Jacob Hendrik Hoeufft

29-07-1756 (Dordrecht)  -  14-02-1843 (Breda)

Portret van Jacob Hendrik Hoeufft

Jacob Hen(d)rik Hoeufft werd 29 juli 1756 in Dordrecht geboren, gedoopt op 1 augustus, en overleed 14 februari 1843 in Breda. Hij was de zoon van Jan Hoeufft (Dordrecht gedoopt 4 december 1709-Dordrecht 19 februari 1793) luitenant-admiraal, en Louise Margaretha barones van Diest (Kleef gedoopt 5 juni 1733-1758). Hij trouwde 2 juli 1780 in Dordrecht met Margaretha Johanna van den Brandeler (Dordrecht 1763-Dordrecht 5 maart 1854), dochter van Johan Jacob van den Brandeler (Dordrecht 27 maart 1723-Dordrecht 17 januari 1801) ontvanger van de verponding en Maria Catharina van der Burch (Den Haag 29 november 1730-Dordrecht 3 januari 1801). Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Jacob Hendrik Hoeufft was jurist, dichter en taalkundige. Tijdens zijn studie aan de universiteit bleek hij een talent voor het schrijven van Latijnse gedichten te hebben, maar ook het proza in die taal hanteerde hij met gemak. Hij verdeelde zijn leven tussen twee steden: Dordrecht en Breda. In Dordrecht kwamen zijn bestuurlijke kwaliteiten naar voren, want daar was hij bijna vijftien jaar in diverse stedelijke ambten werkzaam. Vanwege zijn financiële onafhankelijkheid vond hij in Breda de vrijheid van een patriciër in ruste. Hoeufft beoefende er de eerste twintig jaren zijn vele liefhebberijen op taalkundig gebied. Hij ijverde voor het Latijnse gedicht en verwierf de bijnaam ‘nestor van de Nederlandse Latijnse dichters’.

De familie Hoeufft was een aanzienlijke familie en voerde een wapen met als spreuk ‘Optimus quisquis nobilissimus’ (‘de beste is de edelste’). Jacob was amper twee jaar oud toen zijn moeder overleed. Doordat zijn vader vaak uithuizig was door zijn functie bij de marine van Holland en West-Friesland, nam zijn grootmoeder uit Kleef de hervormde opvoeding van Jacob op zich. Op latere leeftijd bleek hij gevoelig voor een baan bij de zeedienst, maar zijn vader gaf de voorkeur aan een bestuurlijke functie. Na zijn onderwijs in de elementaire vakken meldde hij zich in 1766 op de Dordtse Latijnse school onder het rectoraat van Antony de Rooij (1724-1806). Jacob trof een school aan die in verval was. De rector bracht een jaar eerder bij zijn benoeming drie kostleerlingen mee uit Kampen waardoor het totaal aantal leerlingen van de school tot negen steeg.

Mogelijk dat het kwijnende bestaan van de school en het weinig hoogstaande onderwijs vader Hoeufft deed besluiten zijn zoon in Den Haag op de Latijnse school aan te melden. Jacob studeerde er met veel succes. Hij sloot in 1772 zijn studie af met een zelf geschreven Latijnse redevoering en ontving zijn bewijs van toelating tot de universiteit. Hij was toen 15 jaar. Vader Hoeufft achtte het daarom raadzaam hem eerst nog wat privélessen te laten volgen in Latijn en Grieks, maar tevens in de beginselen van de rechtswetenschap. Jacob ging die lessen in Dordrecht volgen bij Petrus van Dorp (1740-1799). Dat betekende een hernieuwde kennismaking, want Van Dorp was in 1767 tot preceptor aan de Dordtse Latijnse school benoemd. Van Dorp was naast taalgeleerde een uitstekend jurist en had toestemming van de curatoren voor het geven van privélessen in de rechtsgeleerdheid. Jacob was deze persoon dank verschuldigd, want Van Dorp bracht hem eveneens de eerste beginselen van de Latijnse dichtkunst bij.

In september 1773 schreef hij zich als student in aan de universiteit Leiden bij de faculteit rechtsgeleerdheid. Leermeesters waren Fredericus Guilielmus Pestel (1724-1805) voor natuurrecht en Bavius Voorda (1729-1799) onderwees hem in de Pandecten (samenvatting van Romeinse burgerlijke wetten). Hoeufft beëindigde zijn studie in Leiden met de verdediging van zijn proefschrift De Imperio eminenti (Over de gebiedende overheid: beperking van burgerlijke rechten in tijd van nood) op 21 juni 1777. Hij promoveerde daarbij in beide rechten, het Romeins en eigentijds recht.

Na zijn afstuderen vestigde hij zich tot 1780 als advocaat in Den Haag. Zijn passie voor de Latijnse dichtkunst kwam verder tot bloei. Landelijk had hij contact met ‘het hoofd der Latijnse dichters in de Republiek’ professor Petrus Burmannus Secundus (1713-1778). Samen met diens zoon Franciscus Petrus Burman publiceerde de 22-jarige Hoeufft in 1778 de Carmina juvenilia (= jeugdgedichten) met gezamenlijk werk. De publicatie oogstte veel bijval. In 1780 trouwde hij in Dordrecht en bleef daar tot 1795 werkzaam als advocaat en politicus.

Op 27 maart 1780 legde Jacob tegenover burgemeester Hugo Repelaer (1730-1804) de eed af als tweede secretaris van de burgemeesters. Naast zijn werkzaamheden beoefende Hoeufft ook in Dordrecht de Latijnse dichtkunst. Die ontwikkelde zich verder door zijn omgang met erkende Latijnse dichters als Pieter van Braam (1740-1817), boekhandelaar en uitgever, en Paul Henri Marron (1754-1832), de predikant van de Waalse gemeente sinds 1776. Met de laatste sloot hij een levenslange vriendschap. Hoeufft schreef ook Latijnse gelegenheidsgedichten, zoals over de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784), waarin hij de daden van admiraal Zoutman verheerlijkte.

Hoeufft was vanaf 1785 lid van het Dordtse College van Veertig (o.a. voor de nominatie van schepenen en oudraden). Van 1784 tot 1787 was hij tevens lid van de Achten (twee vertegenwoordigers uit de vier kwartieren van de stad) en voorzitter van dat college van 1787-1794. De Achten werden ook ingedeeld bij de zeven brandspuiten die de stad kende. De Achten, schepenen en oudraden functioneerden in tweetallen als brandmeesters van een slangenspuit. Jacob Hoeufft fungeerde als zodanig van 1787-1794 van brandspuit III die in het Hof was geplaatst. De functie van stadsbestuurder/brandmeester was voor 14 personen een automatisme.

Het huwelijk van Jacob en Margaretha Johanna van den Brandeler hield niet lang stand. Uit de eedaflegging voor de 25ste penning op het bezit in 1789 blijkt namelijk dat het huwelijk ontbonden was. In 1794 was Hoeufft nog actief in Dordrecht, want op 11 november van dat jaar legde hij de eed af als Acht. In 1795 verliet hij Dordrecht en vertrok naar Breda met het doel zich uitsluitend aan zijn liefhebberij te wijden: onderzoek op taalkundig en letterkundig gebied in brede zin. Hij was geruime tijd ambteloos burger in Breda en kon dat door het financiële vermogen dat hij na het overlijden van zijn vader als enig erfgenaam had verworven. Hij publiceerde in 1795 en 1797 twee in het Latijn vertaalde bundels van de Griekse gedichten van Anacreon (ca. 582-485 BC), een aantal jaren later gevolgd door een Nederlandse vertaling en Nederlandse versmaat van deze gedichten.

