Jacobus Borstius

15-07-1612 (Purmerland)  -  01-07-1680 (Rotterdam)

Van Borstius bestaat geen portret. Dit is het titelblad van zijn vragenboekje voor kleine kinderen of kindercatechismus in een zeldzame uitgave van David du Mortier te Leiden uit omstreeks 1780 (Regionaal Archief Dordrecht 489-18036).

Geboren te Purmerland, 15 juli 1612, uit ‘eerlijke doch onaanzienlijke ouders’; overleden te Rotterdam, 1 juli 1680, na een lang en pijnlijk ziekbed (nier- en blaasstenen). Rond 1642 gehuwd met Neeltgen Bastiaens (overleden in 1678). Zij kregen zeker tien kinderen: Johannes, de oudste, werd nog in Wormerveer geboren; vijf werden tussen 1644 en 1654 te Dordrecht gedoopt en daarna nog vier te Rotterdam. De acht kinderen die op 7 augustus 1665 nog in leven waren, kregen toen een legaat van Geerbrecht Takes, een Rotterdamse volgelinge van hun vader, die mensen aan zich wist te binden.

Jacobus Borstius was predikant, achtereenvolgens te Wormerveer, Dordrecht en Rotterdam, en een vurige Orangist. Hij was een prominente vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie, die kerstening van het maatschappelijk leven en verdieping van het persoonlijke geloofsleven nastreefde. Hij was een voortreffelijke organisator en een bevlogen prediker, die op het actuele leven inspeelde. Zijn preken, meditatieboek over de dood, en een te Dordt samengestelde, in eenvoudige taal geschreven catechismus (samen met een vragenboekje voor kleine kinderen), werden niet alleen in zijn eigen tijd veel gelezen, maar worden in bevindelijke kringen tot op de dag van heden herdrukt. In 1644 werd hij landelijk bekend door de polemiek rond zijn Dordtse preek tegen de lange haardracht van mannen.

De predikant van Purmerland, Johannes Jacobi Gael, zag in de jonge Jacob Borst een begaafde knaap. Hij bereidde hem voor op de studie en stuurde hem naar de Latijnse school te Haarlem. Na de inname van Den Bosch (1629) werd hij daar leerling aan de gereformeerd geworden Latijnse school. Op 2 februari 1633 schreef hij zich in als student theologie aan het Statencollege van de Leidse academie. Tijdens de epidemie van 1636 stond hij de pestlijders actief bij en ontsnapte zelf te nauwer nood aan de dood, maar hij hield er wel een zichtbaar litteken aan over. In 1637 werd hij proponent en op 2 mei 1638 werd hij bevestigd als predikant in de zojuist samengevoegde gemeenten van Wormerveer en Zaandijk. Hij moest daar opbouwwerk verrichten aangezien bijna de helft van de bevolking er doopsgezind was. In Zaandijk liet hij onmiddellijk een houten kerkje bouwen, dat al in 1642 door een stenen gebouw werd vervangen. In 1639 volgde er een in Wormerveer.

Borstius ontwikkelde zich tot een zeer populaire kanselredenaar die volle kerken trok, mede door zijn eenvoudige taalgebruik, dat in tegenstelling tot de gezwollen taal van veel van zijn collega’s dicht bij de alledaagse spreektaal lag en de toehoorders aansprak. Die reputatie bezorgde hem al na vijf jaar, eind 1643, een beroep als zevende predikant in de veel belangrijker gemeente Dordrecht. Op 10 januari 1644 werd hij daar bevestigd. Maar door zijn overijverige optreden en bemoeizucht kreeg de goed van de tongriem gesneden en vrijmoedige Borstius al gauw problemen met collega-predikanten en met de overheid. Als veeleisende predikant voor een zuivere kerk, die alle zonden wilde bestraffen, hield hij in 1644 in de Grote Kerk een geruchtmakende preek tegen het dragen van lang haar, die inspeelde op de al sluimerende polemiek over de toenemende luxe. Lang haar was toen bij de mannelijke elite in de mode, zoals op de portretschilderijen uit die tijd nog goed te zien is. Aan de hand van de Bijbelpassage 1 Kor. 11:14 beargumenteerde Borstius dat lang haar bij een man een teken van verwijfdheid en pronkzucht is, en als tegennatuurlijk en oneervol moet worden bestreden. De Zierikzeese predikant Godefridus Udemans had dat een jaar eerder al in zijn vuistdikke geleerde vertoog Absaloms-Hayr (1643) beargumenteerd, maar Borstius’ preek vormde een voor een veel breder publiek toegankelijke vertaling van die opvatting. Ze gaf ook antwoord op het boekje van Marcus Zuerius Boxhorn, Spiegeltjen vertoonende ’t lanck hayr ende heyrlocken, bij de oude Hollanders ende Zeelanders gedragen (1644).

Andere predikanten van de Nadere Reformatie vielen Borstius bij, niet alleen Udemans maar ook de vermaarde Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius, beiden vrienden uit vroeger jaren. Maar zijn opvattingen werden bestreden door de Leidse hoogleraren Johannes Polyander, Jacobus Revius en Claudius Salmasius (Brief aen Andream Colvium [..] Belangende het langh hair der mannen, ende de lokken der vrouwen, Dordrecht, 1645). Het gevolg was een heftig maatschappelijk debat voor en tegen het luxevertoon, dat bekend is komen te staan als de ‘harige oorlog’. De bewuste preek was echter door een van Borstius’ toehoorders uitgeschreven en buiten zijn medeweten om uitgegeven, zodat hij de inhoud niet onvoorwaardelijk voor zijn rekening wilde nemen. De classis tikte hem op de vingers, en probeerde de gemoederen tijdens een visitatie van de Dordtse kerk te sussen. Ook andere preken werden buiten hem om gepubliceerd. De meeste van zijn werken vormen in feite een verzameling preken of zijn op preken gebaseerd.

Ondanks die herhaalde polemiek genoot hij de vriendschap en het vertrouwen van vooraanstaande Dordtenaren, zoals burgemeester Jacob de Witt en dokter Johan van Beverwijck, en van de predikanten van de Schotse en Engels-Episcopale gemeenten. Behalve in de oude talen was hij namelijk ook bedreven in Engels dat hij te Leiden bij de puriteinse predikant Hugo Goodyear had geleerd. In verscheidene steden preekte hij af en toe in het Engels en hij vertaalde enkele theologische werken van Rutherford en Durham, evenals de in Schotland verboden Historie der kerken van Schotlandt, van het begin der Reformatie tot het jaar 1667 (Rotterdam, Johannes Borstius, 1668). Zijn vertaalwerk leverde hem een beroep naar de Engelse gemeente te Amsterdam op, dat hij echter niet aannam. Wel nam hij in 1654 het beroep naar Rotterdam aan, ondanks hevig verzet in Dordt. Hij werd op 17 mei 1654 in Rotterdam bevestigd en bleef daar tot zijn dood. Dordrecht heeft in 1660 nog tevergeefs geprobeerd hem terug te halen en ook Haarlem deed een mislukte poging.

De strijdbare Borstius verzette zich tegen alle mogelijke tegenstanders: in Wormerveer tegen de menisten (doopsgezinden), in Dordt tegen de Socinianen (een sekte die de leer van Drie-eenheid loochende), in Rotterdam tegen de rooms-katholieken en de Labadisten (volgelingen van Jean de Labadie, de leider van een radicale christengemeenschap). Zo publiceerde de katholieke Vlaamse lekenpolemist Arnout van Gheluwe in 1661 een uitvoerig verslag van het geruchtmakende twistgesprek dat hij op 12 augustus van dat jaar in Rotterdam met hem had gevoerd. Tijdens het rampjaar 1672 liet Borstius duidelijk blijken dat hij prinsgezind was. Ondanks zijn vriendschappelijke verhouding met de familie De Witt hitste hij samen met zijn zwager Willem Bastiaens het volk op tegen de anti-orangistische regenten en kreeg feitelijk zo een aandeel in de moord op de gebroeders De Witt. Maar hij bleef bevriend met de Rotterdamse Collegiant Joachim Oudaen (1628-1692), een bewonderaar van Johan de Witt die na de moord diens afgehakte wijsvinger had gekocht. Oudaen publiceerde in 1680 een lijkdicht op Borstius.

Drie van zijn zoons toonden een intellectuele inslag en waren al even actief als hun vader. Twee van hen stichtten een dynastie van boekverkopers die werkte als een familiebedrijf dat zich specialiseerde in rechtzinnige kerkelijke literatuur en ook de werken van hun vader uitgaf. Johannes Borstius (geboren te Wormerveer circa 1643, student letteren te Leiden in 1660, overleden in 1695) werkte sinds 1664 als boekverkoper op de Grote Markt te Rotterdam en trad ook op als schout van Cool. Zijn jongere broer Gerardus Borstius (gedoopt te Dordrecht 10 juli 1651, begraven te Amsterdam 19 februari 1707) was boekverkoper te Amsterdam op de Dam, hoek Nieuwendijk, vanaf 1698 in compagnie met zijn oudste zoon Jacobus II Borstius. De broers Johannes en Gerardus publiceerden gezamenlijk een groot aantal geestelijke werken, waaronder in 1698-1703 de joodse Mishna in zes delen, in het Hebreeuws en het Latijn, daarnaast ook populaire religieuze prenten van Jan Luyken.

Hun broer Sebastianus Borstius, gedoopt te Dordrecht op 30 april 1649, student te Leiden in 1666 en twee jaar later opgenomen in het Statencollege, werd predikant te Bovenkarspel 1674, Arnhem 1675, Alkmaar 1677 en Gouda 1685, waar hij in 1700 overleed. Johannes’ zoon Arnoldus Borstius (1672-1742) werd op zijn beurt predikant, in 1709 te Wormerveer (in de kerk die zijn grootvader had laten bouwen) en vanaf 1714 te Delfshaven.

Belangrijkste publicaties
Predicatie van ’t langh hair. Over I. Corinth. 11,14 (Dordrecht 1645); aldaar herdrukt in 1649 en 1659, in Groningen 1768, Stadskanaal 1865, met nawoord Kaalkop of ruighoofd opnieuw uitgegeven door Magdi M. Tóth-Ubbens (Utrecht 1973).
Vier predikatien (Dordrecht, Abr. Andriesz, 1649); uitgebreid tot Vijf predikatien (Rotterdam, Arnoud Sand-vlucht, 1654), met zijn eigen versie van de Predicatie van ’t langh hair eraan toegevoegd.
Kort begryp der christelyke leere (Dordrecht, Hendrick van Esch, 1651); tot in de 20e eeuw vaak, maar onder verschillende titels herdrukte catechismus; de tiende druk als De catechismus in korte vragen en antwoorden, met schriftuer-plaatzen (Amsterdam, Jacobus Bouman, 1695). Duitse vertaling in Quedlinburg, 1701. Vertaald voor de VOC in het Maleis (door Georg Heinrich Werndly; ook François Valentijn meldde dat hij het vertaald had) en het Tamoel. Hierbij gewoonlijk ook Eenige kleyne vragen voor de jonge kinderkens gevoegd, ook wel het Vragenboekje of Kinderkatechismus genoemd. Na de eerst bekende druk (Enkhuizen 1661) verschenen regelmatig heruitgaven onder licht verschillende titels (Korte kindervragen, 1708; Kleine vraagjes, circa 1780), alsmede Engelse vertalingen (in de VS nog in 1938). De afbeeldingen hierin zijn ook wel afzonderlijk gedrukt, bijvoorbeeld Bybelse print-verbeeldingen volgens het geleiden van den Eerw. J. Borstius (Amsterdam, K. de Wit, circa 1750).
Geestelicke genees-konst, inhoudende raedt tegen de doodt, ende middelen tot een eeuwigh-durende gesontheydt, 2 delen (Dordrecht, Jacob Braat, 1651-1652), herdrukt o.a. te Dordrecht 1655-1658, Leeuwarden 1665, Amsterdam 1677, Leeuwarden 1736 (zesde druk), Stadskanaal circa 1864.
Gesprek met eenigen die zich Socynianen noemen (Rotterdam 1656). [Antwoord op: Een brief van een Sociniaen aen Jacobus Borstius (z.p. 1654)].
De koningh Ahasveros: dronken en gram. Lucifers questie in Christi familie (Rotterdam, Joh. Borstius, 1663; herdrukt 1668); moderne herdruk Rijssen 1998.
Het nieuw Zion, vertoonende de heerlickheydt &c. van Christi kercke, met de nieuwe hemel en aerde (Rotterdam, Joh. Borstius, 1664).
De suchtende bruydt, over den bloed-bruidegom, ofte Korte bedenckingen en gebeden over het lyden en sterven onses Zalighmakers (Rotterdam, Joh. Borstius, 1664); moderne herdruk Rijssen 1992 en 2005 / Predicatien over het lyden van Jezus Christus (Rotterdam 1694).
Bedenckingen en gebeden over de voorbereydinghe tot het Heylige Avondtmael Onses Heeren Jesu Christi, 2 delen (Rotterdam, Joh. Borstius, 1665); herdrukt Stadskanaal 1863, Assen, 1870.
Van het opregten eener suivere Kerk (Rotterdam, Wesel, 1670).
Esau, oder unersättlicher Geizhals (Frankfurt, G. Muller, 1671).
Kort en oprecht verhael van het danssen, kussen en omhelsen van Mr. Jean de Labbadie, en zijn geselschap binnen Erfort, na datse het H. Avondtmael met malkanderen hadden gehouden (Rotterdam, Joh. Borstius, 1671).
De vermakelijke wandeling na den hemel (Amsterdam, Gerardus Borstius, 1672); herdrukt Amsterdam 1734, Lemmer 1884; moderne uitgave samen met Verklaring van Paulus woorden: wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen (Rijssen 2005, Kampen 2008).
Verscheyde consideratien over den tegenwoordigen toestant van ons lieve Vaderlandt, Of een kort verhael van sommige ghedenckwaerdige saecken, gedruckt voor de liefhebbers van zijn Hoogheydt (Rotterdam 1672); vele uitgaven van dit pamflet in hetzelfde jaar, ook in Duitse vertaling.
Vyftien predicatien over verscheyde texten van de Heylige Schrifture, behelsende de voornaamste pligten van een Christelijk leven (Amsterdam, Gerardus en Arnoldus Borstius, 1696; Utrecht, Thomas Appels, 1696), waarin ook zijn biografie; moderne herdruk samen met ’t Regt oordeel over Gods kromme wegen (Rumpt 1999).
De verborgenheid der Godzaligheid, 2 delen (Rijssen 2001, Rumpt 2010), moderne bewerking.

 Literatuur
Van der Aa, I, 298-299.
Glasius, Godgeleerd Nederland, I (1851), p. 140-144.
BWPGN, I (1907), p. 515-520.
NNBW, IV, p. 228-229.
BWGNP, III, p. 49-50.
Lijk-gedachtenis van den eerwaardigen, gode-yverigen D. Jacobus Borstius [lijkdicht door Joachim Oudaen] (Rotterdam, Joh. Borstius, 1680).
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I (Utrecht 1841), p. 427-435, 447-472; II (Utrecht 1845), p. 770.
K, Exalto, De dood ontmaskerd (Amsterdam 1975), p. 141-156.
W.J. Op ’t Hof, Puriteinse invloed op Jacobus Borstius, in: De Nadere Reformatie, 11 (1987), p. 12-18.
Janita van Nes, Voorzichtig als een slang en onbevangen als een duif? De speelruimte van een predikant uit de beweging van de Nadere Reformatie: Jacobus Borstius in Dordrecht (1644-1654) (Masterscriptie Geschiedenis, Erasmus Universiteit Rotterdam, FHKW, 1997).

Willem Frijhoff (april 2016)

 

Sluit het Verborgen Museum