Jacob Kramers

28-09-1802 (Dordrecht)  -  26-04-1869 (Gouda)

Portret van Jacob Kramers

Jacob Kramers werd 28 september 1802 te Dordrecht geboren en Nederlands Hervormd gedoopt op 3 oktober 1802. Hij overleed tussen 17 en 26 april 1869 in Gouda. Hij werd 27 april 1869 in Gouda begraven. Jacob was de zoon van Jan Kramers (Dordrecht 8 mei 1757-Dordrecht 23 juli 1832), winkelier en houder van een leesbibliotheek, en van Geertruij Schouten (Tuil, nu Neerijnen 1764/1765-Dordrecht begraven op het Nieuwkerkhof 30 september 1807). Bij hun huwelijk op 5 november 1796 was Jan weduwnaar van Geertruij van Rhijnen met wie hij op 13 mei 1781 in Dordrecht trouwde. Jan trouwde andermaal op 17 maart 1808 met Johanna van Geluk en tenslotte op 8 november 1826 met Hendrika Polman.

Jacob trouwde in Dordrecht op 7 augustus 1822 met Catharina Schouten (Spaarndam 8 september 1797-Gouda 9 augustus 1877). Zij was de dochter van Cornelis Jacobsz Schouten (Spaarndam 14 november 1771-Spaarndam 14 juli 1827), blokmaker en ontvanger van de binnenvuurgelden (belasting voor schepen die de Zuiderzee bevaren voor het onderhoud van de vuurbakens) en Sophia Charlotta Strobach (Spaarndam 13 maart 1771-Gouda 8 juli 1852). Uit dit huwelijk werden geboren: Geertruida Johanna (Vreeswijk 15 december 1822-Gouda 7 maart 1866), onderwijzeres; Cornelis (Vreeswijk 6 februari 1824); Jan (Vreeswijk 26 februari 1825-Sao Paulo, Brazilië 1886), garen- en touwfabrikant; Sophia Charlotte (Vreeswijk 17 maart 1827-Apeldoorn 15 mei 1917); Jakob Hendrik (Schoonhoven 29 juni 1828-Gouda 29 maart 1848), onderwijzer; Hendrik Willem (Schoonhoven 6 april 1830-Gouda 28 april 1884); Catharina (Schoonhoven 2 november 1831-Schoonhoven 24 februari 1835); Willem Simon (Schoonhoven 25 januari 1833-Schoonhoven 13 augustus 1834); Willem Simon (Schoonhoven 22 september 1834-Gouda 10 mei 1887), scheepsgezagvoerder; Simon Dirk (Leiden 27 maart 1836-Het Loo, Apeldoorn 28 maart 1908) en levenloosgeboren dochter (Gouda 24 april 1838).

In een Dordtse kroniek wordt Jacob Kramers in 1889 herdacht als: ‘hoofdonderwijzer, instituteur, schrijver van woordenboeken, Nederduitsch dichter, enz.’ Deze onderwijsman zal zelf het liefst als ‘taalmeester’, ‘letterkundige’ of ‘lexicograaf’ herinnerd worden. Hij was een van de productiefste en belangrijkste woordenboekenschrijvers van de 19de eeuw. Zijn woordenboeken worden nog tot op heden, zij het in aangepaste vorm, herdrukt. Zijn werk was vernieuwend en vond in brede kring toepassing. Kramers vroeg zich desondanks af ‘of het toenemend gebruik van woordenboeken niet ook zijne schaduwzijde heeft en niet krachtig die oppervlakkigheid in de hand werkt, waarover men heden te dage regtmatig klaagt…’.

Jacob was definitief vrijgesteld van militaire dienst. Hij had na de loting een remplaçant gevonden in zijn broer, mogelijk Johannes Christiaan (Dordrecht 2 april 1800), ‘welke plaatsvervanger in dienst overleden is’. Jacob was op zijn twintigste jaar onderwijzer en zal de opleiding daartoe bij een Dordtse schoolmeester hebben gehad. Kort na zijn huwelijk verlieten Kramers en echtgenote de stad en vestigden zich in Vreeswijk (nu Nieuwegein). Hij was daar werkzaam als onderwijzer in de periode 1822-1827. Het gezin trok naar Schoonhoven toen Kramers daar met ingang van 1827 de aantrekkelijke functie van instituteur, kostschoolhouder, van een Nederduits-Franse school kon vervullen.

In Schoonhoven bewoog hij zich in de betere kringen en was lid van het plaatselijke departement tot Nut van ´t Algemeen. In 1833 kreeg Kramers een conflict met de plaatselijke onderwijscommissie. Die constateerde dat zijn dagschool niets te wensen overliet, maar dat zijn kostschool in een vervallen staat verkeerde. De oorzaak zou zijn zedelijk gedrag zijn, mogelijk had hij een drankprobleem. De Commissie besloot hem, ‘uit compassie’ met zijn gezin, de dagschool te laten behouden, maar voor de kostschool iemand anders te benoemen. Tenslotte nam Kramers op 21 oktober 1834 ontslag.

