Margaretha Mels

1649 (Dordrecht)  -  04-07-1682 (Dordrecht)

Uit Kruit Hof, nut voor alle mensche door Margarita Mels besaaijt en beplant, met haarzelf als bewaakster. Koninklijke Bibliotheek Den Haag.

Geboren te Dordrecht uiterlijk maart 1649, aldaar overleden 4 juli 1682 en begraven 8 juli 1682. Zij was dichteres en musicienne. Dochter van Gijsbert Mels/Mels Gijsbrechtsz (1595-1648), korenkoper en voorganger van de doopsgezinden te Dordrecht (bevestigd 1635), en Anna Theodore Dircs (overleden 1649). Margaretha Mels bleef ongehuwd en kreeg geen kinderen.

Margaretha Mels stamde uit een Dordts doopsgezind milieu van tamelijk welgestelde kooplieden en brouwers. Zij was een verdienstelijk musicienne op fluit en cimbaal (snaarinstrument), gold als intelligent en belezen en beheerste diverse talen, waaronder Frans, Spaans en Engels. Zij was zeer vroom en schreef vooral godsdienstige poëzie. Het merendeel bleef ongepubliceerd; een deel werd door François van Hoogstraten (1632-1696) postuum uitgegeven onder de titel Aendacht van Philothea of de godminnende ziele. Gevolgt uit de nagelaete vaerzen van Zal. Margarita Mels. Tevens was zij de auteur van een door haarzelf verlucht, ongepubliceerd gebleven boekje, getiteld Kruit Hof, nut voor alle mensche.

Over het leven van Margaretha Mels is zeer weinig bekend. Gezien de sterfjaren van haar ouders kan zij niet later dan maart 1649 zijn geboren, maar vermoedelijk al enkele jaren eerder. Het gezin woonde toen te Dordrecht aan de Manhuissteiger bij de Grotekerksbuurt. Toen Margaretha in 1649 wees werd, was het vrijwel zeker haar oudste zuster Anna die zich met haar man, de koopman Johan Jacobsz. (Jean) Boenes, over haar en enkele oudere zusters ontfermde. Eind 1654 vertrok Anna met haar gezin naar Rotterdam; haar zusters Barbara en Elisabeth verhuisden mee en ongetwijfeld gold dat ook voor de veel jongere Margaretha en haar zusje Johanna. In 1667 lieten de laatste twee in de Maasstad een mutueel testament opmaken. Minstens tot 1669 bleef Margaretha in Rotterdam; daarna moet zij bij haar broer Adriaen (?-1673) en/of diens vrouw Helena Deijlman (?-1693) in brouwerij den Witten Ancker te Dordrecht een nieuw onderkomen hebben gevonden; bij haar vroege overlijden in 1682 is zij daar althans woonachtig. De brouwerij was gevestigd in een rijk Gotisch pand, gelegen aan de Voorstraat tussen de Lombardstraat en de Haringstraat, naast brouwerij de Croone, schuin tegenover het stadhuis.

Margaretha moet over een rijke boekverzameling hebben kunnen beschikken. Op 24 maart 1721 begon in den Witten Ancker de veiling van een collectie theologische, historische, mathematische en astronomische boeken uit de nalatenschap van haar neef, brouwer Adriaan Mels jr., zoon van Adriaen Mels en Helena Deijlman, maar mogelijk was de collectie al veel langer in de familie. In het voorwoord van haar Kruit Hof, nut voor alle mensche verwees ze daar wellicht naar toen ze uitlegde hoe ze bij de samenstelling ervan te werk was gegaan: ze heeft tal van geleerde boeken doorgelezen, op zoek naar uiteenlopende, interessante teksten, en vervolgens heeft ze die, gelardeerd met eigen werk, met elkaar verbonden en tot een geheel gesmeed. Kruit Hof is, zoals uit de titelpagina blijkt, geschreven in Rotterdam en draagt het jaartal 1669. Aanvankelijk was het handschrift zeer duidelijk, maar gaandeweg werd het steeds minder verzorgd en onregelmatiger. Het vierde hoofdstuk kreeg geen titelpagina en middenin het vijfde zijn enkele bladen blanco gelaten. Haast of afgenomen interesse lijken haar parten te hebben gespeeld. Vóór in het handschriftje ligt een afbeelding met de waarschuwing het niet in te kijken zonder haar uitdrukkelijke toestemming. In haar voorwoord aan de lezer geeft ze evenwel te kennen dat het, zij het onder haar toezicht, wel degelijk ook voor anderen is bedoeld. Waarschijnlijk heeft het op bijeenkomsten met vrienden als gespreksstof gediend.

In het voorwoord stelt de auteur dat haar oogmerk niet is geweest aardse roem te verwerven, maar uitsluitend zichzelf en vervolgens de lezer tot een deugdzaam leven te brengen. Het eigenlijke werkje bestaat uit vijf delen: ’t Eerste Bouck Medicine ter Saligheit’ bevat notities van korte Bijbelpassages; het ‘Tweede Bovk van ’t Kruit-Hof bestaande in zin-spreuken op Alderleij voor vallen’ biedt Nederlandse, Franse en ook Spaanse spreuken. Uit het ‘Derde Bovk Behelsende veel wonderlijke en gedenkwaardige geschiedenissen’ blijkt haar antikatholieke gezindheid. Verder geeft ze daarin wetenswaardigheden en verklaart ze diverse namen en begrippen, zoals de zeven vrije kunsten, de muzieksleutels en de Romeinse cijfers. Het vierde deel, zonder titelpagina, is een verzameling ‘Troost spreuken en leeringen’ in diverse talen. Ook doet ze soms pikante beweringen als ‘der zijn vier dingen vande welcke geen spoor te vinden is’, waarvan ze er één toelicht als ‘Eenes mans wech tot Eene maget’. Het vijfde boek tenslotte biedt onder meer, ook dubbelzinnige, gedichtjes en een blad met curieuze letter- en cijferspelletjes.

Van haar godsdienstige gedichten, die, hoewel ongepubliceerd, door tijdgenoten gelezen en besproken moeten zijn, werd pas na haar dood een deel door haar toegewijde, eveneens doopsgezinde, vriend François van Hoogstraten gepubliceerd onder de titel Aendacht van Philothea of de godminnende ziele. Gevolgt uit de nagelaete vaerzen van Zal. Margarita Mels. Mels’ stadgenoot, de kunstschilder en kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken (1660-1719), illustreert in Philaléthes brieven (1712, p. 49-50) nog de ware godsdienst met enkele van haar versregels. Het bundeltje bevat zestien gedichten, verspreid over acht pagina’s, die in een notendop een beeld geven van de vrome levenshouding van de dichteres. Ze vraagt God om hulp bij de onthouding van aardse genoegens en vleselijke lusten, waardoor ze blijkbaar wel werd geplaagd, uit haar afkeer van losse en ruwe zeden en haar walging van een wereld die haar kwelt, en spreekt tenslotte de wens uit in een klein gezelschap van doopsgezinde geloofsgenoten ingetogen te leven.

François van Hoogstraten, boekhandelaar, uitgever, dichter en schrijver, beurtelings te Dordrecht en Rotterdam, was één van de trouwste vrienden van Margaretha Mels. Ook in zijn poëzie richt hij zich meermalen tot haar; zelfs geeft hij haar de vaderlijke raad het huwelijk niet te versmaden. In Dordrecht behoorden hij en zijn broer, de kunstschilder Samuel, tot een vriendenkring van vooral geloofsgenoten, zoals de voorganger en auteur van de omstreden doopsgezinde Martelaarsspiegel Tieleman Jansz van Bracht (1625-1664), diens jongere broer Pieter (1632-1688), Jan de Mol, Leendert van de Roer, Abraham Targier en Laurens Terwen (overleden 1705). Margaretha Mels, immers van doopsgezinden huize, zou ook in dat milieu verkeerd kunnen hebben.

Bij haar overlijden verscheen bij François van Hoogstraten in Dordrecht het bundeltje Uytvaard van het lijk der welbegaefde en konstrijke juffer, me-juffer Margarita Mels, gehouden te Dordrecht den achtsten van hoymaend 1682. Onder de (doopsgezinde) dichters die haar daarin bezingen, bevonden zich, behalve François van Hoogstraten zelf en zijn zonen David (1658-1724) en Jan (1662-1736) ook bovengenoemde Abraham Targier en zijn broer Joachim (eveneens voorganger van de doopsgezinden). Andere bijdragen zijn van Margaretha Ooms, Cornelis van Someren (1650-1707) en Matthijs Balen (1611-1691), die in zijn bijdrage Margaretha als ‘Twede Parel’ van Dordrecht op één lijn stelde met Margaretha van Godewijck (1627-1677). Haar contact met de doopsgezinde Balen blijkt ook uit haar drempeldicht bij zijn Beschryvinge der stad Dordrecht, waarin zij hem onsterfelijkheid en eeuwige roem toedicht.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht: DTB, archiefnummer 11, inv. nr. 38, 209 r en 233r; inv.nr. 40, 94 r; inv. nr. 41, 57 r; inv. nr. 41, 219 r; inv. nr. 42, 169 r; inv. nr. 78, 26-27; inv. nr. 78, 72; inv. nr. 78.7; inv. nr. 95, 88; inv. nr. 95,44 r.
Stadsarchief Rotterdam: ONA, archiefnummer 18, inv. nr. 842, p. 221-223.
NNBW 4, kolom 967-968.
François van Hoogstraten, Opdracht aen Parthenia, aen Targlemirasma, over het verlies van haer speelnoot en Opdracht aen Theophila, in: Mengeldichten (z.p. z.j.), voorwerk, 34, 39. [De Mengeldichten zijn meegebonden met: Joseph Hall, vert. François van Hoogstraten, De schoole der wereld, geopent in CXL. vliegende bedenkingen (Rotterdam 1687 en herdrukken 1698 en 1725).
Margarita-Cornelia Ooms e.a., Uytvaard van het lijk der vvelbegaefde en konstrijke iuffer, me-juffer Margarita Mels, gehouden te Dordrecht den achtsten van hoymaend, 1682 (Dordrecht 1682).
Arnold Houbraken, Verzameling van uitgelezene keurstoffen; handelende over den godsdienst, natuur- schilder- teken- oudheid- redeneer- en dichtkunde. Philaléthes brieven (Amsterdam 1713), p. 49-50.
J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht (Dordrecht 1931), p. 653, 805.
J. Kouwer, Het geslacht Mels, in: Gens Nostra 13 (1958), p. 275-276.
Annelies de Jeu, ’t Spoor der dichteressen’. Netwerken en publicatiemogelijkheden van schrijvende vrouwen in de Republiek (1600-1750) (Hilversum 2000), p. 43-45.
Elsina Groenenboom-Draai, Margaretha Mels: ‘Twede Parel’ van Dordrecht, in: Oud-Dordrecht (Dordrecht 2008), 26-2, p. 86-93 en 26-3, p. 68-75.
http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Mels
Digitaal vrouwenlexicon van Nederland, met hierin ook een opgave van tot dusver bekende werken van Margaretha Mels.

Elsina Groenenboom-Draai

 

Sluit het Verborgen Museum