt-Hoevenaar, M.P. Reus en J.J. Doeser (Amsterdam 1913).

Roel Leentvaar (januari 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum