Jacob Cornelisz de Witt

07-02-1589 (Dordrecht)  -  10-01-1674 (Dordrecht)

Portret van Jacob de Witt, geschilderd door Nicolaes Maes in 1657 (Dordrechts Museum 881-122).

Geboren te Dordrecht op 7 februari 1589, gestorven aldaar op 10 januari 1674. Jongste zoon van Cornelis Fransz de Witt (1545-1622), o.a. burgemeester van Dordrecht en Johanna Heymans (1547-1602). Huwelijk op 9 oktober 1616 te Dordrecht met Anna Maria van den Corput (1599-1645). Uit dit huwelijk zeven kinderen van wie er drie zeer jong overleden. Johanna (1617-1692), Maria (1620-1681), Cornelis (1623-1672) en Johan de Witt (1625-1672) bereikten de volwassenheid. Jacob was de broer van vervangend landsadvocaat Andries de Witt.

Jacob de Witt was een invloedrijk regent, heer van Melissant, Cromstrijen en Manizee, houthandelaar, schepen, Acht, Oudraad, Veertig en zes maal burgemeester van Dordrecht. Hij bekleedde ook bovenlokale functies. Zijn karakter wordt omschreven als onbuigzaam, zijn levenswijze als sober. Huisvriend predikant Petrus Wassenburgius (1587-1655) noemt hem vroom, deftig en ‘kerckelijk’. Jacob was gelovig maar geen dogmatische scherpslijper. Zonder de remonstranten te verketteren, koos hij tijdens de bestandstwisten partij voor prins Maurits (1567-1625) en de contraremonstranten. Volgens predikant Jacobus Borstius (1612-1680) werd hij in zijn ouderdom mensenschuw. Jacob onderhield vriendschappen met onder anderen rector Gerardus Vossius, pensionaris en dichter Jacob Cats, predikant Andreas Colvius, dokter Johan van Beverwijck en rector Isaac Beeckman.

Jacobs opvoeding was gericht op vroomheid, intellectuele beschaving en onverstoorbaarheid. Na huisonderwijs te hebben ontvangen schreef hij zich in aan de Latijnse school, onder het rectoraat van Gerardus Joannes Vossius (1577-1649). Jacob promoveerde op 21 juni 1616 in de rechten aan de Leidse universiteit, vermoedelijk direct na zijn grand tour die hem enkele jaren naar Duitsland, Italië, Frankrijk en Engeland had gebracht. In tegenstelling tot wat gebruikelijk was voor juristen, heeft hij zich niet als advocaat bij het Hof van Holland laten admitteren maar ging hij de houthandel in. Die houthandel had hij in 1614 geërfd. Ze was gelegen tussen de Grotekerksbuurt waar het woonhuis van de familie stond (huidige nummers 21 en 23) en de Houttuinen. Jacob schijnt geen goede houthandelaar te zijn geweest want het bedrijf leverde weinig op. Hij werd wel ‘den banckroetkoopman’ genoemd. Vandaar misschien dat de houthandel in twee fasen werd geliquideerd: een deel werd verkocht in 1633, de rest in 1651.

Zijn bestuurlijke loopbaan begon in 1618 toen hij gekozen werd tot lid van het college van Achten en lid van de Oudraad. Jacob de Witt was thuis in de financiële wereld want in 1618 was hij thesaurier van de Dordtse Synode en ook later hield hij zich ambtshalve bezig met geldzaken. Zo was hij ontvanger van de gewestelijke belastingen (1625-1637), lid van de Rekenkamer van Holland (1643-1645), lid van de Rekenkamer ter Auditie van Holland in het Zuiderkwartier (1643-1646) en vanaf 4 mei 1657 raad en rekenmeester van de rekeningen der domeinen van de Staten van Holland. In 1620 volgde het lidmaatschap van het college van Veertigen. Ook verkreeg hij een benoeming tot dijkgraaf van Mijnsheerenland. Tussen 1620 en 1637 was hij tienmaal schepen. Dat hij in aanzien stond, bleek ook uit het feit dat hij namens de Staten van Holland de begrafenis van de Friese stadhouder Graaf Ernst Casimir (1573-1632) bijwoonde.

Jacob hield zich ook met kerkelijke zaken bezig. Zo was hij op de Zuid-Hollandse synode van 1634 gedeputeerde namens de classis Dordrecht. Twee perioden was hij Gecommitteerde Raad van het Zuiderkwartier (1637-1639 en 1649-1650). Van 1648-1649 vertegenwoordigde hij Dordrecht in de Staten van Holland en het gewest Holland in de Staten-Generaal. Het burgemeesterschap van Dordrecht vervulde hij zes maal tussen 1639 en 1655. Ook buitenlandse zaken hielden Jacob bezig. Met de Amsterdamse burgemeester Andries Bicker (1586-1652) was hij in 1644 gezant naar Denemarken en Zweden om te bemiddelen tussen beide landen die in oorlog waren. Koningin Christina van Zweden schonk hem als dank een gouden penning. Tijdens deze ambassade overleed zijn echtgenote Anna op 22 januari 1645. Zij was al begraven bij terugkeer in Dordrecht. In oktober 1652 was hij onderhandelaar namens de Staten-Generaal bij de onderhandelingen met Portugal over de Braziliaanse belangen van de West-Indische Compagnie en in 1653 was hij gezant naar Lübeck om te bemiddelen in het Pools – Zweedse conflict.

Tijdens zijn burgemeesterschap in 1647 ontstonden ernstige moeilijkheden met de gilden in Dordrecht waarbij hij hard optrad. Hij was voorstander van de Vrede van Munster (1648) en tegenstander van stadhouder Willem II (1626-1650) die geen troepenvermindering wilde en de strijd tegen Spanje het liefst voortzette. De stadhouder zocht daartoe de steun van Frankrijk en zond een onbekende met een instructie naar kardinaal Mazarin (1602-1661), Frankrijks eerste minister. Toen de Staten van Holland op 4 juni 1650 toch besloten aanzienlijke infanterie- en cavalerieonderdelen af te stoten, volgde een bezending (rondreis) onder leiding van de stadhouder langs de stemhebbende steden om die er toe te bewegen van afdanking af te zien. Dordrecht, Hollands eerste stad, was als eerste aan de beurt op 5 juni 1650. Dordrecht liet de delegatie met tegenzin toe. Het eerste gesprek, gevoerd namens de stadhouder door Alexander van der Capellen tot Aartsbergen (circa 1592-1656) met het Dordtse stadsbestuur liep op niets uit. Dordrecht, bij monde van De Witt, week geen duimbreed. De toespraak die Van der Capellen hield bij het tweede gesprek, schoot de Dordtenaren in het verkeerde keelgat. Dordrecht werd er van beschuldigd de Unie van Utrecht te schenden. De Oudraad was diep beledigd. Toen de eisen van de prins bijna nergens werden ingewilligd, volgde op 30 juli 1650 een staatsgreep. Graaf Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664) stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, pleegde een aanslag op Amsterdam die door toeval mislukte. Vrijwel tegelijkertijd werd Jacob op het Haagse Binnenhof gearresteerd en samen met vijf andere regenten op slot Loevesteijn gevangen gezet. Hij gedroeg zich stoïcijns: rustig en beheerst. Deze internering gaf aanleiding tot de betiteling Loevesteinse factie voor de staatsgezinde antistadhouderlijke groep in de Republiek. De stadsregering van Dordrecht en Jacobs zoons spanden zich in voor zijn vrijlating. Die kwam op 17 augustus 1650 op voorwaarde dat De Witt zich uit de regering zou terugtrekken. Daaraan werd voldaan. Om elke schijn van een schuldbekentenis of het vragen van gratie te vermijden, had de familie De Witt de onderhandelingen hierover aan het stadsbestuur overgelaten. Door het plotselinge overlijden van Willem II op 6 november 1650 duurde zijn ambteloosheid niet lang. Dit betekende een politiek keerpunt: het was het begin van het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672), een periode die bekend bleef als De Ware Vrijheid. Op 8 november 1650 nam Jacob zijn plaats in de Oudraad weer in.

Op 18 januari 1651 begon de Grote Vergadering waar de zaken van de Unie, vooral kwesties rond militie en godsdienst, moesten worden geregeld nu er geen stadhouder meer was. Jacob de onbuigzame, pleitte hier voor amnestie voor de deelnemers aan de staatsgreep van 1650. Tijdens de Eerste Engelse oorlog (1652-1654) die voor de Republiek desastreus verliep en die beëindigd werd met de nadelige vrede van Westminster, kwam het in het orangistische Zeeland maar ook in meerdere Hollandse steden tot sterke Oranjebewegingen, zelfs zozeer dat Jacobs leven in Den Haag even gevaar liep. Langzamerhand wilde De Witt het wat kalmer aan doen. Geadviseerd door zoon Johan deed hij het uiterste om de functie van raad en rekenmeester van Holland en West-Friesland te bemachtigen. Daarin slaagde hij in 1657. Deze functie stelde hem in staat een rustig bestaan te leiden. Hij zou dit ambt tot 27 september 1672 vervullen. Na de moord op zijn zoons op 20 augustus 1672 werd hij uit veiligheidsoverwegingen naar Dordrecht overgebracht. Daar woonde hij in bij dochter Johanna. Hij overleed op 10 januari 1674 en werd begraven in de Sint-Catharinakapel in de Grote Kerk te Dordrecht.

Bronnen en literatuur
NNBW III, p. 1455-1456 (Japikse).
Van der Aa XX, p. 369.
Jacob de Witt, Eenvoudige uytdrucksels van godt-vruchtige gedachten, naergelaten by Jacob de Witt door zijn familie uitgegeven (Dordrecht 1674).
Matthijs Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677).
R. Fruin en N. Japikse, Brieven geschreven door en aan Johan de Witt (4 resp. 2 delen, Amsterdam 1909-1922).
Herbert H. Rowen, John de Witt, Grandpensionary of Holland, 1653-1672 (Princeton 1978).
Peter Schotel, De strijd om de macht, in: Willem Frijhoff e.a., Geschiedenis van Dordrecht 1572 tot 1813 (Hilversum 1998).
Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam 2005).
Genealogie De Witt: https://www.genealogieonline.nl/genealogie-de-witt/.

Roel Leentvaar

Sluit het Verborgen Museum