Louis de Geer

17-11-1587 (Luik)  -  19-06-1652 (Amsterdam)

Standbeeld van Louis de Geer in Norrköping, door Carl Milles (1945)

Louis (Lodewijk) IV de Geer, geboren te Luik 17 november 1587; overleden te Amsterdam 19 juni, begraven aldaar (Waalse kerk) 25 juni 1652, vervolgens bijgezet in het familiegraf in de Augustijnenkerk te Dordrecht. Zoon van Louys III de Geer, gezegd van Gaillarmont naar zijn bezit van die naam in Chênée bij Luik (geboren te Luik in 1535-overleden te Dordrecht 28 oktober 1602), koopman in ijzer, en van diens tweede vrouw Jeanne (of Johanna) de Neille (geboren te Luik in 1557-overleden te Dordrecht 30 december 1641). Gehuwd te Dordrecht 27 mei 1612 met Adrienne (of Adriane) Gérard (geboren te Luik rond 1591-overleden te Amsterdam 22 december, begraven (Waalse kerk) 27 december 1634), dochter van Laurent Gérard (geboren circa 1550-overleden te Dordrecht 18 mei 1621) en Odana Catherine de la Fosse (geboren te Luik in 1566-overleden te Dordrecht in 1620).

Uit het huwelijk van Louis IV de Geer en Adrienne Gérard werden zestien kinderen geboren van wie er nog dertien in leven waren toen hun moeder in het kraambed van haar jongste kind stierf:
Jeanne (Johanna, Janneken) de Geer (geboren te Dordrecht 15 maart, gedoopt 8 april 1613-overleden te Haarlem 19 februari 1681), ondertrouw te Amsterdam 30 december 1638, gehuwd 1 februari 1639, met Michiel Amya (geboren te Aken circa 1618-overleden te Groningen 27 november 1673), koopman, heer van de Bodenhof bij Aken, zoon van Hermann Amya en Anna Seulen.
Laurens de Geer, heer van Österby (Zweden) (geboren te Dordrecht 10 mei, gedoopt 18 mei 1614-begraven te Amsterdam 14 augustus 1666), opvolger van zijn vader in diens bedrijven, ondertrouw (onder de hand) te Amsterdam 21 september 1640, gehuwd te ’s-Gravenhage 10 oktober 1640 met Margaretha van Crommon (geboren te ’s-Gravenhage in 1618-overleden te Amsterdam 5 januari 1658), dochter van mr. Gerard van Crommon de oude, raad ordinaris in het Hof van Holland (1585-1670).
Ida de Geer (gedoopt te Amsterdam 16 september 1615, jong overleden).
Ida de Geer (geboren te Amsterdam 16 oktober, gedoopt 19 oktober 1616-overleden te ’s-Gravenhage 31 oktober 1682), ondertrouw te Amsterdam 17 september, gehuwd 4 december 1637 met Carel de Besche (1620-1681), ijzerhandelaar te Nyköping (Zweden), zoon van Guillaume de Besche (handelspartner van Louis IV de Geer).
Elisabeth de Geer (geboren te Amsterdam 28 november, gedoopt 1 december 1617-overleden te Groningen 25 augustus 1659), gehuwd te Amsterdam 26 mei 1643 met Dr. Tobias Andreae (geboren te Braunfels [Solms] 19 augustus 1604-overleden te Groningen 17 oktober 1676), hoogleraar geschiedenis en Griekse taal aan de academie van Groningen, overtuigd aanhanger van de filosofie van Descartes.
Maria de Geer (geboren te Amsterdam 27, gedoopt 30 december 1618-overleden Amsterdam 5 oktober 1619).
Maria de Geer (geboren te Amsterdam 20, gedoopt 26 augustus 1620-overleden te Utrecht 28 november 1703), ongehuwd.
Louys (Lodewijk V) de Geer (geboren te Amsterdam 24 juni, gedoopt 3 juli 1622), ijzerhandelaar, kolonel in Zweedse dienst, assessor en raad in het Zweedse ‘Bergkollegium’, stichtte kasteel Finspång waar hij 22 december 1695 overleed, kort daarna begraven te Norrköping, gehuwd te Utrecht 13 september 1654 met Johanna Parmentier (geboren te Utrecht 8 augustus 1634-overleden te Uppsala [Zweden] 14 januari 1710), dochter van Antoine Charles Parmentier, heer van Heeswijk en Achthoven en Elisabeth Vivien de Buvignies; hieruit stammen de nog bestaande Nederlandse takken van het geslacht De Geer. In 1654 kocht hij de heerlijkheid Rijnhuizen, waarmee hij in 1657 door de Staten van Utrecht werd beleend.
Emanuel de Geer tot Leufsta (geboren te Amsterdam 23, gedoopt 28 november 1624-overleden te Hamburg 17 juni 1692), ongehuwd.
Sara de Geer (geboren te Amsterdam 18, gedoopt 21 januari 1626-begraven te Amsterdam (Waalse kerk) 8 december 1667), gehuwd te Amsterdam 2 augustus 1647 met Jean Wolters, koopman uit Bremen (geboren in 1613-overleden te Amsterdam 28 augustus 1669).
Adriana de Geer (geboren te Amsterdam 12, gedoopt 21 april 1627-overleden te Wildervank 29 mei 1684), gehuwd te Amsterdam 28 november 1645 met Adrianus Trip (gedoopt te Amsterdam 3 januari 1621-overleden te Wildervank 11 oktober 1684), koopman in ijzer, koper en geschut in Norrköping (Zweden), zoon van Adriana’s oom Elias Trip (circa 1570-1636), koopman in ijzer en bewindhebber van de VOC en Alijdt (Alithea)) Adriaensdr uit Dordrecht.
Christina Eleonora de Geer (geboren en overleden te Norrköping in 1628).
Steven de Geer, heer van Gimo (geboren te Norrköping 21 juni 1629-overleden te Amsterdam 12 juli 1685), handelaar in Zweeds ijzer, ondertrouw te Amsterdam 1 mei, gehuwd 27 mei 1656 met Esther Bernard (gedoopt te Amsterdam 13 november 1635-kinderloos overleden 22 september 1699), dochter van Daniël Bernard, koopman en bewindhebber van de West-Indische Compagnie.
Christina de Geer (geboren te Norrköping in 1630-overleden in 1654), gehuwd te Amsterdam 14 februari 1650 met Mr. Gerard van Crommon de jonge (1626-na 1665), advocaat, secretaris van Goes, gecommitteerde raad ter Admiraliteit.
Jean de Geer (geboren te Amsterdam 11 juni, gedoopt 16 juni 1632-overleden te Gödegard (Zweden) 16 juli 1696), ongehuwd.
Benjamin de Geer (geboren te Amsterdam 14 december, gedoopt 28 december 1634-overleden te Utrecht 29 december 1657), ongehuwd.

