Jacob Muys van Holy

circa 1540 (Dordrecht)  -  07-09-1592 (Dordrecht)

Ets door Samuel van Hoogstraten naar een eigentijds schilderij van Anthonie Blocklandt van Montfoort, met achtregelig onderschrift (Regionaal Archief Dordrecht 551-11011).

Geboren te Dordrecht circa 1540, overleden te Dordrecht op 7 september 1592, begraven in het hoogkoor van de Grote Kerk onder een grafzerk met zijn 16 kwartieren. Zoon van Pieter Muys van Holy Jacobsz (1500-1569), schepen van Dordrecht en deken van de houtkopers, en van jonkvrouw Ermgard Jansdr van Alblas (overleden 1576). Gehuwd in 1561 met Elisabeth van der Linde, dochter van Hugo Pietersz, heer van de Lindt en Woude, en van Cornelia Mols. Uit dit huwelijk vijf kinderen: Hugo (overleden 1626, heer van Woude, Kethel en Spaland, door de koning van Zweden geridderd, schout en burgemeester van Dordrecht, gedeputeerde in de Staten van Holland, lid van de Raad van State, eerst gehuwd met Philippote Casembroot en vervolgens met Catharina Rataller), mr. Arend (schepen van Dordrecht en baljuw van Zuid-Holland, overleden 1622), Cornelia (gehuwd met Wynand Rutgers, door de koning van Zweden geridderd, bewindhebber van de West-Indische Compagnie), Maria (gehuwd met Frederik van der Heyden, overleden 1612, rentmeester van de prins van Oranje) en Margaretha (gehuwd met Pompejus Jacobsz de Roovere, heer van Hardinxveld, overleden 1638, schout van Dordrecht 1620-1626, baljuw van Zuid-Holland, lid van de Raad van State en in 1634 waardijn van de Munt te Dordrecht).

Als oudste overlevende zoon in een talrijk gezin (zijn ouders kregen zestien kinderen van wie er acht in leven bleven) was Jacob Muys van Holy voorbestemd zijn vader in het stadsbestuur van Dordrecht op te volgen. Hij koos al vroeg de kant van de Opstand en van de Hervorming. Na de overgang naar de prins werd hij in oktober 1572 de eerste schout van Dordrecht onder het nieuwe bewind. Hij vervulde tot zijn dood een reeks van belangrijke stedelijke en gewestelijke ambten.

Het Dordtse regentengeslacht Muys van Holy was afkomstig uit Schiedam. Het voerde zijn oorsprong terug op de heerlijkheid Holy, genoemd naar de ridderhofstede bij die stad (thans gemeente Vlaardingen). Het pretendeerde van riddermatige afkomst te zijn en uit de heren van Heemstede te stammen. Recent historisch onderzoek trekt beide claims in twijfel: de Dordtse Muys van Holy’s zouden in werkelijkheid afstammen van de Schiedamse burger Jacob Muysz uit het midden van de vijftiende eeuw en van oorsprong geen bijzondere relatie met de heerlijkheid Holy hebben. Maar het is wel zeker dat de familie Muys al tot de Schiedamse bestuurselite behoorde voordat Jacobs vader in 1539 tot die van Dordrecht toetrad. Al in 1585 liet de familie (wellicht Jacob zelf, als toenmalig hoofd van het geslacht) door de houtvester van Holland bevestigen dat zij vanouds het jachtrecht bezat, een privilege dat aan riddermatige lieden was voorbehouden.

Over Jacobs jeugd is niets bekend. Dat zijn ouders belijdend katholiek waren, blijkt uit een memorietafel uit 1558 inde vorm van een drieluik, vermoedelijk voor een Dordtse kerk, waarop zij met hun kinderen op de zijpanelen staan afgebeeld (huidige verblijfplaats onbekend, laatste vermelding te Barcelona). Na het overlijden van zijn vader werd hij op 28 september 1571 raad in Dordrecht. Op religieus gebied was hij hervormingsgezind; politiek gezien sloot hij zich aan bij de partij van het verzet tegen landvoogd Alva en koning Filips II. Dordrecht gold overigens lang als een koningsgezinde stad. De stedelijke overheid voerde er een gematigde politiek, al werden andersdenkenden wel vervolgd door de fel katholieke schout Jan van Drenckwaert (in 1572 gevlucht naar het Zuiden, in 1606 overleden). Mede door het ageren van de politieke tegenstanders van Alva en van cryptoprotestanten (burgers die in het geheim de nieuwe leer hadden omhelsd) zoals Jacob Muys, die de kern van de Dordtse Oranjegezinden uitmaakten, groeide de onvrede onder de bevolking. Op 23 juni 1572 verschenen de watergeuzen voor de stad. Toen hun aanhangers het stadhuis wilden bezetten, droeg schout Van Drenckwaert de schutterij op de geuzen te beschieten, waarop Jacob Muys als lid van de schutterij repliceerde: ‘Zoo ghij naer buyten schiet, zoo sullen wij na binnen schieten’. Toen bovendien was besloten dat alle objecten van de katholieke eredienst (kelken, cibories, monstransen, goud- en zilverwerk) bij hem moesten worden ingeleverd, werd hij bij plakkaat van 1 augustus 1572 door koning Filips als kapitein van de rebellen gebrandmerkt.

Samen met de regenten Adriaan van Blijenburg senior (1511-1573), diens zoon Adriaan junior (1532-1582) en nieuwkomer in de raad Cornelis Henricxz (die even later tot burgemeester werd benoemd) behoorde Jacob Muys van Holy tot het viertal Dordtse gedeputeerden die van 19 tot 23 juli 1572 te Dordrecht de eerste vrije Statenvergadering van het gewest bijwoonden, volgens overlevering in het augustijnenklooster, het huidige Hof. De Dordtse stadssecretaris Jacob Pauwelsz Hallincq fungeerde daarbij als secretaris. Onder het nieuwe bewind werd Jacob Muys op 29 oktober 1572 tot schout aangesteld en was hij verantwoordelijk voor de orde in de stad. Hij cumuleerde daarbij enkele stedelijke en gewestelijke functies. In 1574 werd hij ontvanger-generaal van Holland en West-Friesland, commies van de financiën van het gewest en thesaurier van de oorlog (een functie die enigszins vergelijkbaar is met die van minister van financiën). Op 8 juli 1577 werd hij benoemd tot burgemeester van Dordrecht. Al op 16 oktober van dat jaar ontving hij in die functie prins Willem van Oranje en zijn broer graaf Jan van Nassau en trakteerde hen op een uitstapje naar de eendenkooien van Dubbeldam. In 1578 kocht hij het nog bestaande huis Oostenrijck aan de Voorstraat, gebouwd in 1561. In 1583 werd hij door de prins tot schout en baljuw van Zuid-Holland aangesteld. Hij was tevens dijkgraaf van Moerkerkerland (nu in de gemeente Binnenmaas gelegen).

Jacob Muys van Holy stond dicht bij prins Willem en genoot diens volle vertrouwen. Al in 1573 werd hij tot een van zijn raden aangesteld. Gedurende de eerste twee decennia na de overgang van Dordrecht vervulde hij een groot aantal politieke missies in binnen- en buitenland, vaak op initiatief van de prins, en hij speelde een vooraanstaande rol bij de pogingen de politieke en religieuze geschillen te regelen. Zo werd op 15 januari 1575 in het augustijnenklooster de Unie van Dordrecht tussen de steden van Holland en Zeeland gesloten. In 1577 tekende hij als eerste afgevaardigde van de Staten van Holland en West-Friesland de Unie van Brussel ter bevestiging van de Pacificatie van Gent (1576) die de godsdienstkwestie bedoelde te regelen, maar uiteindelijk niet het beoogde resultaat bereikte.

Zijn vrouw had van haar overleden broer Joris van der Linde de heerlijkheid Woude bij Ridderkerk geërfd met een ridderhofstad en zeventig morgen land. Toen Jacob Muys na zijn huwelijk heer van Woude was geworden, liet hij op de fundamenten van het oude huis een nieuwe stenen toren bouwen. Ook liet hij tussen Slikkerveer en Ridderkerk een aantal buitengronden bekaden en indijken, die sindsdien als Woudepolder of Muysepolder bekend staan. Tenslotte eigende hij zich wederrechtelijk een deel van de buitendijkse Kerkenoorden in Ridderkerk toe, wat hem in 1590 op een slepend proces met de gereformeerde kerk van die plaats kwam te staan dat eerst in 1600, acht jaar na zijn dood, werd afgesloten. In de buitenmuur van de door zijn zoon en opvolger Hugo in 1610 gebouwde hofstede in Ridderkerk is nog steeds het alliantiewapen Muys van Holy-Rataller te zien.

Jacob Muys van Holy is in de stadsgeschiedenis bekend gebleven als de regent die samen met Cornelis Henricxzn de overgang naar het nieuwe prinsgezinde, anti-koninklijke en gereformeerde bewind regisseerde. In het onderschrift bij zijn portret door Samuel van Hoogstraten (1627-1678) wordt hij geëerd als de man die vrijheid van staat en godsdienst bracht:
‘Gy ziet hier Vaderland, en Vaderlyke Stad,
Hem die u Slaverny in Vryigheyd verkeerde,
Dit’s Muys van Holy, die Gemoed-dwang van u weerde,
En meerder zuchts voor u als eygen Leeven had’.

Literatuur
Balen, II, p. 1135-1137 (met zijn portret).
NNBW, III, kol. 892-893.
K.W. Swart, Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand 1572-1584 (Den Haag 1994).
J.I. Israel, De Republiek 1477-1806 (7e druk, Franeker 2008).
P. Schotel, Strijd om de macht, in: Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum 1998), p. 15-19.

Willem Frijhoff (december 2013)

Sluit het Verborgen Museum