Joachim Bodel

11-02-1767 (Leiden)  -  07-03-1831 (Dordrecht)

Portret van Joachim Bodel (Regionaal Archief Dordrecht 551-10837)

Joachim Bodel werd 11 februari 1767 in Leiden geboren (doop op 12 februari) en overleed 7 maart 1831 te Dordrecht. Hij was de jongste zoon van Jan Abraham Bodel (Tholen gedoopt 24 juli 1737-Leiden 19 december 1795), jurist en fabriekseigenaar, en Trijntje (ook Catharina) Nieuwenhuis (Harlingen 21 maart 1746-Leiden 14 februari 1812) uit een ‘deftige doopsgezinde familie’. Jan Abraham was eerder, op 1 januari 1756, getrouwd met Johanna Petronella Schorer (Middelburg 18 februari 1739-Leiden 24 november 1762). Uit dit eerste huwelijk werd Daniël Johan geboren (Leiden 6 december 1760).

Joachim trouwde 1 juli 1792 (ondertrouw 17 juni 1792) in de Grote Kerk van Dordrecht met Jacoba (ook Jacqueline) Volkera Groen van Prinsterer (Heeze doop 4 juli 1767-Den Haag 23 mei 1860). Jacoba was de dochter van Cornelis Groen van Prinsterer (Waspik 1731-Stolwijk 1797), predikant, en Johanna Clasina Hoevenaar (Pijnacker 1739-Uitwijk 1788). Uit het huwelijk van Joachim Bodel en Jacoba Groen van Prinsterer werden twee kinderen geboren: Everhard Frederik Bentle (ook Bently), (Dordrecht 26 maart, doop 30 maart Waalse Kerk, 1794-Nieuwkuijk 1 december 1819); vernoemd naar grootmoeder Catharina Johanna Bentle (circa 1710-1790) van vaderskant. Op 26 oktober 1814 werd hij aan de Leidse universiteit ingeschreven als student geneeskunde. Deze veelbelovende student overleed, 25 jaar oud, ‘aan een uitterende ziekte’; Cornelia Jeanne (Dordrecht 9 oktober 1800-Den Haag 22 november 1858). Zij trouwde 22 oktober 1828 in Dordrecht met Cornelis Diderik Adrianus Schutter (1796-1832), kapitein bij de Divisie Pontonniers.

Joachim Bodel was een briljante student geneeskunde en promoveerde met de hoogste lof aan de Leidse universiteit. Dordrecht kon zich gelukkig prijzen dat hij zich daar als geneesheer vestigde. Geen enkel verzoek om in een commissie zitting te nemen of lid van een gezelschap te worden, legde hij naast zich neer. Hij diende de stad in sterk uiteenlopende functies, van geneesheer en toezichthouder op de Latijnse school tot lid van de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland. De vele dankbetuigingen die hem als arts bereikten en zijn niet aflatende inzet tegen besmettelijke ziektes maakten hem een gewaardeerd lid van de Dordtse, provinciale en zelfs internationale medische gemeenschap.

De voorouders van Joachim Bodel kwamen uit Tholen in Zeeland. Grootvader Johan Bodel (1705-1738) was daar stadsdoctor, raad en burgemeester. Het geslacht Bodel was daar al in de zestiende eeuw aanwezig en bekleedde er diverse bestuurlijke functies. Joachim die een intelligente leerling bleek te zijn, schreef zich op 25 maart 1779 in aan de Leidse universiteit. Hij voltooide daar eerst zijn klassieke vorming. De hoogste klassen van de Latijnse school waren namelijk opgenomen in het Leidse universitaire systeem. Daarna kon Joachim op 10 september 1782, 15 jaar oud, met een universitaire studie geneeskunde beginnen. Bodel studeerde onder anderen bij de destijds beroemde hoogleraren E. Sandifort, N.G. Oosterdijk, F.J.Voltelen en N. Paradijs.

Joachim volgde daarmee de weg van zijn halfbroer Daniël Johan voor wat betreft de klassieke vorming. Daniël meldde zich daarvoor in 1772 aan de Leidse universteit, gevolgd door zijn inschrijving voor een rechtenstudie in 1777. Op voordracht van zijn vader verkreeg Daniël Johan het poorterschap van Tholen in 1773 en werd daar in 1782 thesaurier. Na zijn ontslagname uit alle ambten in 1783 was hij en bleef hij in Herborn ( deelstaat Hessen) waar hij trouwde met Maria Anna Hoffman (Herborn 21 december 1757). Daar werd hij kamerheer van de vorst van Hessen-Homburg die hem later in de adelstand verhief.

De universiteit deed Joachim Bodel het eervolle aanbod ‘te promoveren met de kap’ (‘more majorum’ = naar de gewoonte van onze voorouders). Bij een dergelijke promotie werd na de verdediging de nieuwe doctor de toga omgehangen en de fluwelen hoed (de kap) op het hoofd gezet. Het was een indrukwekkende ceremonie met muziek en verversingen voor de aanwezigen die voor de promovendus kostbaar was, reden voor Joachim om voor die eer te bedanken. In 1790 volgde na een succesvolle verdediging van door hem geformuleerde vijftig medische stellingen zijn promotie tot doctor in de geneeskunde.

