Karel Johannes Julianus Lotsy

03-03-1893 (Baltimore (Maryland))  -  29-08-1959 (Koog aan de Zaan)

Karel Lotsy als sportleider van het Nederlands legen tijdens de mobilisatie. Foto uit het tijdschrift De Wacht van 18 november 1939 (Regionaal Archief Dordrecht 552-K633).

Geboren 3 maart 1893 te Baltimore (Maryland), overleden 29 augustus 1959 in Koog aan de Zaan. Zoon van Johannes Paulus Lotsy/Lotsij (1867-1931) en Catharina Christina Goossen (1868-1925). Karel Lotsy trouwde te Dordrecht met Wilhelmina Diderica (Mien) Vriesendorp (1896-1975) op 18 juni 1919. Uit dit huwelijk één dochter. De scheiding werd uitgesproken op 17 mei 1935. Tweede echt met Aaltje Beltman op 30 januari 1936. Uit dit huwelijk geen nakomelingen.

Karel Lotsy was een inspirerende sportbestuurder, actief in vele nationale en internationale sportorganisaties. Hij was lid van de keuzecommissie van het nationale voetbalelftal. Bij de Olympische Spelen van 1936 (Berlijn), 1948 (Londen) en 1952 (Helsinki) was hij chef de mission van de Nederlandse Olympische ploeg. In de jaren dertig coachte hij het nationale voetbalelftal waarmee hij opmerkelijke resultaten bereikte, mede door de door hem ontwikkelde mental training. Hij werkte als adjunct-directeur van De Holland van 1859, een Dordtse brandverzekeringsmaatschappij. Publicaties in 1979 en 1992 over Lotsy’s rol gedurende de bezetting hebben zijn reputatie tot inzet van debat gemaakt.

Karel Lotsy stamde uit een intellectueel milieu. Vader Lotsy, was lector plant- en dierkunde aan de Johns Hopkins University te Baltimore. In 1895 verhuisde het gezin naar Nederlands – Indië waar Lotsy senior kinaonderzoek deed in het kader van de malariabestrijding. Het gezin keerde terug naar Nederland en vestigde zich in Leiden waar Lotsy senior lector werd aan de universiteit (1904) en directeur van het Rijksherbarium (1906). Toen Lotsy senior in 1909 het secretariaat van de Koninklijke Hollandse Maatschappij der Wetenschappen aanvaardde, verhuisde de familie naar Haarlem. Karel deed in 1912 met succes eindexamen gymnasium.

In 1909 werd hij lid van de Haarlemse voetbalclub HFC. Hij bleek een weinig begaafde speler. Zijn kracht lag meer in de psychologische begeleiding van teams en individuele spelers. Om HFC, dat tweemaal achtereen was gedegradeerd, weer op topniveau te brengen nam hij de begeleiding van het eerste elftal op zich. Lotsy was overtuigd van de grote rol die het karakter speelde in de sport en dat sport van belang was voor de karaktervorming. Hier ontwikkelde Lotsy zijn “concentratie- en mentaltraining” en paste die met succes toe. Zo schreef hij aan alle spelers van het eerste elftal van HFC wekelijks een brief met aansporingen om alles te doen dan wel te laten om HFC terug te brengen in de hoogste klasse. Dat lukte door tweemaal achtereen te promoveren.

Hij verbleef kort in Parijs, waar hij met succes een examen botanie aflegde. Inzet van dat examen was een student-assistentschap bij het federale ministerie van Landbouw in de Verenigde Staten. Hij werd gekozen en ging naar Washington. Daar werkte hij mee aan landbouwkundige proefnemingen. In 1913 vertrok Lotsy naar Svalöf in Zweden om er met de Zweedse botanicus professor Nilsson Ehle te werken aan zaadveredeling. De mobilisatie van 1914 deed hem terugkeren naar Nederland. Hij bereikte de rang van reserve tweedeluitenant bij de veldartillerie in Ede. In de mobilisatieperiode had Lotsy tijd om college te lopen aan de Landbouwhogeschool te Wageningen. Na zijn demobilisatie brak hij zijn studie in Wageningen af toen zijn oom hem vroeg adjunct-directeur te worden van verzekeringsmaatschappij De Holland van 1859 in Dordrecht.

Bij de voorbereidingen op de Olympiade van 1928 in Amsterdam was hij betrokken bij de organisatie van het voetbaltoernooi. Hij trad in 1930 toe tot het hoofdbestuur van de KNVB en werd in 1931 voorzitter van de technische commissie. Begin jaren ’30 werd hij coach van het nationale elftal dat in de periode 1927-1931 slecht presteerde. Hier beproefde hij zijn door zelfstudie geperfectioneerde concentratie – en mentaltraining. De voorbereidingen op de interlands vonden plaats in het clubgebouw van de Haagse voetbalclub V.U.C. Door de uitstekende resultaten van het Nederlands elftal onder zijn leiding in de periode 1931- 1934 had dit gebouw al snel de naam de Wondertent. Befaamd waren zijn toespraken kort voor de interlands waarbij de spelers een laatste stimulans werd meegegeven. Omdat Lotsy inmiddels functies had aanvaard in het Nederlands Olympisch Comité en de wereldvoetbalorganisatie FIFA, legde hij ondermeer zijn voorzitterschap van de technische commissie van de KNVB neer.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Lotsy korte tijd adviseur voor de sport bij het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en werd eveneens lid van het College van Gevolmachtigden voor de sport. Najaar 1941 nam hij ontslag. Na de oorlog werd Lotsy na onderzoek door de Commissie voor de Zuivering van de Sport vrijgesproken van collaboratie en bleef hij actief als sportbestuurder. Van 1942 tot 1953 was hij voorzitter van de KNVB. Bij de oprichting van de Nederlandse Sport Federatie (NSF) in 1959 kort voor zijn overlijden, werd hij haar eerste voorzitter.

In 1979 schreven de journalisten Frits Barend en Henk van Dorp twee sportbijlagen voor weekblad Vrij Nederland, onder meer over Lotsy’s rol in de oorlog. Zij zetten hem neer als ‘foute Nederlander’ en beschuldigden hem van antisemitisme. Hij komt er evenmin goed af in de dissertatie van Swijtink In de pas (1992) over de sport tijdens de Duitse bezetting. De polemiek draait vooral om twee vragen. De eerste betreft de betrouwbaarheid van mondelinge getuigenissen van met name arbiter Leo Horn en voetbalinternational Bram Appel inzake Lotsy’s vermeend antisemitisme. Het tweede twistpunt draait om de interpretatie van een door Lotsy ondertekende brief van 1 december 1940 aan de hockeybond, die pas na publicatie van de biografie in fotokopie opdook (maar waarvan het origineel nog niet boven water is gekomen). Daarin wordt geadviseerd dat er “…voorlopig geen Israëlieten in de Hoofdbesturen mogen zitten”. Betrof het hier een initiatief van de bezetter of juist van Lotsy zelf? Ondanks zijn vrijspraak door de zuiveringscommissie en de waardering, eerbewijzen en onderscheidingen die Lotsy ontving, is dit odium op hem blijven rusten. Het debat leidde ertoe dat naar hem vernoemde straten in meerdere gemeenten werden omgedoopt, tot verontwaardiging van Lotsy’s familie die vond dat hij in de oorlog deed wat hij altijd gedaan had: de belangen van de sport dienen en de sportbeoefening stimuleren. De Karel Lotsyweg in Dordrecht behield zijn naam, maar zijn borstbeeld op sportcentrum Papendal, in 1971 onthuld door prinses Beatrix, is verwijderd evenals het naambord op de Lotsy-sporthal aldaar. Onderzoeksjournalist van Kolfschooten heeft in zijn in 2009 verschenen biografie van Karel Lotsy voor eerherstel gepleit op grond van nieuw onderzoek o.a. in voor Barend, van Dorp en Swijtink destijds nog gesloten archieven.

Bronnen en literatuur
F. Barend en H. van Dorp, Voetbal in de oorlog. Bijlagen bij Vrij Nederland van 5 en 19 mei 1979.
A. Swijtink, In de pas. Sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog (Haarlem 1992).
F. van Kolfschooten, De Dordtse magiër. De val van volksheld Karel Lotsy. (Amsterdam 2009).
Biografisch Woordenboek Nederland, deel 1, p. 350-351 (Den Haag 1979).

Roel Leentvaar (juni 2012)

Sluit het Verborgen Museum