Jacobus Albertus Wilhelmus (Jaap) Burger

20-08-1904 (Willemstad)  -  19-08-1986 (Wassenaar)

Mr. J.A.W. Burger tijdens een persconferentie over de stand van zaken bij de kabinetsformatie op 20 februari 1973 in Den Haag. Foto Dick Coersen/ANP.

Geboren op 20 augustus 1904 te Willemstad (N.Br.), overleden in Wassenaar op 19 augustus 1986. Hij was het enige kind van Hein Burger (1874-1914) en Petronella Wilhelmina Catharina van der Poel (1877-1954). Zijn vader was eigenaar van een steenkolenhandel. Jaap huwde op 20 mei 1947 in Dordrecht Emma (Emmy) Petronella Visser (4 mei 1919-december 1997). Zij was gescheiden en had uit haar eerste huwelijk een zoon: Jacob Cornelis Treure (1944). Jaap Burger nam mede de zorg voor de opvoeding van Jacob op zich. Uit het huwelijk van Jaap en Emmy werden geen kinderen geboren.

Burger was advocaat en procureur in Dordrecht. In 1943 stak hij over naar Engeland. Hij werd daar door koningin Wilhelmina gewaardeerd om zijn politieke ideeën over de opbouw van Nederland na de oorlog. In Londen bekleedde hij naar de wens van de koningin diverse belangrijke politieke functies. Na de oorlog was hij betrokken bij de Bijzondere Rechtspleging als president van het Tribunaal in Dordrecht en was hij op velerlei gebied bestuurlijk actief, vooral politiek. Hij heeft in Dordrecht een belangrijke rol gespeeld als advocaat met een scherpe blik voor de misstanden in oorlogstijd. Zijn observaties beschreef hij in zijn Oorlogsdagboek.

Jaap kwam uit een meelevend Nederlands-Hervormd gezin, woonachtig in Willemstad. De ouders behoorden tot de Christelijk Historische Unie (CHU). In Willemstad doorliep hij de lagere school (1909-1915). Op zijn tiende jaar overleed zijn vader. De schoolkeuze voor het voortgezet onderwijs werd bepaald door de protestantse achtergrond van het gezin. Hij bezocht de Keucheniusschool voor Mulo in Oud-Beijerland (1915-1918), de dichtstbijzijnde school voor protestants-christelijk voortgezet onderwijs, hoewel dat onder zijn intellectuele niveau was. In 1918 ging hij naar de Rijks-HBS in Oud-Beijerland. Hij behaalde daar in 1923 het diploma. Na het staatsexamen Gymnasium-ß, behaald in 1924, kon hij gaan studeren aan een universiteit. Zijn rebelse natuur kwam onder andere tot uiting door een schending van de zondagsheiliging: toen hij 16 was zwom hij op een zondag het Hollands Diep over tussen Willemstad en Numansdorp. Het water heeft hem altijd getrokken; zwemmen en zeilenwaren zijn hobby’s.

Hij studeerde rechten (Staatsrecht en Nederlands recht) aan de Universiteit van Utrecht en behaalde in 1926 zijn kandidaatsexamen. Het doctoraal examen legde hij in 1929 af in Amsterdam aan de Gemeentelijke Universiteit, thans de Universiteit van Amsterdam. In zijn Utrechtse studententijd werd hij lid van de NCSV, de Nederlandse Christelijke Studenten Vereniging. Daar ontdekte hij dat je als christen ook socialist kon zijn. In Amsterdam werd hij lid van de Sociaal-Democratische Studenten Club. Daar ontmoette hij onder anderen econoom en latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen (1903-1994), sociologe en politica Hilda Verwey-Jonker (1908-2004), de latere hoogleraar politieke ideeëngeschiedenis Bertus Schaper (1907-1991) en de jurist en journalist Bernard van Tijn (1900-1990). Hij deelde hun soms overspannen idealisme niet, maar als nuchter calvinist hanteerde hij het mensbeeld van de tot alle kwaad geneigde zondaar. In 1929 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), maar had (nog) geen politieke ambitie. Hij is in de jaren dertig enkele malen gevraagd voor de Dordtse gemeenteraad en de Provinciale Staten, maar weigerde steeds.

In 1929 maakte hij vele reizen, onder andere door Zwitserland en Engeland. Hij liep kort stage bij een advocatenkantoor in Rotterdam. Van 1930 tot 1943 was hij als zelfstandig advocaat en procureur in Dordrecht gevestigd. Hij hield kantoor aan de Prinsenstraat 6. Hij richtte de afdeling Zuid-Holland van het Bureau Arbeidsrecht (1929) op, een orgaan van het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Daar leerde hij Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961) kennen, de latere premier in Londen, die als Rijksbemiddelaar werk verrichtte bij het vaststellen van collectieve arbeidsovereenkomsten in diverse bedrijfstakken. Burger vervulde daar een functie als advocaat. Hij verbleef vaak bij zijn oom en tante Jan en Cor Burger-Koomans in de Wijnstraat 87 (vernummerd tot 139) tegenover de Nieuwbrug.

In zijn Oorlogsdagboek beschreef hij de bezetting in Dordrecht kritisch tot 13 februari 1943. Burger nam niet actief deel aan het verzet. Als advocaat zette hij zich wel in voor Dordtse Joden door te helpen bij constructies waarbij hun kapitaal niet werd opgeslokt door Lippmann & Rosenthal, een malafide bank in dienst van de Duitsers om de Joden hun geld en vermogen te ontnemen. Zijn oom Jan liet vanaf oktober 1942 het gezin van zijn Joodse huurder Emanuel Benedictus onderduiken op een zolder van het huis grenzend aan hun tuin. Later kwam daar ook Bets van den Berg bij, een oud klasgenote van Jaap van de HBS en ook juriste.

In mei 1943 werd Burger benaderd door verzetsman Anton Schrader (1917-2000). Die had een stuurman nodig voor de overtocht naar Engeland met tien ondergedoken mannen die gevaar liepen. Schrader wist dat Burger de wateren van de Biesbosch, het Haringvliet en de Nieuwe Waterweg goed kende. Na een mislukte poging kwamen ze toch ongehinderd in Engeland. Een ander motief om over te steken was het verlangen om het onbegrip bij Radio Oranje in Londen (‘De stem van strijdend Nederland’) over de april-meistakingen van 1943 weg te nemen. Na onderzoek en een stevige ondervraging, zoals gebruikelijk was bij elke Engelandvaarder, werd hij toegelaten tot koningin Wilhelmina. Hij viel bij haar in de smaak, vooral door de brochure Perspectief van onzen tijd, over de politieke situatie die na de bezetting zou ontstaan, die hij op 1 januari 1943 publiceerde. In mei werd deze brochure in Engeland gedrukt en later in Nederland illegaal verspreid. In deze brochure gaf Burger zijn visie op wat er in Nederland na de oorlog moest gebeuren. Hij pleitte voor een democratie, geleid door een sterk gezag. Deze min of meer autoritaire aanpak sloot naadloos aan bij de opvattingen van koningin Wilhelmina. Op 11 augustus 1943 begon zijn politieke loopbaan in Londen met een ministerschap zonder portefeuille, speciaal belast met de voorbereiding van de terugkeer van de regering naar Nederland en met de wetgeving met betrekking tot de bestraffing van foute Nederlanders.

Zijn ervaringen in bezet gebied, waardoor hij de situatie in Nederland beter kende dan de ministers die de hele oorlogstijd in Londen verbleven, en zijn visie op de toekomst leverden hem veel tegenwerking van andere ministeries op. Burger wilde een snel herstel van alle parlementaire vertegenwoordigingen. Dit standpunt was de oorzaak van de verwijdering tussen Wilhelmina en Burger. Op 31 mei 1944 werd hij minister van Binnenlandse Zaken. De definitieve breuk op 24 januari 1945 kwam door zijn kritiek op het functioneren van het Militair Gezag toen Burger als kwartiermaker-minister in bevrijd Nederland constateerde dat er een veel te autoritair bewind werd gevoerd.

Op 20 november 1945 werd Burger lid van het Noodparlement. Vanaf 16 mei 1946 vertegenwoordigde hij daarin de net opgerichte Partij van de Arbeid, opvolger van de SDAP. Op 16 maart 1946 werd Burger benoemd tot president van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging in Dordrecht. Hij was betrokken bij de berechting van ‘foute’ Dordtenaren. Op die manier werd hij uitvoerder van de besluiten die hij als minister mede had genomen. De praktijk van de Bijzondere Rechtspleging bleek zich te ontwikkelen zoals Burger min of meer had voorspeld; de rechtszaken werden in plaats van een collectieve administratieve maatregel steeds meer een individuele rechterlijke beoordeling per geval. Hij bleef in functie tot 1 juni 1948. Tijdens zijn presidentschap van het Tribunaal woonde hij op de Aardappelmarkt 17. Vanwege het vele werk als Kamerlid verhuisde het echtpaar Burger in januari 1953 naar de Van Oldenbarneveldtweg 18 in Wassenaar.

Hierna kwam de nadruk te liggen op zijn politieke functies. Van 1952 tot 1962 was hij fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer. Vanwege aanhoudende kritiek op zijn ongepolijste politieke stijl verliet Burger de Tweede Kamer. Daarna werd hij lid van de Eerste Kamer van 1963 tot 1970. Tussen 1966 en 1970 was hij tevens lid van het Europees Parlement. Hij werd gevreesd om zijn scherpe opmerkingen en doortastende aanpak. Meerdere malen werd hij gevraagd als formateur en informateur op te treden voor de realisering van een nieuw kabinet. Burger wordt beschouwd als de architect van het kabinet Den Uyl dat in 1973 aantrad. Van 1970 tot 1979 was hij lid van de Raad van State, waarna hij zich terugtrok uit de politiek. Terugkijkend op zijn carrière vond hij zijn rol als formateur van het kabinet Den Uyl zijn belangrijkste prestatie. Burger had namelijk zijn hele leven gestreden tegen de confessionele politiek, ondanks of misschien wel dankzij zijn afkomst. Nu was het hem gelukt enkele prominente vertegenwoordigers van de Anti Revolutionaire Partij (ARP) en de Katholieke Volkspartij ( KVP) los te weken uit hun partij en op persoonlijke titel deel te laten nemen aan het meest linkse kabinet tot dan toe.

Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 30 april 1949.
Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 1962.
Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau, 1979.

Publicaties
Perspectief van onzen tijd. Opgedragen aan het Nederlandsche volk door een Engelandvaarder, thans belast met een regeringsfunctie in Engeland (1943).
Voor of tegen een rechts kabinet (1959).
Het Nederlandse parlementaire stelsel (1965) (medeauteur).
Oorlogsdagboek, bezorgd door Chris van Esterik (Amsterdam 1995).

Bronnen en literatuur
G. Puchinger, Hergroepering der partijen? (Delft 1968).
Ch. van Esterik en J. van Tijn, Jaap Burger: een leven lang dwars (Amsterdam 1984).
J. Bosmans, Burger, Jacob Albertus Wilhelmus (1904-1986), in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel IV, p. 75.
J.J. Lindner, Jaap Burger, wars van amateurisme en wolligheid, in: P. Brill (red.), Kopstukken van het Laagland. Een eeuw Nederland in honderd portretten (Amsterdam 1999).

Kees Weltevrede

Sluit het Verborgen Museum