Johannes Christianus Schotel

11-11-1787 (Dordrecht)  -  21-12-1838 (Dordrecht)

J.C. Schotel, getooid met het ridderkruis in de orde van de Nederlandse Leeuw. Lithografie van Hilmar Johannes Backer (Regionaal Archief Dordrecht 551_11080).

Geboren op 11 november 1787 in Dordrecht en 14 november gedoopt, overleden in Dordrecht op 21 december 1838. Hij was de zoon van Gilles Schotel Jansz (Dordrecht 27 oktober 1737-Dordrecht 27 juli 1808, fabrikant) en Sara Dyonisia Meuls (Hardinxveld 7 maart 1746-Hardinxveld 31 juli 1795). Trouwde 13 juni 1806 in Dordrecht met Petronella Elizabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781-Dordrecht 25 oktober 1840, uitmuntende tekenares). Zij was de dochter van notaris en procureur Petrus Johannes van Steenbergen (Dordrecht 11 juli 1744-Dordrecht 2 maart 1833, zoon van geneesheer en lector anatomicus Willem van Steenbergen) en Geertruida Heije (Dordrecht 18 januari 1752). Uit dit huwelijk vier zoons en twee dochters: Gilles Dionysius Jacobus (Dordrecht 9 april 1807-Leiderdorp 9 december 1892, predikant en schrijver), Petrus Johannes (Dordrecht 19 augustus 1808-Dresden 23 juli 1865, kunstschilder en leraar tekenen aan het Instituut van de marine in Medemblik), Johannes Christianus (Dordrecht 17 augustus 1810, zeeofficier), Jan Willem van Steenbergen (Dordrecht 14 april 1812-Zoeterwoude 2 april 1891, chirurg en verloskundige; de achternaam van moeder als voornaam toegevoegd bij geboorteaangifte), Christina Petronella (Dordrecht 26 februari 1818-Aardenburg 7 juli 1854, schilderes van stillevens, trouwde een predikant) en Catharina Elizabeth (Dordrecht 3 februari 1822, trouwde een zeeofficier).

Johannes was voorbestemd vader op te volgen als fabrikant van garens in de bloeiende twijnderij die grootvader Jan in 1732 in Dordrecht had opgericht. Een dergelijk leven ambieerde Johannes niet, maar hij wilde zijn heil op zee zoeken. Vader voorkwam dat door zijn zoon een kostbare boeier cadeau te doen waarmee Johannes de rivieren, de Zuiderzee en de Noordzee kon bevaren. Zijn leven nam een ommekeer toen hij zijn vader in 1806 toch in de twijnderij moest opvolgen. Door politieke en economische omstandigheden kwam de garenfabriek vrijwel geheel tot stilstand. Johannes besloot zich toe te leggen op het tekenen en schilderen. Van fabrikant tegen wil en dank groeide hij uit tot een beroemde en veelgevraagde kunstschilder van ‘watergezichten’, een zeeschilder van het kaliber van de zeventiende-eeuwse Willem van de Velde de Oude. Vrijwel alle grote Nederlandse musea bezitten een of meer werken van hem.

Johannes groeide op in het gezin van een welgestelde fabrikant die zijn producten in binnen- en buitenland verkocht. Na de lagere school van J. Krol werd de jongeman voorbereid op de handel. Hij kreeg onderwijs in Nederlands, Frans, Duits en Engels. Daarnaast legde hij zich toe op de zang- en toonkunst waarin hij volgens tijdgenoten een ware meester werd. Het leidde tot het medeoprichter en een werkend lidmaatschap van de Maatschappij ter bevordering der Toonkunst, afdeling Dordrecht. Bovendien volgde hij lessen in orgelspel, piano en koraalzang. In de betergesitueerde gezinnen ontvingen de kinderen voor een goede opvoeding ook tekenlessen. Johannes ging op les bij de Dordtse kunstschilder A. Meulemans, maar zijn vorderingen waren niet groot, vooral doordat de lessen zich beperkten tot het kopiëren met oostindische inkt van voorbeelden. De drang tot tekenen bleef echter en al vroeg (1805) werd Johannes lid van het tekengenootschap Pictura, aanvankelijk als honorair lid, later werkend lid. Gevestigde grootheden als de gebroeders Jacob en Abraham van Strij waren voor Johannes belangrijke leermeesters bij Pictura.

Met zijn boeier Apollo trok Schotel er vaak op uit, bij voorkeur met zwaar weer om de hoge deining op de Zuiderzee en Noordzee bij storm mee te maken. Hij zocht het gezelschap van ervaren schippers van wie hij nagenoeg alles leerde over schepen, tuigage en hoe de diverse schepen werden bestuurd. Op zijn tochten was zijn schetsboek altijd aanwezig. De schepen die hij op die tochten tekende, waren vele malen beter dan de figuren die hij bij Pictura tekende. Aan de tekeningen van de naakte en geklede modellen mankeerde veel. De anatomie van de schepen was hem bekend en om ook de menselijke anatomie onder de knie te krijgen volgde hij de anatomische lessen bij Frederik Jan Haver Droeze, chirurgijn en lector in de ontleed- en heelkunst (1779-1850) in Dordrecht.

In 1806 veranderde er veel voor de achttienjarige Schotel. De zwakke gezondheid van vader was er de oorzaak van dat de jongeman de zorg voor de twijnderij op zich moest nemen. Het door Napoleon afgekondigde Continentaal Stelsel bracht in hoge mate de economie van het Koninkrijk Holland in de problemen. De garenfabriek zag de afzet sterk dalen en de export viel vrijwel stil. Johannes had nu weinig om handen en voldoende tijd om te varen en te tekenen. Bovendien kon hij over ruime geldmiddelen beschikken. Boekhandelaar en uitgever Pieter van Braam en de gebroeders Van Strij moedigden Johannes aan door te gaan met tekenen, maar ook schilderlessen te nemen bij de vermaarde kunstschilder Martinus Schouman. In 1808 ging Johannes bij hem in de leer.

Toen de conscriptie werd ingevoerd, verkocht Schotel zijn boeier. Iedere eigenaar-schipper van een pleziervaartuig moest loten voor de maritieme conscriptie. Bij inloting werden vaartuig en schipper ingelijfd bij de Napoleontische marine. Later zou Schotel als kapitein van de stedelijke garde strijden tegen de Fransen toen die in 1813 Dordrecht belegerden en beschoten. Hij ontving er in 1819 een zilveren medaille voor. Op latere leeftijd was hij kapitein in de rustende (reserve) schutterij; in 1831 werd hij als kapitein ingelijfd bij de strijdmacht tegen België.

In de periode 1808-1813 hield de jonge schilder zich voornamelijk bezig met tekenen, hoewel hij ook het schilderspalet regelmatig ter hand nam, maar uit onvrede over het resultaat weinig schilderijen voltooide. Dat de vaardigheid in het schilderen sterk toenam, bewijst het feit dat hij samen met leermeester Schouman voor het letterkundig genootschap Diversa Sed Una een schilderij maakte naar aanleiding van de Franse aftocht na de beschieting van Dordrecht in 1813. Die samenwerking werd nog enkele jaren voortgezet, getuige o.a. de historische voorstelling Attaque op Algiers door de gecombineerde Engelse en Hollandse eskaders uit 1816. Ook met de kunstschilder Johannes Schoenmakers (1755-1842) werd samengewerkt.

Schotel groeide in een rustig tempo naar een zelfstandig kunstenaarschap. In 1811 verkocht hij na een Haagse expositie een tweetal tekeningen van ‘watergezichten’ die daar lof hadden geoogst voor 80 en 250 gulden. Zijn eerste olieverfschilderij, Woelend water, verscheen in 1817 op een expositie in Den Haag. Schotel groeide uit tot een Europees bekende kunstschilder die werken leverde aan de Tsaar van Rusland, de koning van Pruisen, koning Willem I van Nederland, andere buitenlandse opdrachtgevers uit onder meer Engeland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Rusland en uit Nederlandse particuliere kringen. Hij exposeerde in binnen- en buitenland en oogstte louter lof die vaak gepaard ging met een zilveren of gouden medaille. Koning Willem I benoemde hem vanwege zijn verdiensten in 1825 tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Tsaar Nicolaas toonde in 1828 zijn erkentelijkheid door hem voor het viertal ‘kapitale zeegezichten’ dat Schotel voor hem had geschilderd een gouden snuifdoos te doen bezorgen die royaal met edelstenen was bezet.

Schotel was lid van het Koninklijk Nederlands Instituut en de kunstacademies van Berlijn, Amsterdam, Brussel, Antwerpen, Rijssel en van alle Nederlandse kunstverenigingen. Hij vergde veel van zijn uithoudingsvermogen, want naast het tekenen, schilderen en lesgeven was hij actief in de zang- en toneelkunst, leidinggevend bij Pictura en lid van de plaatselijke vrijmetselaarsloge La Flamboyante, een schaakgenootschap en het leesgezelschap Concordia. Op kerkelijk gebied was hij eveneens actief als diaken en als wijkmeester.

In 1835 verbleef hij vanwege zijn slechte gezondheid voor herstel enkele weken in Aken. Onder meer in 1837 en 1838 maakte hij buitenlandse studiereizen, doorgaans in gezelschap van zijn leerlingen, langs de kusten van België, Frankrijk en Engeland. Zijn gezondheid had er door te lijden en nam duidelijk af. Op 21 december 1838 overleed hij na een ziekbed van elf dagen. De grote culturele en maatschappelijke betrokkenheid van Johannes werd op 31 december benadrukt in zijn begrafenisstoet waarvan tien volgkoetsen deel uit maakten. Er waren drie koetsen voor de commissie van de Dordtse loge der Vrijmetselaars, een koets voor de Maatschappij der Toonkunst, afdeling Dordrecht en een koets van de zangvereniging Aurora. De stoet werd gesloten door een koets van het Toneelgezelschap Thalia. De kist van de overledene werd, in navolging van zijn wens, gedragen door werkende leden van Pictura. J.C. Schotel wordt geëerd met een monument in de Grote Kerk uit 1839 met als opschrift: Toegewijd aan den Onsterfelijken Zeeschilder J.C. Schotel, door ZIJNE VEREERDERS. Het gedenkteken werd ontworpen door stadsbouwmeester G.N. Itz en gemaakt door steenhouwer A. Singels.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht: archief 168, Collectie van bescheiden met betrekking tot de familie Schotel.
Van der Aa 17, p. 442.
Verklaring der bouwkundige afbeelding van het gedenkteeken opgerigt voor den beroemden zeeschilder Johannes Christianus Schotel, in de Groote Kerk te Dordrecht, in den jare 1839 (Dordrecht 1840).
G.D.J. Schotel, Leven van den zeeschilder J.C. Schotel (Haarlem 1840).
Een onsterfelijk zeeschilder. J.C. Schotel, 1787-1838, tentoonstellingscatalogus Dordrechts Museum (Zwolle 1989).

Cees Esseboom (mei 2015)

 

Sluit het Verborgen Museum