Johanna Wilhelmina Gips

29-09-1843 (Dordrecht)  -  18-12-1895 (Den Haag)

Portretfoto van Johanna Wilhelmina Gips, gemaakt omstreeks 1875 (NMI F.0688)

Johanna Wilhelmina (roepnaam: Wilhelmina; artiestennaam: Wilhelmine) Gips werd op 29 september 1843 in Dordrecht geboren als jongste dochter van Albertus Gips (Dordrecht 1793-Dordrecht 1851), boekhouder, en Sophia Beliana Maria van den Broek (1803-1884). Haar ouders waren op 31 oktober 1827 te Dordrecht getrouwd. Uit dit huwelijk kwamen acht kinderen; naast Wilhelmina zijn dat: Pieter (Dordrecht 1828-Dordrecht 1867); Cornelis (Dordrecht 1829-Schiedam 1892); Dingena Sophia (Dordrecht 1831-Den Haag 1913); Goverdina Cornelia (Dordrecht 1833-Nunspeet 1923); Sophia Maria (Dordrecht 1835-‘s-Gravenzande 1866); Maria Louisa (Dordrecht 1837-Dordrecht 1845); Jacob (Dordrecht 1839-Dordrecht 1846).

Het gezin was Nederlands Hervormd en woonde aan de Vest te Dordrecht, eerst in het huis dat destijds C 1021 genummerd was (tegenwoordig: Vest 73) en vervolgens – na het overlijden van vader – C 1022 (later: Vest 47). Na het overlijden van haar moeder woonde Wilhelmina nog enige jaren op dit adres, samen met haar twee ongehuwde zusters Dingena Sophia en Goverdina Cornelia. Wilhelmina is een oudtante van Wilhelmine Carbin-Gips (1897-1975), kunstschilderes. Wilhelmina bleef ongehuwd en overleed te ’s-Gravenhage op 18 december 1895.

Wilhelmina stamt uit een befaamd Dordts geslacht van scheepsbouwers. Haar vader, Albertus, werd op 15 september 1793 te Dordrecht geboren als zoon van Pieter II Gips (1749-1828) en Dingena van Limmen (1754-1833). Pieter was “scheepmaker” (scheepsbouwer) en eigenaar van een scheepswerf aan de Lijnbaan te Dordrecht. Pieter II was de zoon van Pieter Gregoriuszn Gips I en Catharina Roodbeen. Pieter Gips II kan worden beschouwd als de stichter (in 1794) van een onderneming die aan het begin van de negentiende eeuw uitgroeide tot een van Dordrechts grootste scheepswerven: C. Gips & Zonen. Wilhelmina’s oom Cornelis Gips (1778-1843) was scheepsbouwmeester en volgde zijn vader in de leiding op. Albertus zelf was als boekhouder naar alle waarschijnlijkheid verbonden aan deze onderneming, net als enkele van zijn broers. Albertus, die naast boekhouder ook reder was, zal derhalve niet onbemiddeld zijn geweest.

Wilhelmina Gips was in de negentiende eeuw zowel in binnen- als buitenland een beroemde sopraanzangeres en muziekpedagoge. Haar voorname komaf stelde haar in staat een uitgebreide scholing te ondergaan. Reeds op jonge leeftijd blijkt haar muzikale begaafdheid. Muziekonderricht ontving zij achtereenvolgens te Dordrecht, Rotterdam en Baden-Baden. Daarna ondernam zij een aantal concertreizen in het buitenland. Zij wist zich hiermee zeer in de kijker te spelen en werd een vermaard concert- en oratoriumzangeres. Vooral in Duitsland en Nederland was zij veelgevraagd. In haar laatste jaren, toen haar zangcarrière tanende was, vestigde zij zich als zangpedagoge aan de muziekschool van Dordrecht.

Wilhelmina ontving haar eerste muziekonderricht van de vermaarde Duitse musicus August Julius Ferdinand Böhme (1815-1883), die van 1846 tot en met 1875 in Dordrecht woonde en een vooraanstaande positie in het muziekleven van Dordrecht bekleedde. Zangonderricht ontving Wilhelmina vervolgens van Carl Schneider te Rotterdam. Deze uit Keulen afkomstige tenorzanger en pedagoog vertoefde toen voor enige jaren in Nederland. Wilhelmina zal tot 1869 les van hem hebben gehad. Samen met haar moeder en zussen Dingena Sophia en Goverdina Cornelia woonde zij het eerste halfjaar van 1869 in Rotterdam. Nog hetzelfde jaar keerde Wilhelmina met hen terug naar Dordrecht. De laatste fase in Wilhelmina’s muzikale vorming betrof Italiaanse coloratuurzang onder de wijdvermaarde mezzosopraanzangeres, componiste en pedagoge Pauline Viardot-García (1821-1910) te Baden-Baden. Onder haar auspiciën beleefde Wilhelmina in 1869 een van haar muzikale hoogtepunten met een optreden voor de koningin van Pruissen. Na haar afstuderen maakte Wilhelmina een aantal buitengewoon succesvolle concertreizen door Duitsland, Zwitserland en Engeland.

Gips trad diverse malen op tijdens liefdadigheidsconcerten, zoals in 1870 en 1871 te Dordrecht respectievelijk voor het Rode Kruis en voor hulpbehoevende toonkunstenaars. In 1873 trad zij eveneens in haar geboorteplaats op tijdens het ‘tweedaagsche muziekfeest’ van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Het was een van de laatste festijnen die haar eerste leermeester Ferdinand Böhme in Dordrecht meemaakte. Wilhelmina was toen al wegens haar verdiensten erelid van Toonkunst.

Een muzikaal hoogtepunt beleefde Wilhelmina op 8 december 1870 in het Gewandhaus te Leipzig. Ze trad op met de vermaarde meesterpianist en componist Carl Tausig. Voor Gips was dit haar debuut. Zij zong een recitatief en aria uit het oratorium De Schepping van Joseph Haydn en een concert-aria van Charles Auguste de Bériot. Een ander muzikaal hoogtepunt beleefde Wilhelmina op 15 februari 1877 in Rotterdam. Ze trad op met de beroemde meesterpianiste Clara Wieck-Schumann, echtgenote van de componist Robert Schumann. Wilhelmina trad ook regelmatig op in het door de Amsterdamse musicus Daniël de Lange opgerichte a-capellakoor. Een van de allereerste concerten van dit koor vond in 1881 in de Grote Kerk van Dordrecht plaats. Er werden meesterwerken van Di Lasso, Bach en Sweelinck ten gehore gebracht.

Op haar repertoire stonden werken van Mendelssohn, Mozart, Haydn, Bellini, Schubert en Schumann. Wilhelmina droeg bij aan de heropleving van ‘oude muziek’, zoals de muziek van Johan Sebastiaan Bach, Orlando di Lasso en Jan Pieterszoon Sweelinck. Ook ontwikkelde zij een grote belangstelling voor eigentijdse muziek. Zo zong zij bijvoorbeeld werk van Niels Gades, Hermina Maria Amersfoordt-Dijk en Willem Kes. Laatstgenoemde had Zur Antwort, een eenstemmig lied in C-majeur (opus 5, nr. 2) speciaal voor haar gecomponeerd.

De meeste recensenten lieten zich lovend over haar uit. Zo bijvoorbeeld in de Dordrechtsche Courant van 8 maart 1874: Wilhelmina wordt daar ‘gerangschikt onder de uitstekendste zangeressen van onze tijd’. Andere recensenten spraken in 1874 over haar ‘gevestigden roem’ en haar ‘zeer omvangrijk, zuiver en sympathiek sopraan-geluid’. Een andere recensent merkt op: ‘Zij bezat een zeer fraaie, hoewel niet krachtige, stem. Bewonderenswaardig was de zekerheid, waarmede zij solo-partijen vervulde. Iedere directeur kon op haar rekenen. Nauwgezet had zij steeds hare partijen bestudeerd en in zich opgenomen’. Niet altijd waren recensenten echter lovend. Zo verweet een enkeling haar een gebrek aan warmte en hartstocht en daarnaast: ‘Hinderlijk is bij deze zangeres de gebrekkige vorming van den toon op sommige scherpe (Duitse) vocalen … Het is te hopen dat mej. Gips er zich ernstig op zal willen toeleggen om dit gebrek te verbeteren’. Wilhelmina werd in de loop der jaren steeds zelfverzekerder, iets wat tot uitdrukking kwam in steeds lovender recensies.

Ook als zangpedagoge was Wilhelmina bijzonder bekwaam. Tot haar bekendste leerlingen behoorden de uit Den Bosch afkomstige baritonzanger Joseph Marie Theodor Orelio (1854-1926), de uit Dordrecht afkomstige baritonzanger en pedagoog Arnold Spoel (1859-1934) en de eveneens uit Dordrecht afkomstige operazangeres en pedagoge Wijntje Cornelia van Zanten (1855-1946). Wilhelmina heeft zelf niet gecomponeerd. Van haar is slechts enige correspondentie overgeleverd.

Tot eind jaren tachtig van de negentiende eeuw trad Wilhelmina nog diverse malen op. Gedurende haar laatste levensjaren besloot zij stiller te leven. Naar de redenen hiervoor valt slechts te gissen. In juni 1889 verhuisde zij van Dordrecht naar de Malakkastraat 55 in Den Haag. Het huis in Dordrecht, waar zij samen met haar twee ongetrouwde zusters woonde, werd spoedig daarna verkocht. Wilhelmina leed vlak voor haar overlijden aan een ernstige maagaandoening. Na een kort ziekbed overleed zij op 18 december 1895 te Den Haag, waarschijnlijk in het Bronovo-ziekenhuis. Zij werd 52 jaar. Wilhelmina ligt begraven op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Haar graf bestaat nog.

Zowel voor als na haar overlijden werden diverse liederen en gedichten aan haar opgedragen zoals: Wiegeliedeken in A-majeur uit 1873 van Willem de Haan, Moederlied in D-majeur uit 1886 van Marius Adrianus Brandts Buys sr. met het op toon gezette gedicht Ik zal u geven zooveel kussen van Gentil Theodoor Antheunis en het hiervoor genoemde eenstemmig lied Zur Antwort, in C-majeur, van Willem Kes.

Bronnen en literatuur
Adresboeken van Dordrecht, waaronder: 1885, 1899 en 1919.
Arnhemsche Courant, 1955.
Caecilia. Algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland, jaargangen 27 (1870), 31 (1874), 34 (1877), 53 (1896) en 81 (1923).
Dordrechtsche Courant, waaronder: 1872, 1874, 1875, 1895 en 1899.
F.B.J. Gips, 1794 – 1914 – 1964. C. Gips & Zonen – N.V. Gips’ Houthandel, later Gips’ Handel- en Beleggingsmaatschappij N.V. (Den Haag, 1963).
Kadaster van Dordrecht, RAD, toegang 581.
P. Kooij en V.C. Sleebe, Geschiedenis van Dordrecht van 1813 tot 2000 (Hilversum 2000).
S. Lensink, Dochters van Dordrecht (Dordrecht, 2020), p. 115-131.
J.H. Letzer, Muzikaal Nederland 1850-1910, tweede uitgave (Utrecht 1913), p. 58.
E.A. Melchior, Wetenschappelijk en biografisch woordenboek der toonkunst (Schiedam 1890), p. 234-235.
Merwepost. Geïllustreerd week-tijdschrift voor Dordrecht en omstreken, jaargang 4, 2 mei 1925.
H. Metzelaar, Gips, Johanna Wilhelmina, in: Digitaal vrouwenlexicon van Nederland.
Notarieel archief van Dordrecht, RAD, toegang 20, inv.nr. 1871 (aktenr. 102).
Nederlands Muziek Instituut (NMI) te Den Haag.
Programme der Konzerte im Gewandhaus zu Leipzig, band 7 (Leipzig 1870-1875).

Jan Willem Nieuwold (juli 2020)

 

Sluit het Verborgen Museum