Het gezin trok vervolgens naar Leiden waar Kramers enkele jaren werkzaam was als ´taalmeester´. Hij woonde er in wijk 3, Hoogewoerd nr. 338. Daar werd op 27 maart 1836 zijn zoon Simon Dirk geboren. Niet veel later werd Jacob in Gouda benoemd tot secondant (ondermeester) van de Nederduits-Franse school van J. Schouten. Die functie was beneden zijn niveau, maar een financiële noodzaak zal een rol hebben gespeeld. De school liet volgens het inspectierapport uit 1838 veel te wensen over, maar het onderwijs in taal en wetenschappen van Kramers oogstte lof. Enkele jaren later was Jacob in Gouda zelfstandig en gaf particulier onderwijs. De Dordtse kroniek noemt Kramers ook dichter. Zijn debuut op dit gebied was een eerbetoon aan chirurg J.H.L. de Haan. Die had Kramers´ zoon Hendrik, acht jaar oud, met een ’gelukkig volbragte operatie van den steen’ verlost. Kramers schreef het uitvoerige gedicht Offer der dankbaarheid. Deze dankbetuiging werd in 1840 gepubliceerd door uitgeverij G.B. van Goor, die zich in 1839 in Gouda als boekhandelaar en uitgever had gevestigd.

In 1841 verscheen meer dichtwerk bij uitgeverij S.E. van Nooten in Schoonhoven: Proeve van luimige dichtstukjes en in 1842 volgde Keur van fabelen voor de Nederl. jeugd in versmaat. Na 1845 publiceerde hij geen gedichten meer; zijn dichtwerk is in vergetelheid geraakt. Een onverwacht pad bewandelde Kramers in 1847 met het publiceren van een gebedenboekje voor kinderen van drie tot twaalf jaar onder het pseudoniem B. Markers. Een vrijwel onbekende activiteit van Kramers lag op het muzikale terrein. In 1840 verscheen in Oudewater Gezangen voor de jeugd op muzijk gebragt voor drie stemmen, begeleid door piano.

Kramers’ eerste woordenboek gaf Van Goor in 1847 uit onder de titel: Algemeene kunstwoordentolk, bevattende de vertaling en verklaring van alle vreemde woorden en zegswijzen, die in geschriften van allerlei aard, in de taal der zamenleving, in handel, bedrijf enz. voorkomen; met aanduiding van de uitspraak en den klemtoon dier woorden en naauwkeurige opgave hunner afstamming en vorming, een pretentieuze titel. Het boek zou 950 pagina’s tellen. Het betekende een loodzware opdracht voor Kramers. Die ging dan ook te rade bij anderen. Hij maakte in sterke mate gebruik van Allgemeine verdeutschende und erklärende Fremdwörterbuch van J.W.A. Heyse, het Fremdwörterbuch  van J.H. Kaltschmidt en het Frans-Duitse woordenboek van D.J. Mozin. Voor de etymologie gebruikte Kramers het werk van de Duitser Buschman.

De ongebruikelijke en soms absurde woorden in deze Algemeene kunstwoordentolk vormden in die tijd geen probleem. Uitgever J.L. van Vliet uit Den Haag contracteerde Kramers zelfs voor het schrijven van een klein kunstwoordenboek. Het verscheen in augustus 1848 als Kramers’ woordenschat.  Dit tot ongenoegen van Van Goor die in oktober reageerde met Kramers’ woordentolk verkort. Misschien was deze gebeurtenis de aanzet voor Van Goor om met Kramers dat jaar een arbeidscontract te sluiten. Het Kunstwoordenboek, het Geographisch-statistisch-historisch-woordenboek in twee delen (1850) en het Geographisch woordenboek der geheele aarde dat in 1855 verscheen, werden goed ontvangen. Het waren degelijke werken en Kramers’ naam werd ermee gevestigd.

In opdracht van zijn uitgever werd zijn aandacht verlegd naar zakwoordenboeken voor de moderne talen. Kramers’ woordenboeken voor de drie moderne talen wortelen in de drie zakwoordenboeken die Van Goor uitgaf onder de naam A. Jaeger; pseudoniem van Kramers. Kort na elkaar verschenen Frans (1857), Duits (1858) en Engels (1859). De uitgever speelde slim in op de Onderwijswet van 1857. Daarbij werd het mogelijk ook in het meer uitgebreid lager onderwijs (het Mulo) vreemde talen te onderwijzen. De Onderwijswet op het middelbaar onderwijs van 1863 onderstreepte het belang van vreemde talen. Rond 1865 zorgden Kramers’ woordenboeken voor de meest-winstgevende producten van de uitgeverij.

Het pseudoniem Jaeger werd door Kramers gebruikt omdat hij ruimhartig gebruik had gemaakt van werken van de Duitse uitgeverij  Tauchnitz. Kramers’ werk was slechts een heel lichte bewerking van de uitgaven van C.B. Tauchnitz (1816-1895) die geen van alle op naam van een auteur stonden. Mogelijk is dat de verklaring voor het gebruik van het pseudoniem, waarvoor het initiatief bij Van Goor lag. In 1866 vond Van Goor de tijd rijp om de zakwoordenboeken onder de naam van Kramers uit te geven, maar die van Jaeger bleven nog vele jaren daarnaast bestaan. In 1866 gebruikte Kramers de naam R.P. Rijnhart voor zijn vertaling van een Frans huishoudkundig woordenboek, dat verscheen onder de titel Algemeen woordenboek van het praktische leven in de stad en op het land.

Kramers was kritisch op de opdrachten van zijn uitgever. Die had hem opgedragen het Nieuw Fransch-Nederduitsch en Nederduitsch-Fransch woordenboek van de Delftse kostschoolhouder S.J.M van Moock te bewerken. Kramers vond deze boeken zo slecht dat hij besloot zelf een nieuw woordenboek samen te stellen: ‘Een woordenboek dat zoveel doenlijk alle nomenclatuur bevat; een woordenboek, eindelijk, dat niet enkel de gekuischte taal der letterkunde en der beschaafde standen, maar ook de dagelijksche volkstaal opneemt’. Van 1854 tot 1862 werkte Kramers hier aan, een werk dat hij als zijn magnum opus beschouwde.

De recensies van zijn werk waren lovend, maar het werk viel Kramers zwaar. De uitgever moest hem vaak aansporen zijn verplichtingen na te komen. Kramers werd drankzuchtig, hield zich niet aan zijn toezeggingen en had regelmatig geldgebrek. Kramers werkte in 1869 aan een technologisch woordenboek dat in vier talen zou verschijnen, toen hem een ongeval overkwam. Op 17 april 1869 ‘s avonds laat was hij op weg naar zijn woonhuis aan de Kattensingel 115/116. Niet ver daar vandaan werd hij pas op 26 april gevonden, verdronken in het water van de Kattensingel. De Goudsche Courant van 29 april 1869 meldde: ‘Heden werd mij het vermoeden tot zekerheid, dat mijn echtgenoot, de heer Jacob Kramers Jz, letterkundige alhier, door een noodlottig toeval op den 17e april jl. het leven heeft verloren.’

Gouda 26 April 1869.                                                                         C. Kramers – Schouten.

Enkele publicaties
In Vaderlandsche letteroefeningen:
De ezel
(1832).
Het gevecht van den leeuw en den stier (1833).
Neêrlands koning (1834).

Enkele uitgaven door G.B. van Goor:
Algemeene kunstwoordentolk
(1847).
Kramers’ woordentolk verkort (1848).
Geographisch woordenboek der geheele aarde (1855).
Nouveau dictionaire de poche. Français-Hollandais et Hollandais-Français (1857).
Neues Taschen-Wörterbuch, Deutsch-Holländisch und Holländisch-Deutsch (1858).
A new pocket-dictionary of the English and Dutch and Dutch and English languages (1859).
Nouveau dictionnaire neêrlandais-français (1862).
Nieuw Nederlandsch-Fransch woordenboek (1862).
Vreemde-woordentolk (l865).
Woordenboek voor het praktische leven, (2 delen) (1866).

Literatuur
G. Kolff, G.B. van Goor, in: Nieuwsblad voor den boekhandel (16 juni 1871).
Biografisch woordenboek der Nederlanden, bijvoegsel (1878), p. 337.
J.A. Smits van Nieuwerkerk, J.A.: Korte kroniek voor Dordrecht: waarin van elke dag een historisch feit uit de geschiedenis vermeld wordt (Dordrecht 1889).
NNBW, deel 2 (Leiden 1912), p. 719.
E. Sanders, Leven en werk van Jacob Kramers, in: N. Sijs (red.): Woordenboeken en hun makers (Den Haag 1998), p. 104-142.
R. Reinsma, Verslag lagere, middelbare en Latijnse scholen in Noord- en Zuid-Holland, in: Zuid-Hollandse studiën 11 (Voorburg 1965), p. 7-157.
J. Posthumus, Van Jaeger naar Kramers, in: Lexicografie in Nederland, hoofdstuk 3, dissertatie aan de Vrije Universiteit (Amsterdam 2009).
J. Rijlaarsdam, Want ik verlang zeer naar de school, dissertatie aan de Vrije Universiteit (Amsterdam 2010), p. 175.

Cees Esseboom (december 2018)

 

 

 

Sluit het Verborgen Museum