Johan de Witt

24-09-1625 (Dordrecht)  -  20-08-1672 (Den Haag)

Portret van Johan de Witt met op de achtergrond zijn broer Cornelis en daaronder een tafereel van de moord. Gravure door Romein de Hooghe, 1672 (Regionaal Archief Dordrecht 551_15763).

Geboren te Dordrecht op 24 september 1625, overleden te Den Haag op 20 augustus 1672. Jongere zoon van Jacob de Witt (1598-1674), meervoudig burgemeester van Dordrecht en Anna van den Corput (1599-1645). Haar vader Johan was rentmeester van de prinselijke domeinen van Hoge en Lage Zwaluwe. Johan huwde 16 februari 1655 Wendela Bicker (1635-1668), dochter van Johan Bicker (1591-1653), koopman, schepen en burgemeester van Amsterdam. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren; zes dochters: Anna (1655), Agnita (1658), Catharina (1659), Maria (1660) en twee zoons: Johan (1662) en Jacob (1667). Twee dochtertjes, Elisabeth (1664) en Elisabeth II (1666) overleden op zeer jonge leeftijd.

Johan stamde uit een voorname Dordtse familie van houtkopers en regenten. Al vanaf de veertiende eeuw bekleedden De Witt-telgen posten in de stadsregering, maar ook andere belangrijke functies. Zo was Andries de Witt raadpensionaris van Holland van 1618 tot 1621 en diens jongere broer en Johans vader, Jacob de Witt, onder meer burgemeester van Dordrecht, penningmeester van de Dordtse Synode (1618-1619) en gezant naar Zweden.

Johan bezocht de Latijnse school, waar hij werd doorkneed in de klassieke talen en in de zienswijze van de neo-stoïcijnen op hoe een toekomstig regent zich diende te gedragen. Hij liet al snel tekenen van uitzonderlijke begaafdheid zien. Zijn vader nam hem mee langs vrienden, die hem moeilijke vragen stelden. Als beste leerling van zijn klas vertolkte Johan de hoofdrol in het schoolspel Caesar ofte Kaisermoorders, opgevoerd tijdens de diploma-uitreiking in de Augustijnenkerk. Zo speelde hij tientallen jaren voor zijn gewelddadige dood de rol van een vermoorde politieke leider. Na de Latijnse school schreef Johan zich op 24 oktober 1641 in aan de Universiteit van Leiden als rechtenstudent. In 1645 begon hij met zijn broer Cornelis (1623-1672) een Grand Tour door Frankrijk en Engeland. Op 22 december 1645 promoveerde hij te Angers in de rechten. Terug in de Republiek werd hij op 11 november 1647 toegelaten tot het Hof van Holland en werkte hij enige tijd als advocaat. Eind 1650 werd hij ingezworen als pensionaris van zijn geboortestad.

Vlak daarvoor had een gebeurtenis het openbare leven geschokt: prins Willem II, stadhouder van onder andere Holland, had in de zomer van dat jaar een staatsgreep gepleegd. Hij had de stad Amsterdam laten aanvallen en in Den Haag zes prominente regenten gevangen genomen, onder wie Jacob de Witt. Toen na enkele enerverende weken Jacob kasteel Loevestein als vrij man verliet, had hij afstand moeten doen van al zijn publieke functies. Met het politieke fortuin van Jacob was ook dat van zijn zoons gekelderd. Maar in november overleed Willem II, en met alleen een acht dagen later geboren jongetje (Willem III) als opvolger vormde het Huis Oranje geen enkele bedreiging meer.

De afwezigheid van een volwassen prins van Oranje zou Johans politieke mogelijkheden in hoge mate bepalen. In 1653 volgde Johan op 28-jarige leeftijd Adriaen Pauw op als raadpensionaris van Holland, het meest invloedrijke ambt in de Republiek, dat hij achttien jaar zou bekleden. Na de staatsgreep van Willem II zou in huize De Witt de leus ‘Gedenk Loevestein’ een gevleugeld woord zijn geworden. Feit is dat deze coup van Johan een overtuigd republikein heeft gemaakt.

Gedurende zijn hele politieke leven was hij erop gebrand de bijna erfelijk geworden positie van de prins van Oranje als stadhouder van de meeste gewesten, en als kapitein-generaal van het Staatse leger, te ontmantelen. Johan deed zijn uiterste best zich te wapenen tegen de verdenking van persoonlijke rancune, door zijn kritiek te verbreden tot een principiële, politieke polemiek tegen monarchale heerschappij. ‘Alleenheersers’, zo schreef hij in 1654 in zijn Deductie, ‘vermengen hun eigenbelang met dat van de staat: (…) het is niet voorstelbaar, ja onmogelijk dat dergelijke hoofden hun particuliere belangen proberen te beperken’.

Tegen deze tijd had de Nederlandse Republiek juist een hopeloos verloren Eerste Engelse oorlog (1652-1654) achter de rug. Eén van Johans eerste daden als raadpensionaris was het sluiten van een onvermijdelijk nadelig vredesverdrag (Westminster 1654) met de Engelse agressor. De oorlog had hem geleerd dat de vloot van de Republiek te zwak was om haar overzeese handelsverkeer te beschermen. Hij wist de zuinige Hollandse regenten te bewegen tot de bouw van een nieuwe vloot, waarvoor vele miljoenen op tafel kwamen.

Tijdens de Tweede Engelse oorlog (1665-1667) bleken de Nederlanders wel opgewassen tegen de Engelse zeekastelen. Toen de Engelse koning Karel II in 1667 uit geldgebrek zijn matrozen naar huis stuurde en zijn schepen opborg in de dokken bij Chatham, zag Johan zijn kans schoon. In wat wel de meest briljante maritieme operatie van de Nederlandse vloot heet (de Engelsen zien het eerder als een laffe overval), leidde Cornelis de Witt in opdracht van zijn broer een licht eskader via de Theems naar de weerloze Engelse schepen, waarvan er zeventien werden verwoest en het vlaggenschip, de naar Karel vernoemde ‘Royal Charles’, werd meegesleept naar Hellevoetsluis. ‘Chatham’ was een hoogtepunt in het bewind van Johan: de vijand sloot een voor de Republiek voordelige vrede (Breda 1667), zijn broer werd als nationale held gelauwerd en de vloot had laten zien het uitstekend zonder prinsen van Oranje te kunnen stellen. Een ander hoogtepunt was het Drievoudig Verbond (Triple Alliantie), dat Johan begin 1668 sloot met Engeland en Zweden. Dit verbond slaagde erin de aanval van de Franse koning Lodewijk XIV in de Spaanse Nederlanden (het huidige België) te stuiten en een deel van diens terreinwinst teniet te doen. Dit succes riep echter de wraaklust van de Zonnekoning op.

Johans bewind viel vrijwel geheel samen met wat historici ‘het Eerste Stadhouderloze Tijdperk’ (1650-1672) noemen. Hierin was hij lange tijd de onbetwiste leider. Johan steunde voor zijn macht niet op geweld, maar op ‘persuasie'(overredingskracht) en diplomatie. Toen bisschop Bernard van Galen op 23 september 1665 met instemming van Engeland het Oosten en Noorden van ons land aanviel (eerste Münsterse oorlog 1665-1666) zond Lodewijk XIV troepen naar ons land om de Republiek te steunen. Dat was te danken aan de diplomatie van Johan en aan diplomaat en vriend Coenraad van Beuningen. Johan ontwikkelde zich tot een grootmeester in de kunst van het geven en nemen. Onder zijn vleugels professionaliseerde het bestuur en bouwden de vergaderingen van Holland en de Staten-Generaal institutioneel geheugen op. Maar gaandeweg kreeg Johan met weerstand te maken. Regenten die zich ergerden aan zijn hegemonie en aanhangers van een prins van Oranje die inmiddels zijn meerderjarigheid naderde, wisten elkaar te vinden. Er verschenen scheurtjes in zijn politiek.

Het Rampjaar 1672 bracht alles in een stroomversnelling. Johans buitenlandse politiek was op een mislukking uitgelopen. Engeland opende de vijandelijkheden met een overval op de Smyrnavloot op 23 en 24 maart. Frankrijk verklaarde de Republiek op 7 april de oorlog. De bisschoppen van Keulen en Munster vielen het oosten binnen. In een paar weken tijd werd het land onder de voet gelopen, alle woede en paniek werd op de raadpensionaris gericht. Op 21 juni pleegden enkele jonge mannen een aanslag op de Witt die hij echter overleefde. Een van de daders, Jacob de Graeff, zoon van een vooraanstaand regent, werd gearresteerd, veroordeeld en terechtgesteld. Jacob werd een martelaar van de prinsgezinden. Andere medeplichtigen vonden een goed heenkomen in het legerkamp van prins Willem III. Op 20 augustus werden Johan en zijn broer, die hij uit de Gevangenpoort kwam ophalen, ’s middags op de Plaats in Den Haag, vlakbij het Binnenhof, door schutters doodgeschoten. Daarna verminkte een woedende meute hun lichamen.

Publicaties
Deductie, ofte declaratie van de Staten van Hollandt ende West-Vriesland (Den Haag 1654).
Elementa curvarum linearum deel 1 en 2 (Leiden 1659).
Public gebedt 3 delen (Amsterdam 1663-1664).
Waerdye van lyf-renten naer proportie van los-renten (Den Haag 1671).

Bronnen en literatuur
A. Lefevre-Pontalis, Jean de Witt. Grand Pensionaire de Hollande (Paris 1884).
R. Fruin en N. Japikse, Brieven geschreven door en aan Johan de Wit, 6 delen (Amsterdam 1909-1922).
N. Japikse, Johan de Witt (Amsterdam 1918).
Herbert Rowen, John de Witt, Grand Pensionary of Holland (Princeton 1975).
Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam 2009).
Wim Vroom,  Het wonderlid van Jan de Witt en andere vaderlandse relieken. (Nijmegen 1997).

Standbeelden van Johan de Witt
Arthus Quellinus (1665), borstbeeld van Johan; collectie Dordrechts Museum.
Frederik Engel Jeltsema (1916), beeld Johan op de Plaats te Den Haag nabij de Gevangenpoort.
Toon Dupuis (1918), beeld van Johan en Cornelis op de Visbrug te Dordrecht.

Belangrijkste schilderijen van Johan de Witt
Jan Asselijn (1652), collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Jan de Baen (1669), collectie Dordrechts Museum.
Adriaen Hanneman (1652), collectie Museum Boymans-van-Beuningen.

Luc Panhuysen (april 2012)

Sluit het Verborgen Museum