Maria van Berckel

31-05-1632 (Rotterdam)  -  05-08-1706 (Dordrecht)

Portret van Maria van Berckel door Jan de Baen (atelier) (Huis Van Gijn)

Maria van Berckel werd geboren op 31 mei 1632 in Rotterdam en overleed te Dordrecht op 5 augustus 1706. Ze was de dochter van Johan van Berckel de Jonge (circa 1603-1662), lid van de vroedschap van Rotterdam en van Elisabeth Prins (overleden vóór 1640). Ze trouwde op 21 september 1650 met de Dordtse regent Cornelis de Witt (1623-1672). Cornelis was de zoon van mr. Jacob de Witt (1589-1674), onder meer burgemeester van Dordrecht, en van Anna van den Corput (1599-1645). Van de kinderen uit het huwelijk van Maria en Cornelis stierf een onbekend aantal op zeer jonge leeftijd. Slechts vijf werden er volwassen of bijna-volwassen: Jacob (1653-1675), Johan (1660-1681), Anna (1667-1721), Maria (1669-1686) en Wilhelmina (1671-1701).

Door haar sterke persoonlijkheid viel Maria op onder tijdgenoten. Ze stond bekend als een standvastige en intelligente vrouw die haar echtgenoot adviseerde, met hem meedacht en hem verving bij afwezigheid. Ze kwam duidelijk voor haar mening uit en eiste dat er rekening met haar werd gehouden. Schrijver en tijdgenoot Emanuel van der Hoeven (circa 1660-na 1727) omschreef haar als: ‘Een vrouw van zeldzame hoedanigheden, bestaande in een louter verstand, vaardig oordeel en uitgelezen schoonheid.’

Maria was opgegroeid in het welvarende milieu van een Rotterdams regentengezin. Haar moeder overleed toen Maria heel jong was. Haar vader hertrouwde op 22 februari 1640 met Hillegonda van der Aa (1620–1694). Het gezin verhuisde in 1644 naar Den Haag, nadat vader was benoemd tot ontvanger-generaal van Holland en West-Friesland.

Maria leerde in 1649 Cornelis de Witt kennen. Het paar maakte al snel trouwplannen, maar die werden gedwarsboomd door de plotselinge arrestatie op 30 juli 1650 van zes regenten, onder wie Cornelis’ vader Jacob de Witt. Op bevel van stadhouder Willem II werden zij gevangen gezet op slot Loevestein. De arrestatie was het gevolg van een machtsstrijd tussen de Staten-Generaal (de regenten) en de stadhouder. Daarbij speelde een meningsverschil over bezuinigingen op het Staatse leger een rol. De gearresteerde regenten waren voorstander van die bezuiniging, de stadhouder was er tegen. Pas na vader Jacobs vrijlating op 19 augustus 1650 konden Maria en Cornelis weer aan trouwen denken. Na de voltrekking van hun huwelijk woonde het jonge paar vanaf september 1650 in het familiehuis van De Witt in de Grotekerksbuurt in Dordrecht.

 Cornelis maakte carrière in een periode die het Eerste Stadhouderloze tijdperk (1650-1672) wordt genoemd. Stadhouder Willem II was in 1650 overleden en zijn zoon was nog te jong om hem op te volgen. De Oranjes stonden daarmee buiten spel. Cornelis’ broer Johan de Witt (1625-1672) was raadpensionaris van Holland en West-Friesland en daarmee de machtigste bestuurder van het land. Cornelis de Witt bekleedde gedurende zijn carrière verschillende functies in het Dordtse gemeentebestuur, was ruwaard van Putten (dat was een bestuurder in naam van een heerlijkheid) en kreeg taken in de landelijke politiek.

Dat Cornelis Maria nauw bij zijn werkzaamheden betrok bleek onder meer tijdens de derde Engelse Zeeoorlog (1672-1674). Tijdens de slag bij Solebay in het voorjaar van 1672 gaf Cornelis, als afgevaardigde de Staten-Generaal, samen met admiraal Michiel de Ruyter leiding aan de Nederlandse vloot. Per brief stelde hij zijn vrouw gedetailleerd op de hoogte van de gebeurtenissen. Maria had ook, misschien meer dan haar echtgenoot, een scherpe antenne voor het politieke klimaat. Dat bleek op 29 juni 1672, toen Cornelis weigerde een document te tekenen dat het stadhouderschap weer mogelijk zou maken. Dat stadhouderschap hadden de Staten van Holland in 1667 ‘voor eeuwig’ afgeschaft met het Eeuwig Edict. Nu de Franse koning Lodewijk XIV met bondgenoten de republiek was binnengevallen, drongen orangisten erop aan om weer een stadhouder aan te stellen. Dat zou prins Willem III (1650-1702) worden, de inmiddels volwassen geworden zoon van Willem II. Zelfs in de Dordtse straten kwam het tot een volksoproer, maar Cornelis bleef weigeren het document te tekenen. Maria besefte dat dit verzet zinloos was en dreigde haar man dat ze hem zou verlaten als hij zijn handtekening niet zou zetten. Pas toen ging Cornelis overstag.

Ook na de gruwelijke moord op Johan en Cornelis, op 20 augustus 1672, toonde Maria inzicht in hoe het best gehandeld kon worden. Nog diezelfde dag schreef ze vanuit Rotterdam een brief aan schoonzus Johanna de Witt in Den Haag. Ze adviseerde Johanna om niet opzichtig te rouwen en het familiewapen niet op te hangen, zoals gebruikelijk was. Een verstandig advies, zo bleek later. Want het familiewapen werd tóch opgehangen in de Nieuwe Kerk, waar de gebroeders waren begraven. Het werd door een woedende menigte aan stukken geslagen. Maria keerde na Cornelis’ dood niet meteen terug naar Dordrecht, maar ging in het huis van haar overleden ouders in Rotterdam wonen. In die periode kwam ze in conflict met de Dordtse schrijver Lambert van den Bosch (1620-1698). Die beweerde in zijn boek De reysende Mercurius dat Maria een buste van Willem III had laten verwijderen uit het Dordtse gasthuis. Maria liet het er niet bij zitten: ze liet notarieel vastleggen dat ze nooit een beeltenis uit het gasthuis had laten verwijderen.

Maria’s kwetsbare kant is af te leiden uit haar angstdromen, waarvan ze er enkele heeft opgeschreven. Zo droomde ze dat in Scheveningen de ambassadeur van Engeland, zijn bediende en nog enkele figuren aan een galg hingen. De beul haalde de lijken van de galg, hakte de hoofden af en reeg door de halzen een touw, zo noteerde ze. In een andere droom werd er geschoten op het Binnenhof, waardoor haar zoon Johan werd geraakt door een kanonskogel en zijn beide benen verloor. Ontroerend is Maria’s beschrijving van een steeds terugkerende droom na Cornelis’ dood: dan stond ze als bruid ‘met een seer groote sleep’ voor een altaar, maar ‘den brugom was dyckwyl mijn man zaliger of daer quam niemant’.

In 1687 verhuisde Maria naar een woning op de Voorstraat in Dordrecht, vlakbij brouwerij ’t Cruys, gelegen tussen de Mariënbornstraat en de Heer Heymansuisstraat. Alleen haar dochters Anna en Wilhelmina waren nog in leven. Zoon Johan en dochter Maria waren overleden en haar oudste zoon, Jacob, was in Wenen aan de kinderpokken bezweken. In 1692 trouwde Maria’s jongste dochter Wilhelmina met haar volle neef Johan de Witt (1662-1701), zoon van de raadpensionaris. De twee gingen in Dordrecht wonen, maar overleden al in 1701 kort na elkaar aan een besmettelijke ziekte. Ze lieten vijf jonge kinderen na. Toen was alleen haar dochter Anna, getrouwd met schepen en raad van Dordrecht mr. Simon Muys van Holy (1660-1718), nog over. Haar huwelijk bleef kinderloos. Anna zou als enige haar moeder overleven.

Maria maakte in 1705 haar laatste testament op, waarin ze Anna en de kinderen van Wilhelmina tot erfgenamen benoemde. Ook in deze laatste fase van haar leven kreeg ze veel bewondering. Na haar begrafenis op 11 augustus 1706 in de Grote Kerk van Dordrecht kwam er een lange reeks van lijkdichten ter ere van Maria op gang.

Bronnen en literatuur
Nationaal Archief, collectie De Witt-Beyermann, Nationaal Archief, 3.20.66.01, inventarisnummer 4.
Matthys Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677).
Emanuel van der Hoeven, Leeven en dood der doorlugtige heeren gebroeders Cornelis de Witt en Johan de Witt (Amsterdam1706).
J.L. van Dalen, Mr. Cornelis de Witt (Dordrecht 1918).
Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam/Antwerpen 2005).
Ronald Prud’homme van Reine, Moordenaars van Jan de Witt (Amsterdam 2013).
Els Kloek e.a., 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (Nijmegen 2013).

Saskia Lensink (oktober 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum