Jan Krap

1755 (Rotterdam)  -  06-10-1797 (Rotterdam)

Het beruchte pamflet Aan de landlieden wegens de onderwaterzetting van de landerijen (Regionaal Archief Dordrecht 489-30343).

Hervormd gedoopt 9 november 1755 te Rotterdam, overleden 6 oktober 1797 te Rotterdam; zoon van Adrianus Krap en Elisabeth Nolst. Trouwde op 20 mei 1781 te Rotterdam met Anna Maria IJburg. Uit dit huwelijk zes kinderen: Anna Maria (Rotterdam 24 februari 1784), Anna (Rotterdam 23 februari 1786), Elisabeth Cornelia (Rotterdam 20 april 1787), Jozina Hendrina (Dordrecht 31 augustus 1788), Jan Leonard (Dordrecht 3 januari 1790) en Anna Helena (Dordrecht 1 mei 1791).

Jan Krap was patriot in hart en nieren, iemand die via het beroep van boekverkoper, drukker en uitgever, zelfs als dichter, zijn democratische en anti-stadhouderlijke denkbeelden naar buiten bracht. Hij publiceerde gedichten in Lauwerbladen voor de zonen der vrijheid, maar als dichter veroverde hij geen blijvende positie. Samen met boekverkoper Jan de Leeuw maakte hij zich in Rotterdam sterk voor de idealen van de patriotten: democratisering, medezeggenschap en weg met het absolutisme! Zij omarmden de denkbeelden van de Verlichting. In de periode voorafgaande aan de patriottische revolutie van 1787 hadden zij geschriften uitgegeven van een anti-stadhouderlijk karakter of waarin de Orangisten belachelijk werden gemaakt. Moeten vluchten uit Rotterdam naar Dordrecht, gevangenschap daar en verbanning weerhielden Jan Krap niet van het uitdragen van zijn patriottische gevoelens.

In Rotterdam was een aanzienlijk aantal patriottische boekhandelaren/uitgevers actief in de jaren tachtig van de 18eeeuw. Zij verzetten zich tegen de gevestigde orde en lieten vlugschriften, spotprenten en artikelen verschijnen om dat kenbaar te maken. Samen met De Leeuw was Krap verantwoordelijk voor het uitgeven van radicale kranten, smaadschriften en tijdschriften. Hun uitgaven Het saturdags kroegpraetje en De republikein aan de Maas en een aanzienlijk aantal pamfletten pleitten voor het omverwerpen van de aristocratische samenleving.

Na 1784 werd de samenwerking tussen De Leeuw en Krap steeds hechter. Het door beiden in 1785 uitgegeven De aristocratie ontmomd en De vrijheid der drukpers van een jaar later, zeiden voldoende over hun denkbeelden. Het tweetal kon daarbij balanceren op de rand van het politiek toelaatbare en dat mogelijk door de liberale houding van een aantal Rotterdamse stadsbestuurders. Na de interventie van het Pruisische leger in 1787 die de patriottische opstand neersloeg, veranderde het een en ander. Rotterdam verbood De Leeuw en Krap nog langer als uitgevers actief te zijn. Hoewel geen bijkomende straf werd opgelegd, besloten de twee met hun uitgeverij elders hun geluk te zoeken.

In september 1788 overlegde Krap bij de Hervormde gemeente in Dordrecht de in Rotterdam ontvangen attestatie; het gezin vestigde zich aan de Wijnstraat. De Leeuw vond eveneens in Dordrecht een toevluchtsoord. De eerste Dordtse jaren lieten een Jan Krap zien die zich niet langer bezig leek te houden met het patriottische ideeëngoed. Hij gaf in de beginperiode werk uit dat niet aanstootgevend was. Krap legde gemakkelijk contact met de stedelijke bovenlaag en was een van de eersten die zich als lid meldden voor de plaatselijke afdeling van de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen. Al in juni 1790, bij de tweede vergadering van dit nutsdepartement, bleek hij lid te zijn. Een jaar later was hij tweede secretaris van het departement en in 1792 volgde de benoeming tot secretaris van dit prestigieuze gezelschap. Een door Krap in het nutsdepartement gehouden voordracht aangaande de overbodige kosten van een begrafenis en rouwvoorschriften viel zo in de smaak, dat de tekst op kosten van het departement in druk werd uitgegeven. Intussen gaven De Leeuw en Krap diverse werken van Gerrit Paape (1752-1803) uit die noodgedwongen als patriot in Vlaanderen en Frankrijk verbleef. Het gedachtegoed van deze patriot-pur-sang vond via het Dordtse bedrijf ingang in de Republiek.

De gezamenlijke Dordtse boekhandel en uitgeverij van De Leeuw en Krap gedijde goed. Vanaf 1791 tot in 1794 gaven zij onder meer het weekblad De antwoorder uit waarin ruimte was voor kritische artikelen over de heersende regeringsvorm. De heren werden af en toe in verband gebracht met het (laten) drukken en leveren van andere anti-orangistische en opruiende stukken. Zij werden echter niet vervolgd. Jan Krap bleek daarbij wat zorgelozer te werk te gaan dan zijn compagnon. Begin 1793 moest de Dordtse hoofdofficier van Justitie, J. van den Brandeler, optreden tegen Jan Krap. Veel wees er namelijk op dat Krap had aangezet tot hoogverraad door het uitgeven van het staatsgevaarlijke vlugschrift Aan de landlieden wegens de onderwaterzetting van de landerijen. In dit geschrift werden de boeren opgeroepen hun landerijen niet onder water te zetten als de verwachte Franse legers de Republiek zouden binnentrekken. De plattelanders zouden zich met hooivork en scherpe schop tegen iedereen moeten keren om de voorgenomen inundatie te voorkomen. Een sterke prikkel was: zoudt gij uwe vrouwen en kinderen in gevaar brengen om van honger te vergaan, omdat uw land u geen brood geeft! Jan Krap was de schrijver van dit geschrift. De drukopdracht had hij veiligheidshalve in Utrecht geplaatst, maar daar ging het bij de verzending van de vlugschriften mis. De pakketten werden op het postkantoor geopend en de aan Jan Krap geadresseerde zending bleek door de drukker voorzien van een rekening. Bovendien toonde de drukker bij zijn verweer een geschreven, maar niet-ondertekende, drukopdracht van Krap. Daarmee leek de zaak rond en Jan Krap werd 12 februari 1793 door gerechtsdienaars gearresteerd.

Ruim zeven maanden zou hij doorbrengen in een cel in het Dordtse stadhuis. Hoewel de betrokkenheid van Krap onmiskenbaar leek, bleef deze halsstarrig ontkennen en beriep zich waar hem dat noodzakelijk voorkwam op geheugenverlies. Er volgden vijf verhoren, twee in februari, een in mei en twee in juli. De hoofdofficier rekte de zaak in de hoop een bekentenis los te krijgen. Ten einde raad liet Van den Brandeler het handschrift van de opdracht aan de Utrechtse drukker vergelijken met het handschrift van een nota voor boekenleverantie die Krap in het verleden aan Van den Brandeler stuurde. Daartoe werden zes schoolmeesters benoemd, drie uit Rotterdam en drie uit Dordrecht. Na twee bijeenkomsten kwam dit gezelschap tot de slotsom niet met zekerheid te kunnen vaststellen dat het handschrift op beide stukken van Jan Krap was. Krap bleef echter gevangen, hoewel zijn echtgenote diverse keren aandrong op een snelle afronding, want de onderneming van haar man stond stil. Ook compagnon De Leeuw wees tevergeefs op een teruglopende zakelijke activiteit. Uiteindelijk restte Van den Brandeler niets anders dan Krap op 19 september 1793 in vrijheid te stellen, hoewel het volgens hem duidelijk was dat de misdaad door Krap was gepleegd. Hoewel er geen proces werd gevoerd, werd Krap veroordeeld. Hij werd uit Dordrecht verbannen. Was dit uit frustratie van de hoofdofficier of was het besluit gebaseerd op wettelijke vermoedens? Daar er geen proces werd gevoerd, lijkt het vonnis aanvechtbaar. Doordat Krap ter beschikking van Justitie diende te blijven, zocht hij onderdak in een buurtgemeente. Aanvankelijk was dat Dubbeldam, later Zwijndrecht, waarheen hij op 3 juli 1794 vertrok.

Nieuwe politieke problemen dienden zich half juli 1794 aan, toen aflevering 129 van het tijdschrift De antwoorder het ongenoegen van Justitie wekte. De aanwezige voorraad bij De Leeuw werd in beslag genomen, maar de tijdschriften bij Krap lagen in Zwijndrecht en die plaats behoorde niet tot de jurisdictie van Dordrecht en konden worden gedistribueerd. Toen de Franse troepen 19 januari 1795 Dordrecht binnentrokken, veranderde er ook voor Jan Krap het een en ander. Hij werd in het voorlopige nieuwe stadsbestuur gekozen. In 1796 maakte hij deel uit van een commissie-van-vier die een concept opstelde voor een reglement voor het nieuwe stadsbestuur. Hij stelde eveneens een belasting op het inkomen én het vermogen voor. Vrij snel na de komst van de Fransen werd Krap beloond voor zijn patriottische (verzets)daden. Groot was die beloning niet, want hij werd schout en secretaris van het dorp Bleskensgraaf in de Alblasserwaard. Die dubbelfunctie moest hij echter in mei 1795 opgeven vanwege bezwaren vanuit het dorpsbestuur.

De Leeuw en Krap gaven vanaf 14 april 1795 de Bataafsche Historische Courant uit, geënt op de verworvenheden van de Franse revolutie. Een van de journalistieke medewerkers was Gerrit Paape. Datzelfde jaar wijzigden de uitgevers de naam van de krant via Dordrechtsche Historische Courant in Dordrechtsche Courant. Met het uitgeverswerk, de boekenverkoop en de Dordrechtsche Courant bemoeide Krap zich nog nauwelijks. Hij streefde naar een betere vergoeding als slachtoffer van de achterliggende ‘prinsheerlijke’ periode. Hij trok weer naar Rotterdam en werd er secretaris van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Kamer Rotterdam. De drukkerij en de Dordrechtsche Courant werden in 1796 verkocht aan de Dordtse uitgever en boekverkoper Pieter Blussé. De Leeuw vertrok naar Utrecht. Jan Krap ging het financieel niet voor de wind in Rotterdam. Toen hij op 6 oktober 1797 overleed, bleef zijn echtgenote berooid achter.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht, archieven 9, 11, 122, 256, 489.
G. Paape, Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap (Dordrecht 1792); editie P. Altena (Hilversum 1996).
H.C. Hazewinkel, Rotterdamse boekverkopers uit de patriottentijd, in: Opstellen door vrienden en collega’s aangeboden aan dr. F.K.H. Kossmann (Rotterdam 1958).
A. Baggerman, Een lot uit de loterij (Dordrecht 2000).
A. Baggerman, Uitgeverspolitiek in de 18e eeuw, in: Oud-Dordrecht, 18 (2000) nr. 2, p. 16-24.

Cees Esseboom (mei 2013)

Sluit het Verborgen Museum