Twee halfzusters van Louis IV de Geer, kinderen uit het eerste huwelijk van zijn vader Louys III met Maria de Jalhéa (overleden 1578), trouwden in Dordrecht met twee broers uit de handelsfamilie Trip, afkomstig uit Zaltbommel. Marie de Geer (1574-1609) trouwde in 1592 met Elias Trip (circa 1570-Amsterdam 5 januari 1636), ijzer- en wapenhandelaar en bewindhebber van de VOC, die zich te Dordrecht vestigde en daar hertrouwde met Alijdt Adriaensdr (haar portret als weduwe door Rembrandt, 1639, in Museum Boymans te Rotterdam), dochter van Adriaen Jansz, burgemeester van Dordrecht in 1606 en Sophia Heymans, Elias Trip trok rond 1615 echter naar Amsterdam. Margaretha de Geer (1583-1672) trouwde in 1603 met Jacob Trip (circa 1575-Dordrecht 8 mei 1661), eerst schipper, dan ijzerhandelaar en partner in het familiebedrijf, gevestigd te Amsterdam. Door die allianties, door het koopmansinstinct van de Trippen en De Geers, en door hun dominante rol in de oorlogsjaren tot 1648 groeiden hun bedrijven snel uit tot het belangrijkste commerciële en industriële complex van de Republiek en verwierven hun families een kolossaal fortuin. De kinderen Trip lieten in 1660-1662 op de Amsterdamse Kloveniersburgwal een majesteitelijke residentie bouwen, het Trippenhuis, het grootste stadspaleis van het Amsterdamse patriciaat, thans de zetel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Vader Louys III de Geer, grootgrondbezitter in het prinsbisdom Luik, geldschieter voor de Zweedse koning en investeerder in de ijzer- en kopermijnen van Zweden, week van Luik uit naar Aken. In 1595 gaf hij zijn tweede vrouw Jeanne de Neille opdracht om gedurende zijn afwezigheid al het onroerend goed in Luik te verkopen, uitgezonderd het huis en goed Gaillarmont. Het jaar daarop, in 1596, vertrok hij met zijn gezin definitief naar Dordrecht, waar zijn dochter Marie en andere familieleden al woonden en ook diverse andere Luikse kooplieden zich hadden gevestigd. Als reden voor deze migratie wordt vaak de geloofsvervolging in het Luikse genoemd, maar hoewel Louys de Geer inderdaad naar het protestantisme was overgegaan, in Dordrecht en elders een aantal protestantse kooplieden als handelspartners koos en daar ook een actief lid van de Waalse gereformeerde gemeente werd, lijkt het hoofdmotief voor zijn emigratie veeleer van sociaaleconomische aard te zijn geweest, vanwege de onrust in de stad Luik als gevolg van de daar steeds oproerige ambachten en de militaire operaties aan het eind van de zestiende eeuw, alsmede de achterstelling van protestantse ondernemers en industriëlen in het prinsbisdom. In 1593 had hij in Luik nog een begijnhof gesticht, dat hij aan zijn schoonzoon Elias Trip overdeed. In de Dordtse Augustijnenkerk bevindt zich boven het familiegraf een Franstalige grafsteen voor hem en zijn vrouw.

Na de emigratie van zijn vader uit Luik in 1596 groeide zijn zoon Louis IV de Geer op in Dordrecht. Als leerling van de Latijnse school volgde hij er in het bijzonder de lessen van Johannes Polyander à Kerckhoven (1568-1646), die daar tevens predikant voor de Waalse gemeente was. Vanaf 1605 ging Louis in Roanne (Frankrijk) in de leer voor het beroep van koperslager. In 1608 vestigde hij zich als zelfstandig koopman in La Rochelle (Frankrijk), een belangrijk centrum van de hugenoten, zoals de Franse calvinisten zich noemden. In 1611 keerde hij terug naar Dordrecht en vestigde zich weer in het ouderlijk huis, als koopman in compagnieschap met zijn zwagers Trip. Het jaar daarop trouwde hij met een jonge vrouw uit het Waalse gereformeerde milieu van Dordrecht, Adrienne Gérard, en kreeg er zijn eerste kinderen.

In deze periode ging het belang van het Noord-Duitse Lübeck als de Noord-Europese stapelmarkt van koper achteruit ten gunste van Amsterdam. Een grote stimulans voor deze ontwikkeling kwam van de Zweedse koning Gustaaf II Adolf. Deze had in 1613 onderhandelingen met de Staten-Generaal aangeknoopt over het verkrijgen van een lening, die terugbetaald zou worden met regelmatige koperzendingen. De bedragen die de Staten-Generaal zelf beschikbaar stelden waren niet groot, maar talrijke Hollandse kooplieden, waaronder De Geer, sprongen in 1616 bij. Maar hij zag meer mogelijkheden tot expansie van zijn zaken in Amsterdam dan in Dordrecht. Vanaf 1615 vestigde hij zich dan ook in Amsterdam als grootkoopman in ijzer, geelkoper, geschut (kanonnen), wapens en munitie, en verwante producten ten behoeve van de Admiraliteiten, en tevens als bankier en geldschieter van de Zweedse regering. Als zodanig speelde hij een cruciale rol in de financiering en bevoorrading van het Zweedse leger in de Dertigjarige Oorlog die zijn fortuin maakte, al hadden de Staten-Generaal hem daartoe als commissaris van de Admiraliteit naar Zweden gestuurd.

In 1618, aan het begin van de Dertigjarige Oorlog, verleende hij samen met de Staten-Generaal een lening van 160.000 gulden aan Gustaaf Adolf. Die beleende hem daarvoor in 1619 met Finspång, het Zweedse centrum van de winning van ijzererts en de ijzerproductie dat al vanaf 1595 werd geëxploiteerd door de Luikenaar Guillaume de Besche (1573-1629). De Geer ging met hem een maatschap aan voor de kanonnen- en geschutproductie, en tijdens zijn afwezigheid fungeerde De Besche als zijn zaakgelastigde. Aan de exploitatie van de ijzermijnen, ijzersmelterijen en wapen- en munitiefabrieken te Finspång en Norrköping, ten zuidwesten van Stockholm, voegde Louis de Geer in 1627 nog die van Leufsta, Gimo en Österby ten noorden van Stockholm toe. In 1626 ging hij bovendien met zijn zwagers Trip een maatschap aan voor de handel in en de bewerking van Zweeds koper. Bij koninklijk besluit kreeg hij in 1627 de leiding daarvan, alsmede het monopolie op de koperleverantie en de wapenproductie ten behoeve van de Zweedse kroon, van grondstof tot eindproduct, waarvoor hij in 1630 in Stockholm een arsenaal liet bouwen. Hij verhuisde ook zelf naar Zweden, mede om de uitgaven voor de Sonttol te omzeilen. Voor zijn inspanningen om de noodlijdende financiën van het koninkrijk Zweden te saneren ontving hij in retour het nodige koper voor zijn industrieën in Norrköping en Nyköping, die hij moderniseerde en met arbeiders uit Wallonië, Lotharingen en Duitsland bemande. De zakelijke kant liet hij over aan de Trips.