Hoeufft publiceerde vaker in het Nederlands. In 1812 verscheen een werk over oud-Friese spreekwoorden. Hij deed aan vergelijkend taalonderzoek door zich te verdiepen in dialecten en taalgebruik. Pas in 1814 accepteerde hij een bestuurlijke functie in de raad van de stad. Het aangeboden burgemeesterschap van Breda wees hij toen van de hand. Het vertrek in 1795 uit Dordrecht en het weer in functie komen in 1814 in Breda doet wel sterk denken aan pro-orangistische gevoelens. Hij maakte zich in Breda verder verdienstelijk als voorzitter van het armbestuur en liet armen ruimhartig delen in zijn vermogen.

Hoeufft schreef ook over het Brabantse dialect, waarbij hij probeerde de oorsprong en de ware betekenis van een woord of uitdrukking te vinden. Zijn studie van het Brabants vond hij tekort schieten, omdat hij ‘niet tot de laagste volksklasse of tot de lieden van de boerenstand heeft kunnen doordringen om uit hun mond het taaldialect nauwkeurig gade te slaan’. Het belette hem niet zijn Proeve van Bredasch taaleigen tussen 1836 en 1838 in afleveringen te publiceren.

In zijn laatste levensjaren nam zijn gezichtsvermogen sterk af. Vrijwel blind kon hij met de hulp van jonge geleerden zijn onderzoek nog voortzetten. Naast zijn fascinatie voor het Latijn had Hoeufft grote belangstelling voor de numismatiek. Zijn kostbare collectie penningen en munten bevatte een groot aantal zeldzame stukken. Zijn eveneens kostbare bibliotheek met zeldzame bijbeluitgaven en geschriften van klassieke schrijvers werd na zijn overlijden in Amsterdam geveild. Zijn bijzondere numismatische collectie vermaakte hij aan het Koninklijke Nederlandse Instituut (= de Akademie van Wetenschappen). De schenking ging samen met een legaat om uit de rente ervan jaarlijks een gouden of zilveren penning uit te reiken aan degene die het beste Latijnse gedicht schreef. De ereprijs was bedoeld ‘tot opwekking van den verflauwden lust voor de beoefening der Latijnsche poëzie’.

Zijn benoeming door Koning Willem I tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw was een van de vele blijken van waardering voor de letterkundige en Neo-Latijnse dichter Hoeufft. Hoeufft overleed op 86-jarige leeftijd. Volgens zijn laatste wilsbeschikking werd zijn stoffelijk overschot van Breda naar Dordrecht vervoerd om in het familiegraf op de algemene begraafplaats te worden bijgezet.

Enkele lidmaatschappen
Maatschappij der Nederlandse letterkunde.
Friesche genootschap ter beoefening van Friesche geschied-, oudheid- en taalkunde.
Proviciaal Utrechtsch genootschap.
Provinciaal genootschap van kunsten en wetenschappen in Noord-Braband.
Brusselsche academie.

Enkele publicaties
Carmina juvenilia (samen met F.P. Burman, 1778).
Pericula poetica (1783).
Vertaling van de gedichten van Anacreon in Latijnse gedichten (1795 en 1797).
Taalkundige aanmerkingen op eenige oud-Friesche spreekwoorden (1812).
Proeve van Bredasch taaleigen (1836-1838).
Verzameling van Fransche woorden uit de Noordsche talen afkomstig of door sommigen afgeleid (1836-1838).

Bronnen
RAD: toegang 256, 489 (Heerenboekjes).
www.dordtenazoeker.nl
Biografisch woordenboek der Nederlanden, deel 8, p. 877-881.
NNBW, deel 3, p. 595.
Maatschappij der Nederlandse letterkunde, Levensbericht van Jacob Henrik Hoeufft (jb. 1843).
C.R. Hermans, Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der Provincie Noord-Braband (’s-Hertogenbosch 1845).

Cees Esseboom (oktober 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum