Jan Schouten

09-06-1786 (Dordrecht)  -  23-04-1852 (Dordrecht)

Borstbeeld van Jan Schouten op gevorderde leeftijd, omhangen met maçonnieke waardigheidstekens. Litho door L. de Koningh, 1852 (Regionaal Archief Dordrecht 551-15712).

Gedoopt Dordrecht 9 juni 1786, overleden Dordrecht 23 april 1852. Zoon van scheepsbouwmeester en houthandelaar Jan Schouten en Maria Boet. Huwde te Dordrecht op 27 juni 1810 met Anna Crans. Gedoopt Dordrecht 24 februari 1786, overleden Dordrecht 21 november 1847. Dochter van de ontvanger van de convooien bij de Munt te Dordrecht Dirk Crans en Maria Pieternella ’t Hooft. Uit het huwelijk werden twee zoons, Jan (1811-1890) en Arnoldus Jan (1815-1890) en een dochter Maria Petronella (1813-1814) geboren.

Jan Schouten stamt uit een geslacht van Dordtse scheepsbouwers dat teruggaat tot aan het begin van de zeventiende eeuw. Zijn vader bezat een scheepswerf aan de Hoogt bij de Kalkhaven te Dordrecht en handelde vooral in hout. Al vroeg was het de bedoeling dat Jan zijn vader op zou gaan volgen en hij ging daarom op zeer jonge leeftijd op de werf van zijn vader aan de slag om de kneepjes van het vak te leren. Als jongeman maakte hij een studiereis door Europa en bezocht de belangrijkste steden. Hij ging onder andere naar Duitsland voor de handel in hout en naar Frankrijk voor de taal en algemene ontwikkeling en om kennis over de scheepsbouw op te doen. Na terugkomst ging hij in de leer op de admiraliteitswerf te Rotterdam om daar tot scheepsbouwmeester te worden opgeleid. In 1808 overleed zijn vader en nam Jan op 22-jarige leeftijd de gehele zaak over: niet alleen de scheepswerf maar ook de mastenmakerij, de houtzaagmolens, de houthandel en de rederij.

De kennis van de bouw van zeewaardige schepen bleef ondanks de slechte economische situatie – door de gevolgen van de Franse bezetting van het huidige Nederland en de vele Europese oorlogen – op zijn werf behouden, doordat Schouten permanent koopvaardijschepen liet bouwen. In 1818 bouwde hij voor eigen rekening de galjoot Hersteller en in 1823 waagde hij als eerste scheepsbouwer in deze streek zich aan de bouw van een stoomschip met de naam Vereniging, later Prins Frederik der Nederlanden, dat een lijndienst tussen Dordrecht en Rotterdam ging verzorgen.

In 1825 richtte hij met enkele reders en kooplieden de Maatschappij der Dordrechtse scheepsrederij, ook wel de Eerste Oost-Indische rederij genaamd, op en kreeg hij de opdracht voor deze rederij het eerste zeeschip, het fregat Louisa, prinses der Nederlanden voor de vaart naar Oost-Indië te bouwen. Jan Schouten zag er al gauw de noodzaak van in om de zeelieden van zijn schepen enige sociale bescherming te bieden. Hij richtte in 1818 het derde zeemanscollege van Nederland op onder de zinspreuk Tot nut van handel en zeevaart en werd er zelf – tot 1836 – voorzitter van. Daarnaast bouwde hij in opdracht van een aantal leden van de vrijmetselaarsloge La Flamboyante, die in 1835 een rederij hadden gevormd, het koopvaardijfregat Broedertrouw. Als gevolg van de succesvolle vaart van dit schip werd besloten een tweede en daaropvolgend een derde maçonniek fregat te bouwen, de Delta en de Osiris. Schouten placht dit trio schepen Geloof, hoop en liefde te noemen. Jan Schouten bezat twee werven: de werf Achterhakkers aan de Kalkhaven en de werf Den Oranjeboom bij het Wilgenbos. Daar werden tevens de barken Jan Schouten en Grootmeester nationaal voor de maçonnieke rederij gebouwd.

Schouten was niet alleen actief op sociaal-economisch gebied maar ook op politiek terrein. In de jaren 1813-1815 en 1824-1852 was hij lid van de gemeenteraad van Dordrecht. Later werd hij tevens lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In 1850 nam hij zitting in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daarnaast was Jan Schouten zeer geïnteresseerd in literatuur. Hij werd al vroeg lid van het Letterkundig genootschap Diversa sed Una, dat in 1816 was opgericht. Met name de combinatie van het aangename van lees- en voorleesavonden gekoppeld aan het nuttige van volksopvoeding en volksverheffing sprak hem aan. Zelf was Schouten een voor die tijd begenadigd dichter, die vooral gebruik maakte van de toen populaire gezwollen, romantische stijl. Naast zijn grote gedicht De vrijmetselarij, in drie zangen schreef hij vele gelegenheidsgedichten, onder meer ter gelegenheid van de huwelijken van prins Frederik en prinses Marianne.

Schouten was een actief vrijmetselaar. In april 1810 werd hij in de loge Het Vrije Geweeten te Breda ingewijd. Vanwege de lange reistijd besloot hij in 1812 met een aantal andere Dordtse vrijmetselaren loge La Flamboyante op te richten. Hij was voorzittend meester (voorzitter) van deze loge van 1812-1852 en gedeputeerd (plaatsvervangend) grootmeester nationaal van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden van 1840-1852. In 1836 kocht hij een gedeelte van het Dordtse Muntcomplex en liet dat op zijn kosten verbouwen tot logegebouw. In 1837 werden deze ruimten door hem om niet aan de broeders van La Flamboyante ter beschikking gesteld. Hoezeer hij het maçonnieke gedachtegoed aanhing, bleek ook uit zijn activiteiten op het gebied van liefdadigheid. Niet alleen ondersteunde hij zijn werkvolk in de winter en in kommervolle tijden maar hij voorzag ook vele anderen uit de lagere standen van de plaatselijke bevolking van voedsel en geld.

Jan Schouten was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij was een verwoed verzamelaar en bouwde een grote collectie scheepstekeningen en scheepsmodellen op, een uitgebreide bibliotheek en een gevarieerde verzameling penningen, prenten, portretten en kaarten betreffende de Nederlandse geschiedenis. Kort na zijn overlijden werden deze collecties verkocht. Ze vormden deels de basis van de rijke collectie van de Dordtse verzamelaar Simon van Gijn. Schoutens zoons Jan en Arnoldus Jan zetten de scheepswerven nog tot 1858 voort. Met de sluiting van de werven kwam een einde aan de economische betekenis van het geslacht Schouten voor de Dordtse samenleving. Slechts het huis aan de Hoogt getuigt nog van dit rijk maritiem verleden.

Bronnen en literatuur
La Flamboyante, 1812-1962 (Dordrecht 1962).
Van der Aa 17-1, p. 467-471.

Teun de Bruijn (april 2012)

Sluit het Verborgen Museum