Johan (van) Walen (Walenius)

1604 (Dordrecht)  -  na 1651

Titelblad van het pamflet Over-vreemde en noyt gehoorde procedvren waarmee Johan Walen zich in 1645 tot het Hof van Holland wendde (Regionaal Archief Dordrecht 489-10257).

Gedoopt Dordrecht, december 1604; overleden na 1651. Oudste levende zoon van Arend Sijmonsz van Walen (overleden 1652), lid van het lakenkopersgilde, acht (vertegenwoordiger van de gilden) in 1619-1624, raad in 1625, 1642-1644 en 1648, schepen in 1649-1650, en van Maeijcken Bra(i)makers (overleden 1656). Huwt te Dordrecht 18 juli 1638, wonend bij de Wijnbrug (ondertrouw Amsterdam 16 juli), de weduwe Sara de Beijser (Baijser), wonend op de Lauriergracht te Amsterdam, geboren Middelburg circa 1604, overlijden onbekend. Hieruit een dochter Arnoldina, gedoopt te Dordrecht 9 januari 1641. Sara de Beijser was op 14 december 1628 te Amsterdam gehuwd met Abraham Vos uit Emmerik (Kleef), oud 42 jaar; haar vader Cornelis de Beijser was getuige.

Johan Walens faam berust op zijn rol als spreekbuis van de gilden bij de Dordtse onlusten in 1647-1651, waarbij hij als een van de eersten in de Republiek de vereisten voor bestuurlijke vernieuwing en een behoorlijke vertegenwoordiging van de burgerij formuleerde. Als kritische intellectueel, afkomstig uit een familie van sociale stijgers, wilde hij afrekenen met de regentenoligarchie, de zelfzucht van de bestuurders en de willekeur in het stedelijke beleid. Hij werd daarvoor zwaar gestraft en verbannen. Verraad van intellectuelen aan de eigen klasse kon in regentenogen in geen geval worden geduld.

Zijn broer Gommert (Gomarus) Walen (1609-1636) promoveerde op 28 augustus 1632 te Franeker tot doctor in de medicijnen, werd in 1636 tot professor in de wiskunde aan de in 1634 gestichte Illustre School van Dordrecht benoemd en volgde zijn zwager Johan van Beverwijck op als stadsdokter. Maar zijn vrouw Alida van Beverwijck en hijzelf stierven al op 15 en 16 december van dat jaar aan de pest. Hun broer Balthazar Walen (1616-1694), lid van het houtkopersgilde, diaken en ouderling, oudraad in 1673, was schepen in 1673-74, 1682 en 1688. De moordenaar van een andere broer werd in 1636 berecht, waarbij Johan, toen raad, zich als naaste bloedverwant uit het gerecht terugtrok.

Johannes Walenius schreef zich op 30 april 1624 te Leiden in als student in de rechten. Tijdens zijn educatiereis naar Frankrijk promoveerde hij tot licentiaat in de rechten aan de universiteit van Orléans in de periode juni-augustus 1628. Op 6 februari 1629 werd hij toegelaten als advocaat voor het Hof van Holland en vervolgens beëdigd als extraordinaris advocaat van de Dordtse Oudraad bij het Hof. Daarna oefende hij de advocatuur in Dordrecht uit, was in 1636 en 1637 raad in de schepenbank (het gerecht) en vervolgens lid van de Oudraad. Omdat hij niet uit de gevestigde regeringsgeslachten stamde, maar wel een politieke rol wilde spelen, beschouwde de Dordtse regentencoterie hem als een lastige outsider. Dat werd hem ingepeperd tijdens een eerste reeks problemen, waarbij zijn persoon in het middelpunt stond. Op 15 oktober 1644 diende voor het Dordtse gerecht de zaak van de gebroeders Cornelis en Egbert Jacobsz, molenaars te Dordrecht. Cornelis was tot een boete van 600 gulden veroordeeld in een conflict met de pachters van de accijns op het gemaal op beschuldiging van fraude. Hun advocaat Walen bespeurde corruptie, familie- en vriendjespolitiek. Hij maakte van zijn hart geen moordkuil, maar schout Jacob van Beveren maakte zijn pleidooi onmogelijk door stukken achter te houden of te laat te communiceren. Op zijn schriftelijke protest suspendeerde de rechtbank, voorgezeten door Jacobs broer Abraham van Beveren, hem als advocaat op 17 november wegens minachting van het gerecht. Walen moest in de Oudraad met ontbloot hoofd dit vonnis van zijn oud-collega’s aanhoren – een publieke vernedering en aantasting van zijn eer die hem met diepe haat jegens de Van Beverens vervulde. Walen kreeg steun van de Gecommitteerde raden van het gewest en de stadhouder, waarna hij op 15 december een nieuw rekest bij het Dordtse gerecht indiende. Maar op 14 februari 1645 werd hij daar opnieuw veroordeeld en tevens uit de stad verbannen, terwijl zijn rekesten de dag daarop publiek werden verbrand. Met zijn pamflet Over-vreemde en noyt gehoorde procedvren wendde hij zich vervolgens tot het Hof van Holland en de Staten van Holland. Maar geadviseerd door de Dordtse raad bevestigden deze (waarin de Van Beveren-clan Dordrecht vertegenwoordigde) de uitspraak. Walen repliceerde met het uitvoerige pamflet Wit, dat tegen de heersende elite in nauwkeurig de wetten, gewoonten en verkiezingsprocedures van de stad documenteerde.

Toen de problemen in 1647 opnieuw oplaaiden, raakten ze de hele stad. De vrijmoedige intellectueel Walen was intussen stilletjes naar Dordrecht teruggekeerd. Hij was goed op de hoogte van de handvesten en privileges, en werd dan ook de welsprekende woordvoerder van de maatschappelijke onvrede en de pleitbezorger van een grondige vernieuwing van het politieke bestel. Vanaf de bijeenkomst van de gilden op 18 september 1647, die door burgemeester Jacob de Witt verboden was, hielden sociale en politieke onlusten Dordrecht in beroering. De gilden protesteerden dat de regenten hun politieke macht uitholden. Ze wilden hun oude rechten en privileges terug en wensten opnieuw goedkeuring te kunnen geven aan nieuwe belastingen. De Goede Lieden van Achten (de vertegenwoordigers van de burgerij uit de gilden) moesten weer kunnen meestemmen bij de burgemeestersverkiezing, de regels betreffende de verboden verwantschapsgraden tussen regenten moesten worden aangescherpt en daadwerkelijk onderhouden. Hun woordvoerder Walen wond daar geen doekjes om in het anoniem in Den Haag gedrukte pamflet ’t Magasyn van meyneedige ontucht, ende bastardt Spaensche moedt-wil (1647), een ‘seditieus libel’ waarom hij op 19 juli 1647 opnieuw door het Hof werd verbannen. De onwettige machtsconcentratie in handen van een ‘familieregering’ onder aanvoering van de burgemeesters Cornelis Willemsz van Beveren (naaste bloedverwant van Abraham en Jacob, ook hun vader Cornelis Jacobsz was burgemeester) en Jacob de Witt (schoonvader van Jacob van Beveren), nauwkeurig in dat pamflet gedocumenteerd, vond hij absoluut verwerpelijk, een ‘inetende kancker’ waartegen de ‘vrome magistraten, dekens en gilden’ in het geweer moesten komen. De arrogante Cornelis van Beveren vergeleek hij met de hertog van Alva omdat hij bij de verhoging van de vleesaccijns zou hebben gezegd: ‘De gemeente ete maar pap en brij’. Met een beroep op de Bijbel en het verzet van Willem van Oranje tegen de schending van de privileges door Filips II riep Walen op tot een volksopstand tegen de machthebbers in de stad.

Toen de spanning hoog opliep en het leger te hulp moest worden geroepen, mochten de gilden op 10 oktober in aanwezigheid van het stadsbestuur bijeenkomen en kregen zij bij resolutie van 14 oktober vooralsnog genoegdoening. Maar ze namen afstand van Johan Walen wegens zijn veroordeling door het Hof, dat op 1 oktober een prijs van 600 gulden op zijn hoofd had gezet. Er werd gefluisterd dat hij als pion van raadpensionaris Jacob Cats en de Dordtse pensionaris Matthijs Berck werd gebruikt in hun rivaliteit met de Van Beverens. De werkende klasse was niet tevreden met de uitkomst. Een bijkomend sociaal conflict werkte als lont in het kruitvat. Op 10 januari 1648 stelde de Oudraad een nieuw reglement voor het kaaiwerkers- of zakkendragersgilde vast. Door de terugkeer naar vrije marktwerking dreigden de inkomsten van de meer dan 400 kaaiwerkers drastisch te verminderen. Een opstand van de potige zakkendragers was het gevolg: ze zwoeren onderlinge solidariteit en strijd tot de dood voor hun rechten. Nadat ze het huis van burgemeester Jacob de Witt hadden bezet, lichtten de burgervendels enkele opstandelingen van hun bed. Toen het gerucht ging dat de leiders zouden worden opgehangen, vluchtten die de stad uit en ging het oproer als een nachtkaars uit. De magistraat verkoos de berouwvolle rebellen niet streng te vervolgen, en toen de dekens van het gilde vergiffenis vroegen, was de affaire voorbij. Maar tegen hun woordvoerder Walen werd zeer hard opgetreden. Op 7 februari 1648 werd hij door het Hof van Holland wegens het schrijven van twee oproerige pamfletten bij verstek veroordeeld tot eeuwige verbanning uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, onder bedreiging met de doodstraf bij terugkeer en werden al zijn bezittingen verbeurd verklaard.

Politiek escaleerde de zaak nog een keer. Een jaar later, op 13 maart 1649, vroegen de gilden aan de Oudraad inzage in alle privileges die in de ijzeren kast (het archief) berustten, met name het Houten boek dat, zoals Walen in zijn pamfletten had gemeld, een lijst van alle privileges zou bevatten. De kast werd geopend maar het Houten boek werd niet aangetroffen. Al spoedig werd dat onvindbare, mogelijk mythische boek tot het symbool van de onbetrouwbaarheid van de regenten, die de gilden hun rechten wilden onthouden. De Staten kozen op 11 augustus 1651 de zijde van de regenten, kwamen militair tussenbeide, en verbanden de opstandige gildeleden. Daarmee kwam een voorlopig einde aan hun politieke invloed, al woekerden de symboolfunctie van het missende boek en het onderlinge wantrouwen ondergronds voort. Het nieuwe reglement op de magistraatskeuze van 22 juli 1652 bracht de benoeming van de veertigen, schepenen en achten uit de nominaties van de gilden geheel in handen van de Oudraad. De regenten triomfeerden dus over de hele linie, temeer daar de invloed van de stadhouder met diens dood in 1650 was verdwenen. Maar Walens reputatie als volksheld bleef overeind.

Van zijn latere leven is niets bekend maar hij moet lang vóór 1685 zijn overleden. Toen stadhouder Willem III in 1684-1685 een nominatie van de achten terugdraaide omdat die hem niet beviel, werd Johan Walen nog eens opgevoerd als vertolker en symbool van de diepe onvrede en onmacht van de burgerij en werden zijn aanklachten tegen de familieregering herdrukt.

Publicaties
Requeste en appostille, aenden Ed. Hove van Hollandt (z.pl. 1645) [ex. in UB Leiden, Thyspf 4827].
Over-vreemde en noyt gehoorde procedvren, gehouden tegen Mr. Iohan Walen, mede oudt-raedt tot Dordrecht. Gedemonstreert […] aenden Ed. Hove van Hollandt (z.pl. 1645) [Knuttel 5231].
Op-rechte vertooningh, aende Ed:Gr:Mo: Heeren Staten van Hollandt [..] inde saecke van Mr. Johan van Walen, oudraedt tot Dordrecht, nopende de manifeste nulle en inique vonnissen […] by Mr. Abraham van Beveren […] ende Mr. Mathijs Berck […] (z.pl. 1645) [Knuttel 5232].
Wit, ofte oprechte vertooning, rakende de regiering en wetten der stadt Dordrecht (z.pl. 1645) [Knuttel 5233].
’t Magasyn van meyneedige ontucht, ende bastardt Spaensche moedt-wil. Treffende den vromen magistraten […] der stadt Dordrecht (z.pl. 1647) [Knuttel 5592; 3 verschillende drukken].

Bronnen en literatuur
P.H. van der Wall, Handvesten, privilegien, vryheden […] der stad Dordrecht, III (Dordrecht 1790) p. 1687-1713, 1724-1741 (tekst van alle relevante resoluties).
Nationaal Archief, Hof van Holland, inv. nr 5655, fol. 171v-176v (vonnis 1648); gedrukt:
Sententie byden Hove van Hollant, gepronuncheert inder sake van den procureur generael […] op ende jegens Mr. Johan Walen, ghewesen advocaet voor de Camere Judicieel der stadt Dordrecht […] (‘s-Gravenhage 1648) [Knuttel 5797].
Een missive behelsende eenige consideratien over de nominatie van de goede luyden van den Agten binnen Dordregt onlanx voorgevallen. Mitsgaders de ongehoorde proceduren tegens de heer en Mr Johan Walen […] in den Jare 1644 en 1645 […] en de onlusten daar naar in den jare 1647[…] (Nijmegen 1685) [Knuttel 12405].
J. Wille, Het houten boek. Democratische woelingen in Dordrecht, 1647-1651, in: Stemmen des tijds, 1 (1912) p. 1154-1179, 1263-1284.
R. Fruin (en N. Japikse), De Dordtsche regeeringsoligarchie in het midden der 17e eeuw, in: Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, VI, 1 (1924) p. 6-22.
I.J. Soer, Johan Walen en de democratische woelingen te Dordrecht van 1647-1651 (onuitgegeven scriptie 1950).
P. Schotel, Strijd om de macht, in: W. Frijhoff, H. Nusteling & M. Spies (red.), Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum 1998) p. 19-23.

Willem Frijhoff (november 2012)

Sluit het Verborgen Museum