Jan Eijkelboom

01-03-1926 (Slikkerveer)  -  27-02-2008 (Dordrecht)

Portret van Jan Eijkelboom, gemaakt in 2004 door zijn schoonzus Noortje Eijkelboom-Piccardt te Amsterdam. © Dolph Kohnstamm @ nl.wikipedia.

Geboren op 1 maart 1926 te Slikkerveer (nu Ridderkerk), overleden op 27 februari 2008 te Dordrecht. Oudste kind van Kors Eijkelboom (1899-1969), verzekeringsagent en raadslid voor de ARP in Dordrecht en Maria de Kat (1900-1990). Huwelijk in 1959 te Amsterdam met Anje Dik (1934-2004) docente Frans. Uit dit huwelijk twee kinderen: Kors (1959) en Anna (1962). Scheiding uitgesproken in 1981. Relatie met Marion Stroober. Uit deze relatie een dochter: Hanna (1983). Tweede huwelijk te Dordrecht in 1986 met Roelien de Melker (1951). Uit dit huwelijk drie kinderen: Sara (1988) Charlotte (1991) en Gijs (1993).

Jan Eijkelboom was journalist, schrijver en meermaals bekroond dichter en vertaler. Hij debuteerde in 1979, drieënvijftig jaar oud, met de dichtbundel: Wat blijft komt nooit terug die zeer positief werd ontvangen. Nieuwe bundels volgden met regelmaat. Zijn poëzie kenmerkte zich volgens critici door haar klassieke eenvoud, een beschouwende, elegische toon en een groot verstechnisch raffinement. Eijkelboom was vertaler van onder meer: John Donne, John Clare, W.B. Yeats, Edward Thomas, Philip Larkin, Robert Lowell, Richard Murphy en Craig Raine.

De ouders van Jan Eijkelboom waren lid van de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk; een orthodox milieu waar echter volgens Eijkelboom liefde en tolerantie heersten en geen geloofsdwang. (‘van kindsbeen af was de liefde mij gegeven’). Na de lagere school bezocht hij het Marnix Gymnasium in Rotterdam waar hij in aanraking kwam met wat hij ‘een schitterend heidendom’ noemde. Eind 1944 moest hij onderduiken in Slikkerveer om aan dwangarbeid te ontkomen. Na zijn gymnasiumdiploma te hebben behaald meldde hij zich na de bevrijding met toestemming van zijn vader als vrijwilliger en volgde een militaire opleiding in Engeland. Hij werd sergeant in het latere Garderegiment Prinses Irene.

In 1947 werd hij uitgezonden naar Nederlands-Indië en leerde het harde krijgsbedrijf kennen tijdens de laatste grote Nederlandse koloniale oorlog. Hij zou deze verschrikkelijke ervaringen levenslang met zich meedragen. In februari 1950 was hij weer thuis. Angsten en nachtmerries verstoorden zijn slaap. Het leverde een in 1953 in het tijdschrift Libertinage gepubliceerd verhaal op: De terugtocht dat algemeen wordt beschouwd als een van de hoogtepunten in het naoorlogse Nederlands proza.

Van 1950 tot 1957 studeerde hij aan de Universiteit van Amsterdam. Aanvankelijk Engels, maar al snel politieke en sociale wetenschappen aan de nieuwe zevende faculteit voor de oprichting waarvan ondermeer de hoogleraren Jacques Presser (1899-1970) en Jan Romein (1893-1962) zich sterk hadden gemaakt. Hij woonde aan de Keizersgracht 406 waar zijn broer Gerrit (1928-1986) ook een kamer had. In oktober 1954 trad hij toe tot de redactie van studentenblad Propria Cures. Eijkelboom was ondermeer medeoprichter van het door Geert van Oorschot (1909-1987) uitgegeven literaire tijdschrift Tirade. Drie jaar later (1957) trok zijn vader zijn studietoelage in. Eijkelboom was 31 jaar en met de studie wilde het niet vlotten. Om in zijn levensonderhoud te voorzien accepteerde hij een baan als corrector. Al een halfjaar daarna werd hij benoemd tot adjunct-hoofdredacteur bij weekblad Vrij Nederland. In 1959 trouwde hij met Anje Dik. Ze betrokken een woning aan de Jodenbreestraat in Amsterdam.

Na acht jaar bij Vrij Nederland aanvaardde hij de functie van gemeentevoorlichter in Dordrecht en kocht het huis aan het Steegoversloot 58. Zijn ouders vonden daar ook onderdak en huurden een deel van het voorhuis. Het werk beviel hem niet lang en op 1 maart 1972 werd hij hoofdredacteur van dagblad De Dordtenaar, een plaatselijk dagblad met een oplage van 30.000 exemplaren. Voor Dordtse begrippen trad daarmee een figuur aan van bijna mythische proporties. Zijn toenemende drankprobleem verhinderde Eijkelboom echter zijn werk goed en met regelmaat te doen. Hij omschreef deze periode later als de zwartste periode in zijn leven. Rond 1975 verkeerde hij in een diepe crisis (‘ik was verdwaald in het midden van mijn leven’) en beschouwde zichzelf als volkomen vastgelopen, mislukt en hopeloos verslaafd aan alcohol. Daarnaast wilden de nachtmerries niet verdwijnen. Hij koos voor een psychotherapeutische behandeling aan het Rotterdamse Instituut voor Medische Psychologie (IMP). Die bracht hem verder.

Het Vrije Volk publiceerde in 1976 zijn eerste gedicht. Hij werd opnieuw journalist (1978), nu bij Het Vrije Volk in Rotterdam, aanvankelijk als chef kunstredactie, later als redacteur buitenland. Het liep er echter niet beter dan bij De Dordtenaar. Op Poetry International 1978 droeg hij voor het eerst en met groot succes zijn eerste verzen voor aan een enthousiast publiek. Het was een bevrijdende ervaring. Directeur van de Arbeiderspers Theo Sontrop (1931) zag onmiddellijk de kwaliteit van deze gedichten en gaf in 1979 Eijkelbooms’ debuutbundel Wat blijft komt nooit terug uit. De bundel kreeg lovende recensies en werd vele malen herdrukt. In november 1981 nam hij ontslag bij Het Vrije Volk en keerde de journalistiek voorgoed de rug toe. Jan Eijkelboom was nu full time dichter en vertaler. Na de eerste gelukkige periode van kindertijd en jeugd, volgde nu een tweede relatief gelukkige, althans rustiger periode.

In 1982 ontmoette hij Marion Stroober die toen 21 jaar was. Inmiddels van Anje gescheiden (1981) gingen ze al snel samenwonen. Ze vestigden zich aan de Maaskade op het Noordereiland in Rotterdam. In hetzelfde jaar verscheen de bundel De gouden man die een jaar later werd bekroond met de Herman Gorterprijs. Na korte tijd trok hij in het huis van broer Gerrit aan de Wolwevershaven 5 in Dordrecht. Gerrit verbleef voor langere perioden buitenslands. Er volgt een periode van afwisselend verblijf in Rotterdam en Dordrecht. Hij besloot nu zijn overmatig alcoholgebruik enigszins onder controle te brengen. In deze tijd ontmoette hij Roelien de Melker. Ze had hem meermaals brieven geschreven. Marion verbrak in 1986 de relatie. Jan zwierf nu van woning naar woning. Kunstschilder en vriend Rein Dool (1933) nam hem op in zijn huis aan de Wolwevershaven 22. Roelien trok daar na enige tijd ook in en in datzelfde jaar trouwden ze. Zij zou proberen hem van alcohol af te houden en met hem een monogame relatie op te bouwen. Ze slaagde daarin gedeeltelijk. Toch kwam hij nu in rustiger vaarwater en ze bleven tot het overlijden van Jan samen. Ze vestigden zich in een woning aan de Suikerstraat 11 in Dordrecht. Eervol was de toekenning van de Anna Blamanprijs die hij in 1994 voor zijn gehele oeuvre ontving.

Er waren inmiddels drie kinderen geboren en in 1996 nam hij een atelier in gebouw Pictura aan de Voorstraat in gebruik om rustig te kunnen werken. Hij wist in 1999 darmkanker te overwinnen. Hij had na de diagnose geen moment getwijfeld aan de goede afloop. Een speciaal eerbetoon ontving hij in maart 2003 toen de gemeente hem tot ereburger benoemde. Ook volgde een benoeming tot stadsdichter en ontving hij een eregeld.

In 2003 volgde een eerste epileptische aanval waarvan er meer zouden volgen. Het dringende advies van zijn specialist om de alcohol af te zweren kon of wilde hij niet opvolgen. Een lichtpunt in dat jaar was de toekenning van de Jan Campertprijs voor de bundel: Heden voelen mijn voeten zich goed. De ouderdom liet zich nu steeds nadrukkelijker voelen. Na nog enkele epileptische aanvallen verklaarde hij in een radio interview twee weken voor zijn dood nog wel poëzie te kunnen lezen maar het niet meer te kunnen schrijven. ‘Ik ga ervan uit dat het niet meer terugkomt’. In 2008 volgde een laatste aanval. Hij werd in het Albert Schweitzerziekenhuis in Dordrecht opgenomen en overleed daar op 27 februari 2008.

Bronnen en literatuur
Jan Eijkelboom, Het krijgsbedrijf (Amsterdam 2000).
Jan Eijkelboom, Verzamelde gedichten (Amsterdam 2012). (Deze uitgave bevat alle gepubliceerde gedichten alsmede de verspreide en nagelaten gedichten).
Kees van ’t Hof, Een biografische schets van J. Eijkelboom (1926- 2008) In: Verzamelde gedichten (Amsterdam 2012).
Anton de Goede, Marathon interview met Jan Eijkelboom. (VPRO Radio 1996).
Jan Wiegel (1929-1994), Omgaan met de leegte. Een filmportret (1982).
Uit de talloze artikelen, essays, interviews en necrologieën een kleine selectie:
Rinus Ferdinandusse, In memoriam Jan Eijkelboom. (Vrij Nederland 8 maart 2008).
Kees Fens, De taal had het goed bij Jan Eijkelboom. (Volkskrant 28 februari 2008).
Arjen Fortuin, Jan Eijkelboom. (NRC-Handelsblad 29 februari 2008).
Ischa Meijer, Jan Eijkelboom. (In: De interviewer en de schrijvers 2003).
Kester Freriks, De vijand bleef onzichtbaar. (Vrij Nederland 22 december 2000).
Rudolf van de Perre, La poésie de J.Eijkelboom. (In: Septention jrg.14, 1985).
Frank van Dijl, Jan Eijkelboom en de techniek van het dichten. (Het Vrije Volk 26 maart 1983).
Lodewijk Brunt, In ruïnes zie ik mezelf terug. (Vrij Nederland 23 februari 1980).

Monumenten e.d.
De in de kademuur van het Damiatebolwerk in Dordrecht gebeitelde regel: ‘Wat blijft komt nooit terug’.
In de tuin van het Dordrechts Museum het gedicht: ‘Tuin Dordrechts Museum’.
Op de muur van 4e Binnenvestgracht hoek Gerestraat te Leiden: het gedicht ‘O’.
Laan der Verenigde Naties Dordrecht in de tunnel onder het spoor de tekst: ‘Hier baant de laan zich onder het spoor een weg’.
Monument voor de in Nederlands-Indië gesneuvelde militairen in het Westbroekpark in Den Haag de tekst: ‘Op welke grond werden ze gelegd in vreemde aarde’.

Roel Leentvaar (januari 2013)

Sluit het Verborgen Museum