Cornelis Kuipers

23-07-1739 (Dordrecht)  -  04-12-1802 (Dordrecht)

Portret van Cornelis Kuipers door zoon Hendrik, mogelijk naar een zelfportret van Cornelis Kuipers (Regionaal Archief Dordrecht 552_328247)

Cornelis Kuipers (ook Kuijpers), kunstschilder, behang- en decoratieschilder, werd 23 juli 1739 geboren in Dordrecht als zoon van Hendrik Kuipers (overleden voor 1754) en Cornelia van Nispen (Dordrecht 1710-Dordrecht na 1768) en overleed 4 december 1802 in Dordrecht. Hij trouwde op 1 januari 1764 in Dordrecht met Adriana Booy (Dubbeldam 1738-Dordrecht 1816). Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren, twee meisjes en vijf jongens allen in Dordrecht gedoopt: Hendrik (14 maart 1764), Maria (4 juli 1766), Johannes (3 maart 1769), Willem (15 september 1771), Cornelia (7 april 1773), Cornelis (15 juni 1777) en Adrianus (17 maart 1779).

Dordtenaar Cornelis Kuipers heeft als kunstschilder sinds de jaren 80 van de 20ste eeuw weer de bekendheid in de kunstwereld die hij bij tijdgenoten had. Een verklaring voor die langdurige onbekendheid is wellicht, dat hij opgeleid was buiten Dordrecht en geen lid was van het Teekengenootschap Pictura uit 1774, doordat hij deel uitmaakte van een wat oudere generatie, dan de schilders die rond 1800 in Dordrecht voor een bloeiperiode zorgden. Hoewel hij lange tijd als decoratieschilder werkte, bereikte hij een meesterschap in het schilderen van landschappen en bloemstillevens. Als schildersbaas liet hij het grove schilderwerk aan een knecht en verzorgde zelf het decoratiewerk. Het succes van zijn ‘verwerswinkel’ bood hem de gelegenheid zich als kunstschilder te ontwikkelen.

Zijn vader woonde in 1730 als weduwnaar bij het Bagijnhof en hertrouwde 2 september 1736 met Cornelia van Nispen. Cornelis groeide in dit gezin op met broer Aart (gedoopt 15 november 1737) en zuster Cornelia (gedoopt 17 oktober 1742). Hij bleek al vroeg aanleg voor tekenen te hebben, maar zijn ouders zagen voor hem een toekomst als grofschilder. Het grofschilderen werd in een schildersbedrijf gecombineerd met decoratieschilderen, de tussenvorm van grof- en fijnschilderen (het kunstschilderen). Dordrecht kende enkele schilderswinkels, zoals die van Leendert van Strij (1728-1798), de vader van de kunstschilders Abraham en Jacob van Strij. Cornelis zou het vak echter in een schildersbedrijf in Den Haag leren. In die stad waren toen twee bekende kunstschilders werkzaam: Johan Heinrich Keller (1692-1765) en Dirk van der Aa (1731-1809), leerling van Keller. Ten onrechte wordt soms gesteld dat Cornelis bij hen in de leer was. In werkelijkheid inspireerden deze twee Cornelis met hun werk ‘die zijnen smaak daar na vormde’ (R. van Eynden). Tijdens zijn leertijd in de schilderswinkel kreeg Cornelis veel ruimte voor het decoreren van plafonds, kamerbehangsels, schoorsteen- en deurstukken, zelfs voor kunstschilderwerk. Cornelis had contact met de genoemde kunstschilders en zal van hen adviezen hebben gekregen.

Na volbrachte leertijd keerde Cornelis terug in Dordrecht en begon daar een schildersbedrijf, een ‘verwerswinkel’, en trouwde er. Hij had een ‘welbeklanten schilderswinkel doch zelve legde hij zich meest op het schilderen alleen toe en heeft veele kamerdeur en schoorsteenstukken in Dordrecht vervaardigt’, aldus Roeland van Eynden (1747-1819). Cornelis hield zich dus voornamelijk bezig met het decoratieschilderen; de grens met fijnschilderen is daarbij heel dun. Hij maakte onder meer landschappen, bloemstillevens en portretten. De landschappen waren aanvankelijk geïdealiseerd met fantasierijke poorten en andere bouwsels. Na 1780 werden zijn landschappen realistisch. Volgens R. Harmanni ontwikkelde Kuipers hierin ‘een opvallende eigen stijl met veel geboomte die uiteindelijk uitmondde in zware boslandschappen met een krachtig clair-obscur‘.

Opvallend in het werk van Kuipers is verder, dat menselijke figuren doorgaans klein worden afgebeeld en anatomisch niet altijd correct zijn. Met zijn bloemstillevens bereikte Kuipers volgens critici een hoog niveau, zowel in compositie als in het schilderen. Enkele topstukken in dat genre bevinden zich in het Dordtse ‘Museum aan de Maas’, evenals drie schoorsteenstukken: een grisaille (in grijstinten) en twee in kleur geschilderde stukken. Het decoratiewerk was voor Kuipers de belangrijkste bron van inkomsten. Hij produceerde vooral grisailles die een imitatie waren van in reliëf uitgevoerd beeldhouwwerk. Hij hield zich ook bezig met het schilderen van kamerbehangsels op linnen. Het waren fraaie alternatieven voor de kostbare gobelins en goudleerbekledingen in de huizen van welgestelde Dordtenaren.

Het werken met clair-obscur leidde in 1787 wellicht tot het schilderen van kaarslichtscènes. Cornelis trad daarmee in het voetspoor van Dordtse meesters op dit gebied: Godefridus Schalcken (1643-1706) en Michiel Versteegh (1756-1843). Het werken in diverse genres betekent dat hij onderzoekend te werk ging. Zijn vaardigheid en oog voor compositie ontwikkelde hij grotendeels op eigen kracht. Zijn meesterschap heeft dan ook een sterk autodidactisch element. Roeland van Eynden oordeelde dat Kuipers ‘het in de kunst zeer ver zoude hebben kunnen brengen indien hij van het begin af bij een goed meester voor de schilderkunst alleen was opgekweekt geworden’.

Cornelis Kuipers was in Dordrecht bevriend met schildersbaas, kunstschilder en kunsthandelaar Cornelis Vermeulen die evenals Kuipers aan het Bagijnhof woonde. In een notariële akte van 10 oktober 1771 benoemde Vermeulen Kuipers en Wouter Uitterlimmige, ‘konstkoper’, tot executeurs van zijn nalatenschap en tot voogden van zijn minderjarige kinderen en erfgenamen. In mei 1777 kocht Cornelis van burgemeester Pieter Hoeufft (1708-1778) voor 900 gulden een koetshuis met stal en een huis halverwege het Bagijnhof, dicht bij de brug in de Raamstraat of het Achterom. Het koetshuis met stal nam hij in gebruik als schilderswerkplaats.

Een belangrijke opdracht kreeg Kuipers in mei 1779: het decoreren en schilderen van het nieuwe orgel en het preekgestoelte van de Dordtse Lutherse Kerk. Bovendien moest het hele kerkgebouw van binnen worden geschilderd, een combinatie van grof- en decoratieschilderen. De kerkenraad had de schilderswinkels van Van Leen, Van Strij en Kuipers benaderd. Cornelis Kuipers mocht het werk uitvoeren voor 305 gulden.

In 1780 kocht Kuipers voor 600 gulden zijn moeders huis aan het Bagijnhof naast dat van notaris J.H. Schultz van Haegen. Vele Dordtenaren waren gevoelig voor de patriotse denkbeelden die in de jaren 80 in de Republiek werden verspreid. Cornelis Kuipers steunde dat streven en trad in 1783 toe tot de Sint Jorisschutterij, de zogenoemde voetboogschutters. Hij werd luitenant van de tweede compagnie, zijn broer Aart eveneens in de eerste compagnie. Beiden vervulden deze officiersbaan tien jaren. Aart werd in 1794 deken van de schutterij.

De benoeming tot luitenant was een teken dat Cornelis en Aart tot de Dordtse (patriotse) elite werden gerekend, want alleen uit die klasse werden de officieren van schutterij en burgercompagnie gerecruteerd. Omstreeks 1785 maakte Kuipers in de Sint Jorisdoelen in het Steegoversloot met pen en penseel een schuttersstuk van de officieren en manschappen van zijn schutterij. Hij is daarop zelf prominent aanwezig in uniform en voorzien van palet. Zijn streven naar vrijheid en democratie bleek ook uit een tekening van de Dordtse stedenmaagd met vrijheidshoed. Het is een allegorie op het (vermeende) recht van de gilden zelf hun bestuurders te kiezen in plaats van een benoeming door de Oudraad (voorganger van de gemeenteraad).

Dat Kuipers deel uitmaakte van de gegoede Dordtse burgerij bewees zijn benoeming tot officier bij de schutterij, maar zijn welstand kwam naar voren in een notariële akte van 11 mei 1784 om samen met boekhandelaar/uitgever Pieter Blussé (1748-1823) voor een bedrag van f 6.000 borg te staan voor Pieter Vrieswout die het innen van stedelijke belastingen op zich had genomen.

Van Cornelis’ kinderen waren Hendrik en Willem grof- en kunstschilder. Hendrik bereikte als tekenaar en etser een hoog niveau, diverse musea bezitten werk van hem. De kunstwereld had hoge verwachtingen, maar hij overleed op jonge leeftijd in april 1798 en werd 11 april begraven in de Dordtse Grote Kerk. Willem werkte in het schildersbedrijf van Cornelis.

Cornelis en echtgenote maakten 13 september 1800 bij notaris J.H. Schultz van Haegen hun testament. De kleding, goud en zilverwerk van Cornelis gaan naar de drie zoons Johannes, Willem en Adrianus (Hendrik en Cornelis zijn overleden). Willem erft bovendien het huis op het Bagijnhof en de schilderswinkel met gereedschappen, een vergoeding voor zijn werkzaamheden in het bedrijf. Willem bleef ongehuwd en zette de schilderswinkel tot zijn overlijden op 10 juli 1818 voort. Pakhuis en woonhuis werden toen door de erfgenamen verkocht. De kleding van Adriana is met het goud, zilver en juwelen voor de dochters. Niets van de inboedel (inclusief vele kabinetstukken van Cornelis: landschappen, bloemstukken, portretten en gezelschapsonderwerpen) mocht verkocht worden, maar diende verdeeld te worden onder de kinderen. Op 4 december 1802 overleed Cornelis en werd 10 december in de Dordtse Grote Kerk begraven. Adriana overleed 3 december 1816.

Bronvermelding en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht: archief 20: inventaris 1119 (akte 68), 1163 (akte 62), 1208 (akte 109); archief 191: inventaris 1; archief 489: Heerenboekjes; DTB; Beeldbank.
R. van Eynden, Ongepubliceerde brief aan A. van Willigen over Cornelis Kuipers in RKD-Nederlands instituut voor kunstgeschiedenis (Den Haag 12 oktober 1817).
C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht (Zaltbommel 1974).
J. Erkelens, Cornelis Kuipers 1739-1802, in: Levend stilleven (Ede 1993).
R. Harmanni, Cornelis Kuipers (1739-1802), schildersbaas en kunstschilder, in: H.A. van Duinen en C. Esseboom (red.) Het Dordts Patriciërshuis Museum aan de Maas (Dordrecht 2016).

Cees Esseboom (september 2016)

 

Sluit het Verborgen Museum