Op 27 april 1627 werd Louis genaturaliseerd tot Zweeds onderdaan. Van 1628 tot 1631 woonde hij met zijn gezin in een groot stadspaleis te Norrköping, waar hij ook later regelmatig terugkwam. Na zijn terugkeer naar Amsterdam in 1631 ging de compagnieschap Trip-De Geer echter ten onder aan onderlinge conflicten tussen de partners. Ook de Zweedse vertegenwoordiger Conrad van Falkenberg kreeg in 1632 een heftig conflict met De Geer dat tot interventie van Zweedse rijkskanselier Axel Oxenstierna leidde. Falkenberg noemde de voorwaarden die De Geer en Trip aan de verkoop van Zweeds koper stelden als ‘by christenen niet gebruyckelijk’. In 1640 trok Louis opnieuw naar Zweden waar hij op 4 augustus 1641 door koningin Christina in de Zweedse adelstand werd verheven, als hofleverancier van wapens en munitie, en bij wijze van tegenprestatie voor zijn grote leningen aan de Zweedse staat. Daarop kocht hij voor 123.722 rijksdaalders de mijnen en de vijf plaatsen waar zijn geschutgieterijen en kanonnenfabrieken gevestigd waren: Finspång en Godegård in Östergötland in 1641, Leufsta, Gimo en Österby in Uppland in 1643. In 1642 nam hij zitting in de vergadering van de Zweedse ridderschap (Riddarhuset). In 1644 werd hij koninklijk Zweeds commissaris voor de levering van een oorlogsvloot van dertig schepen; daartoe schoot hij een half miljoen rijksdaalders voor waarvan hij uiteindelijk maar een deel heeft teruggezien. In 1647 was hij medeoprichter van de Zweedse Afrika-Compagnie, die na zijn dood door zijn zoons Laurens en Louis V werd voortgezet voor de handel op de Kust van Guinee (de Goudkust, huidig Ghana).

In Amsterdam woonde hij met zijn grote gezin in het ‘Huis met de Hoofden’ (Keizersgracht 123) dat in 1622 door Hendrick en Pieter de Keyser was gebouwd en dat hij in 1634 van koopman Nicolaas Sohier had gekocht. Hij bepaalde testamentair dat dit huis altijd in de familie moest blijven. Louis gaf veel aan goede doelen, zoals het Walenweeshuis in Amsterdam (thans het Franse consulaat) en het onderwijs in Zweden. Hij zonderde steeds 10% van zijn winst af voor schenkingen aan de armen. Hoewel zelf overtuigd gereformeerd, bleef hij steeds tolerant ten aanzien van de luthersen, in Amsterdam zo goed als in Zweden (waar de staatskerk luthers is), en ontving en steunde ook dissenters en intellectuelen met nieuwe opvattingen, zoals Descartes. Op initiatief van zijn zoon Laurens nam hij de Boheemse filosoof en pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670) in zijn huis op, mede om voorstellen voor de hervorming van het onderwijs in Zweden te formuleren. In 1779 werd het Huis met de Hoofden door zijn nazaten verkocht. Het stadspaleis dat hij voor zichzelf in Stockholm liet bouwen, dient sinds 2011 als Nederlandse ambassade. Zijn vermogen werd op anderhalf miljoen gulden geschat, na dat van de stadhouder het grootste van de Republiek.

Louis’ zoons volgden hun vader in het familiebedrijf op. Nakomelingen in Zweden (De Geer van Finspång) werden daar later verheven tot baron (1766) en graaf (1818); in Nederland werden nazaten in 1814 en 1815 in de Nederlandse adel opgenomen (De Geer van Rijnhuizen, De Geer van Oudegein, en De Geer van Jutphaas). De leden van het geslacht De Geer hebben steeds veel aandacht besteed aan hun (verondersteld adellijke) herkomst en genealogie, te beginnen met Laurens de Geer (1614-1666), die door middel van een genealogische kaart de afstamming van het Luikse geslacht De Geer uit dat van Van Hamal heeft willen bewijzen, en zijn broer Louis (1622-1695), in diens Commentarii de Gente de Geeriana, voortgezet door Jan Louis Willem de Geer van Jutphaas in zijn biografie van Louis IV de Geer (1834) en zijn Notice historique sur la famille de De Geer (1843). In Norrköping wordt de herinnering aan Louis levend gehouden in een standbeeld (door Carl Milles, 1945), de naam van school met hogere beroepsopleidingen (De Geergymnasiet) en het concert- en conferentiegebouw Louis de Geer Konsert & Kongress (Louis de Geer-Norrköping Concert Hall).

Bronnen
Het Utrechts Archief, toegangsnr 68: Familie De Geer van Jutphaas [A.M. Abelmann, Inventaris van het archief van de familie De Geer van Jutphaas (1988, herzien 2012)]. Hierin vooral: inventarisanummer 47, Geestelijk testament van Louis de Geer, naar aanleiding van het overlijden van zijn echtgenote Adrienne Gérard; met afschrift en toegevoegde vermaning van Johanna Parmentier, zijn schoondochter, 1634 ; inventarisnummer 49, Sur la mort de Monsieur Louys de Geer, gedicht (1652); inventarisnummer 51, Stukken betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van Elias Trip en van het geschil tussen zijn erfgenamen en die van zijn zwager Louis de Geer, met name inzake de Hallandtse goederen en vorderingen op de Zweedse kroon, 1650-1723; inventarisnummer 901: A.A. Vorsterman van Oyen, Het geslacht De Geer; van het begin der XIIde eeuw tot het einde der XIXde eeuw; historisch en genealogisch overzicht (Oisterwijk 1893).

In Zweden bevinden zich nog veel archiefstukken en bronnen over de familie De Geer.

Literatuur
Nederland’s adelsboek, 83 (1993), p. 42-86.
NNBW, deel X (1937), kol. 275-277 (Lodewijk de Geer door F. Wijdenes Spaans).
J.L.W. (Louis) de Geer van Jutphaas, Lodewijk de Geer. Eene bijdrage tot de handelsgeschiedenis van Amsterdam in de zeventiende eeuw (’s-Gravenhage 1834, 3e druk Utrecht 1852).
L. de Geer van Finspong en L. de Geer van Jutphaas, Notice historique sur la famille De Geer (z.p. 1843), gevolgd door een Apostille posthume op dat werk (1857).
C.F. Wiberg, Louis de Geer et la colonisation wallonne en Suède (Luik 1876).
G. van der Sman, Een patriciër-koopman van Amsterdam uit de 17de eeuw, Lodewijk de Geer, baron van Finspong en Leufsta (z.p 1934).
F. Breedvelt-van Veen, Louis de Geer, 1587-1652 (Amsterdam 1935).
I.H. van Eeghen, Het Huis met de Hoofden, in: Maandblad Amstelodamum, 38 (1951), p. 137-141 en 155-158.
J. Romein en A. Romein-Verschoor, Louis de Geer, in: Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen (Amsterdam 1977), p. 285-305.
P.W. Klein, De Trippen in de 17e eeuw: een studie over het ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt (Assen 1965); herdrukt in The emergence of international business, 1200-1800 (Londen & New York 1999).
D.G. Nijman, Louis de Geer (1587-1652), vader van de Zweedse industrie?, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 104 (1991), p. 213-232. Met een repliek door Jan Thomas Lindblad, Rehabilitatie van Louis de Geer (1587-1652) als vader van de Zweedse industrie, in: ibid., 105 (1992), p.  51-55, en dupliek door D.G. Nijman, ibid., p. 56-57.
J.Th. Lindblad, Louis de Geer (1587-1652), Dutch entrepreneur and the father of Swedish industry, in: C. Lesger en L.Noordegraaf (red.), Entrepreneurs and entrepreneurship in early modern times (Den Haag 1995), p. 77-84.
G. Xhayet, La famille de Geer et l’émigration wallonne en Suède, in : La Wallonie de Louis de Geer et la Wallonie d’aujourd’hui, catalogue d’exposition (Stockholm, 1999-2000).
L. Courtois, L’émigration wallonne vers la Suède au XVIIe siècle: un premier bilan historiographique et bibliographique, in: L. Courtois, M. Dorban en J. Pirotte, De fer et de feu. L’émigration wallonne vers la Suède au XVIIe siècle. Histoire et mémoire (Louvain-la-Neuve 2003), p. 51-67.
L. Panhuysen, Wapenhandelaar Louis de Geer (1587-1650 [sic !]), in: Historisch nieuwsblad 16, nr 6 (2007), p. 30-35 [ook digitaal].
C. Rooijendijk, Vrije jongens: een geschiedenis van de Nederlandse handel (Amsterdam/Antwerpen 2014), hoofdstuk 4: Louis de Geer, kanonnenkoning in Zweden.

Willem Frijhoff (november 2018)

 

Sluit het Verborgen Museum