Kort daarna ging Bodel naar Dordrecht om er een praktijk te beginnen. De Dordtse burgerboeken vermelden zijn komst en vestiging op 25 januari 1791. Hij verkreeg als inwoner van Holland tegen betaling van 10 gulden het Dordtse burgerschap. Dat was blijkbaar met enige vertraging, want in 1790 maakte hij al deel uit van het team van tien ‘geneesmeesters’ dat in de stad voor de ziekenzorg verantwoordelijk was. Bodel was snel ingeburgerd, want al in 1791 werd hij benoemd tot lid van de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland die zoals altijd door een Dordtse baljuw werd voorgezeten. Dat was mr. A.A. Tets van Goudriaan (1738-1792) die de ‘welgeboren’ mannen koos die met hem het Gerecht (de Hoge Vierschaar) vormden.

Spoedig werd er weer een beroep gedaan op Bodel, want in 1795 werd hij opgenomen in het college van toezichthouders op het Dordtse onderwijs. Bodel had het toezicht op de Latijnse school voor Grieks en Latijn en was tevens belast met het toezicht op de inhoud van Hoog- en Nederduitse voorstellingen in de Dordtse schouwburgen.

Toen stadsdoctor Jacob Korthals op 18 augustus 1798 overleed, solliciteerde Joachim naar dat ambt. Hij werd 15 september 1798 door de Dordte municipaliteit benoemd mits hij tevens de ziekenzorg van de Dordtse diaconiearmen op zich nam. Naast de functie van stads- en diaconie-geneesheer volgde in 1804 zijn aanstelling als geneesheer van het Stads Krankzinnigenhuis aan de Lindengracht (Museumstraat), gevolgd door het regentschap van het tehuis in 1817. In 1810 werden zijn stedelijke verplichtingen verder uitgebreid met zijn benoeming tot geneesheer van de gevangenen die op het Stadhuis waren ingesloten.

In de Bataafse Republiek was er intussen in 1801 centrale aandacht voor geneeskundige zorg en er werden Departementale Commissies van Geneeskundig Bestuur opgericht. Joachim werd er direct lid van en een jaar later president. In 1804 kreeg zijn departement de opdracht om samen met Middelburg twee commissies te formeren voor het geneeskundig toezicht in het departement van de Schelde en de Maas’. Joachim Bodel werd voorzitter van de Dordtse Departementale (later Provinciale) Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt. Bodel nam zijn taak buitengewoon serieus. Wanneer vanuit het departement geneeskundige hulp werd ingeroepen, vertrok hij ondanks de slechte verbindingen doorgaans zelf naar de betrokken locatie. Voor de tientallen malen dat hij zich had ingezet bij de bestrijding van besmettelijke ziektes in het departement, zoals in Oude Tonge (1808) en in Zevenbergen (1808) of bij ziektes die gepaard gingen met grote sterfgevallen, zoals in Oud- en Zuid-Beijerland (1809) ontving hij dankbetuigingen van stadsbesturen, zelfs van de minister van Binnenlandse Zaken.

Bodel had grote belangstelling voor besmettelijke ziektes en zocht naar methoden om die te bestrijden. Hij noteerde de kenmerken van de door hem in de periode 1794-1805 waargenomen ziektes in Dordrecht en op het platteland in de directe omgeving. Daarbij hield hij nauwkeurig de weersgesteldheid op het Eiland van Dordrecht bij. Bodel was duidelijk een aanhanger van de miasma-leer. Miasma werd beschouwd als een giftige damp waardoor ziektes werden overgebracht. Die besmetting zou een gevolg zijn van vervuild water, smerige lucht en slechte hygiëne.

Zijn inspanningen voor de medische wetenschap zowel in Dordrecht als in het arrondissement waarvoor hij de verantwoording droeg, leidden tot internationale erkenning. In 1810 werd hij tot lid van de prestigieuze en vooruitstrevende ‘Société médicale d’émulation’ in Parijs benoemd. Naast alle verplichtingen accepteerde Bodel in 1811 het lidmaatschap van de Dordtse Raad en vervulde die functie tot zijn overlijden.

In 1814 trad Joachim opnieuw op de voorgrond toen hij in Dordrecht de zorg op zich nam voor gewonde Engelse soldaten die via Dordrecht kwamen. De bevelhebber van de Britse troepen in de Nederlanden, Thomas Graham (1748-1843), stuurde hem daarvoor een dankbetuiging. In het oorlogsjaar 1815 werd Bodel dan ook benoemd in de ‘Commissie tot verzorging van gewonden’ die van het slagveld naar Dordrecht werden vervoerd, wel of niet per schip.

Eind juli 1819 meerden in Dordrecht elf rijnaken af met voornamelijk Zwitserse emigranten op weg naar Brazilië, destijds een Portugese kolonie. De ruim 2.000 personen, afkomstig uit Duits- en Franstalige kantons, zouden in ’s-Gravendeel overstappen op vier zeeschepen voor de reis naar Zuid-Amerika. De koning van Portugal financierde het project en betaalde de emigranten, voornamelijk ambachtslieden en boeren(arbeiders). Zij zouden in Brazilië een nieuwe nederzetting stichten: ‘Neu Freiburg’. Het Dordtse stadsbestuur wees de reizigers langs de rivier De Kil bij de buurtschap De Mijl een tijdelijke verblijfplaats aan, maar het zou maanden duren voor de zeeschepen geschikt waren gemaakt voor de overtocht. In de toegewezen schuren braken besmettelijke ziekten uit, zelfs de pokken. Dordtse geneesheren van de Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt boden onder leiding van Joachim Bodel belangeloos hulp. Toen de emigranten in oktober dat jaar vertrokken, bleken er ruim veertig van de vele zieken te zijn overleden. Bodel ontving voor de betoonde zorg een dankbetuiging van het Zwitserse kanton Solothurn.

Een van de opdrachten die de Departementale Commissies in 1804 hadden ontvangen, hield in ‘voor het platte land en de kleine steden, allengs bekwame voorwerpen [= personen] aan te kweeken’. De commissies dienden te zorgen voor voldoende geneesheren en verloskundigen op het platteland. Aan die opdracht kon pas worden voldaan na een KB van januari 1823 waarbij werd bepaald dat scholen voor heelmeesters en vroedvrouwen moesten worden opgericht. Deze zogenaamde ‘klinische scholen’ moesten in steden komen met ‘daertoe geschikte gasthuizen’ om praktisch onderwijs te geven. Bodel maakte zich sterk voor de oprichting van een Rotterdamse klinische school. Die school kwam moeizaam tot stand doordat de voorzieningen voor praktisch onderwijs in het ziekenhuis onvoldoende werden geacht. Ook Dordrecht beschikte over onvoldoende faciliteiten voor praktisch onderwijs in het ziekenhuis dat uit de dertiende eeuw stamde. Bovendien werden daar al enkele decennia geen kraamvrouwen opgenomen.

Joachim Bodel drong er in 1826 met een brandbrief namens de Provinciale Commissie op aan een dergelijke school in Rotterdam te realiseren. Het leidde tot de opening in 1828. Bodel werd benoemd tot voorzitter van het bestuur van de klinische school en bleef dat tot zijn overlijden. De school zou met zes lectoren moeten voorzien in het tekort aan heelmeesters en vroedvrouwen op het platteland. Het was een korte, vooral praktische, opleiding voor ‘geneeskundigen van de tweede stand’. De leerlingen werden in Dordrecht geëxamineerd naar hun kennis van anatomie, verloskunde, Latijn en kruidkunde (farmacie). Het was Bodels laatste grote succes, want enkele jaren later overleed deze plichtsgetrouwe en veelzijdige persoon in zijn woonhuis aan de Groenmarkt A 281 landzijde.

Ridderorde
In 1825 benoemde koning Willem I hem tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Enkele nog niet genoemde lidmaatschappen
Zeeuwsch Genootschap van Wetenschappen (1797).
Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem (1806).
Corresponderend lid van het Genootschap tot Bevordering van de Koepok-inenting (1808).
Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen (1809).
Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam (1815).
Letterkundig Genootschap ‘Diversa Sed Una’ in Dordrecht (1816).
Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Wetenschappen (1818).
Geneeskundig Genootschap ‘Vis unita fortior’ te Hoorn (1820).
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde in Leiden (1826).

 Enkele publicaties
Bericht van het overlyden van den Dordrechtschen geneesheer en lector F.W. van der Leeuw en diens geleerden arbeid, in: Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Geneeskunst nr. 3481 (1801), p. 1-4.
Verslag van ziekten, door hem van 1794-1805 te Dordrecht en in de omstreken waargenomen en telkens met de weersgesteldheid op het Eiland van Dordrecht in verband gebragt.
Waarneming van eene zeer zonderlinge overeenkomst van tweelingen, zijnde meisjes
, in: Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, deel 3, eerste stuk (Haarlem).
Eene waarneming van eene genezen longtering, in: Geneeskundig Magazijn, deel IV, tweede stuk.

Bronnen en literatuur
RAD: toegang 11, 256 (BS), 4 (inv. 113), 9 (inv. 1855), 489 (23664).
Dordtenazoeker: Joachim Bodel.
Biografisch woordenboek der Nederlanden, deel 2 (Haarlem 1854), p. 696-698.
Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae 1575-1875 (Den Haag 1875), p. 1130, 1141 en 1234.
NNBW: deel 4 (Leiden 1918), p. 180.
Levensbericht van Joachim Bodel, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden 1831), p. 25-33.
J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht, deel 1 (Dordrecht 1931-1933), p. 240-245.
M.J. van Lieburg, Het medisch onderwijs te Rotterdam (1467-1967) (Amsterdam 1978), p. 58-89.
A. Romeijn, De stadsregering van Tholen (1577-1795) (Tholen 2012).

Cees Esseboom (juli 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum