Johan van Beverwijck

17-11-1594 (Dordrecht)  -  19-01-1647 (Dordrecht)

Portret van Johan van Beverwijck. Gravure door S. Savary naar een tekening van J.G. Cuyp (Regionaal Archief Dordrecht 551-10826).

Geboren Dordrecht 17 november 1594, gestorven Dordrecht 19 januari 1647. Zoon van de lakenkoper Bartholomeus van Beverwyck en Maria Boot van Wesel. Huwde te Dordrecht op 1 april 1619 Anna van Duverden (overleden 26 augustus 1624) en te ‘s-Gravenhage op 2 december 1626 Elisabeth de Backer. Het eerste huwelijk bleef kinderloos; uit het tweede werden twee zonen en zes dochters geboren van wie Anna (1631), Willem (1632) en Maria (1642) volwassen werden. Zoon Willem vestigde zich na zijn studie rechten in Leiden als advocaat in Dordrecht.

Johan stamt uit een aanzienlijk Dordts regentengeslacht. Zijn moeder was verwant aan de Vlaamse anatoom Andreas Vesalius (Andries van Wesel) en mogelijk is die verwantschap bepalend geweest voor zijn levensloop. Hij bezocht de Latijnse school in de Nieuwstraat, werd daar ingewijd in het Latijn en Grieks en kreeg retoricaonderwijs van Gerardus Joannes Vossius. Misschien volgde hij ook de anatomische lessen van Fr. Marcellus. Zeker is dat niet, want hoewel Johan graag in medische boeken snuffelde en het Secreet-Boeck uit 1600 van stadsdokter Carolus Battus uit het hoofd kende, stond zijn studierichting nog niet vast. Na lang aarzelen tussen letteren en rechten liet hij zich op 25 mei 1611 als student in de rechten te Leiden inschrijven. Pas later volgde de overstap naar medicijnen. In 1614 promoveerde hij te Leiden op de dissertatie De Apoplexia. Het jaar daarop toog hij naar het buitenland om praktijkervaring op te doen. Van Beverwijck reisde naar Frankrijk, waar hij de universiteiten van Caen, Parijs en Montpellier bezocht. Aan de universiteit van Padua in de republiek Venetië behaalde hij op 30 mei 1616 zijn doctorsbul. Hij vervolgde zijn Grand Tour door Italië met bezoeken aan Bologna, Siena, waar hij ternauwernood aan de pest ontkwam, Rome, Napels, Florence en Venetië.

In 1618 keerde hij in zijn geboorteplaats terug, waar hij zich als geneesheer vestigde in de deftige Wijnstraat tussen Nieuwbrug en Mattensteiger. Spoedig was hij hier een gevierd dokter met een grote praktijk en een gezien burger, voor wie door afkomst en studie alle openbare ambten openstonden. Op 8 november 1625 werd hij benoemd tot stadsdokter met als taken het bezoeken van de zieken in het Sacramentsgasthuis aan de Visstraat en het examineren van chirurgijns, pestmeesters en vroedvrouwen. Eerst in 1636 beëindigde hij, in beslag genomen door de pestepidemie die toen woedde, deze arbeid..

Van Beverwijck was een overtuigd tegenstander van specialismen. Hij wilde geen ziek deel maar een ziek mens behandelen. Een uitzondering maakte hij voor de praktische uitoefening van de heelkunde, die aan chirurgijns overgelaten diende te worden. De chirurgie werd beoefend door slecht opgeleide barbiers en empirici. Op verzoek van het Chirurgijnsgilde ging Van Beverwijck daarom in 1634 wekelijks lessen in de anatomie geven in de tot anatomisch theater omgebouwde gildekamer in de Wijnkoperskapel. In 1643 stopte hij daarmee, maar er bleef nog genoeg te doen. Al vanaf 1627 maakte hij deel uit van het stadsbestuur, eerst als Raad, maar in de jaren 1628-1629, 1631-1632, 1635-1636, 1639-1640 en 1644-1645 ook als Schepen en, vanaf 1631, als lid van het College van Veertigen. Zoals alle bestuurders en oud-bestuurders zat hij ook in de Oudraad, het college dat het algemeen bestuur der stad regelde. Veelvuldig bezocht hij als gedeputeerde de vergaderingen van de Staten van Holland in Den Haag.

Daarnaast was hij vanaf 1631 curator van de Latijnse school, weesmeester van de Weeskamer in 1637-1638 en 1642-1643 en volgde hij in 1636 Jacob Cats op als bibliothecaris van de stadsbibliotheek. In zijn vrije tijd beoefende hij de botanie. Menige lange winteravond bracht hij ook door ten huize van Jacob de Witt in de Grotekerksbuurt om er met andere Dordtse geleerden te discussiëren over filosofie en theologie. Zijn overbuurman en vriend Jacob Cats verzamelde de beoefenaren der poëzie om zich heen. En ook de bijeenkomsten van de ‘Dordtse Muiderkring’ op het Zwijndrechtse slot Develsteyn werden door hem bezocht.

Daarnaast vond hij tijd om te schrijven. Gedichten, Spaensche Xerxes uit 1639 (waarin hij de zeeslag tussen Grieken en Perzen vergeleek met de strijd van de Hollanders tegen Spanje) en uit hetzelfde jaar Van de uutnementheyt des vrouwelicken geslachts (biografieën van vrouwen in een verrassend feministisch perspectief), ’t Begin van Hollant in Dordrecht  (de eerste stadsgeschiedenis van Dordrecht, verschenen in 1640), maar vooral, vaak van versjes van Cats en gravures voorziene, medische boeken die blijkens de vele herdrukken en vertalingen in de zeventiende eeuw stukgelezen werden.

Zijn bekendste werkt is het drieluik Schat der gesontheyt (1634), Schat der ongesontheyt (1642) en Heel-konste (1645); de eerste complete gezondheidsleer en huisapotheek geschreven voor een breder publiek dan alleen geneeskundigen. Veel van zijn medische werkend werden gebundeld in Alle de wercken soo in medicyne als chirurgye, postuum gepubliceerd in 1651 en vaak herdrukt. In deze populairwetenschappelijke boeken, op advies van Cats in de landstaal geschreven, leren we Van Beverwijck kennen als een wetenschapper die nog met één been in de middeleeuwen staat. Zo was hij er van overtuigd dat de pest door de duistere praktijken van duivels en tovenaars veroorzaakt werd. Als remedie schreef hij een uitgeholde en met kwikzilver gevulde hazelnoot voor. Ook het roken van tabak kon besmetting voorkomen. En mocht dat niet werken, dan kon de pest verdreven worden door het afschieten van kanonnen. Na het drinken van kattenbloed zou men gaan miauwen en muizen vangen en als remedie tegen door betovering veroorzaakte impotentie beval hij urineren door de trouwring aan.

Toch stond Van Beverwijk wel degelijk open voor moderne denkbeelden. Zo was hij de eerste in Nederland die de theorie over de bloedsomloop van de Engelse arts William Harvey verdedigde. Hij besefte dat besmetting door bacteriën en virussen tot stand kan komen en ontwikkelde tamelijk oorspronkelijke opvattingen over de vorming van nier- en blaasstenen. Zie voor de werken van Van Beverwijck het bibliografische overzicht in het proefschrift van Baumann.

Literatuur
E.D. Baumann, Johan van Beverwijck in leven en werken geschetst (Dordrecht, 1910).
A. Stolk, Johan van Beverwyck, de medische vraagbaak van de Gouden Eeuw; zijn werk en zijn tijd (Amsterdam, 1973).
L. van Gemert, De schat der gezondheid, ziekte en genezing in de Gouden Eeuw: bloemlezing uit het werk van de Dordtse arts Johan van Beverwijck (Amsterdam, 1992).
L. van Gemert, Johan van Beverwijck als instituut, in: De zeventiende eeuw, 8 (1992), p. 99-106.
Verdere gegevens in Balen, p. 216, 979-984; Van der Aa 2-1, p. 500-503; NNBW 1, p. 327-332.

Jan Alleblas (maart 2012)

Sluit het Verborgen Museum