Jacob Cats

10-11-1577 (Brouwershaven)  -  12-09-1660 (Den Haag)

Borstbeeld van Jacob Cats uit 1635. Gravure door W. Delff naar een schilderij van M. Miereveld (Regionaal Archief Dordrecht 551-10863).

Geboren Brouwershaven 10 november 1577, overleden Den Haag 12 september 1660). Zoon van bierkoper Adriaen Cornelisz Cats (circa 1535-circa 1600) en Leenken Breyde (circa 1540-1579). Huwde op 29 mei 1605 in Amsterdam Elisabeth van Valckenburgh (circa 1579-1631). Uit dit huwelijk zeven kinderen, waarvan twee dochters de volwassen leeftijd bereikten: Anna (1609-1649) en Elisabeth (1618-1673).

Jacob Cats was een getalenteerd jurist die wist op te klimmen tot raadpensionaris van Holland, een functie die hij vijftien jaar vervulde. Daarnaast was hij een van de invloedrijkste dichters van de Gouden Eeuw. Zijn werk, dat gekenmerkt wordt door de didactische toon, moralistische strekking en eenvoudige toegankelijkheid, werd in zeer hoge oplagen verspreid. Met name zijn werken op het gebied van huwelijk en huwelijksmoraal kenden een grote populariteit. Daarnaast was hij zijn hele leven bezig met grondwinningsprojecten.

Jacob Cats stamde uit een lokaal Zeeuws regentengeslacht, zijn vader werd later burgemeester van Brouwershaven. In 1579, twee jaar na zijn geboorte, overleed zijn moeder en toen zijn vader in 1582 hertrouwde werd Jacob ondergebracht bij een tante en oom van moederskant in Zierikzee, Anna Breyde en Doen Leenaerts. In Zierikzee bezocht hij de Latijnse school. In 1592 vertrok hij naar Leiden, waar hij vanaf 1593 Grieks en rechten studeerde. Hij sloot zijn academische opleiding in 1597-1598 af met een Grand Tour naar Frankrijk en een promotie in de rechten in Orléans in december 1598.

Na terugkomst in Nederland vestigde Cats zich in juni 1599 in Den Haag als advocaat aan het Hof van Holland. In 1602 verbleef hij langere tijd in Engeland. Na terugkomst ging hij in 1603 naar Middelburg. Kort daarop trouwde hij. In zijn lucratieve Zeeuwse juridische praktijk behartigde hij veel zaken rond geconfisqueerde schepen. Toen hieraan – als gevolg van het Twaalfjarig Bestand – in 1609 een einde kwam, legde hij zich met zijn oudere broer Cornelis toe op landwinning en bedijking in onder meer Zeeuws-Vlaanderen. De winsten waren aanzienlijk maar gingen grotendeels weer verloren na de hervatting van de vijandelijkheden.

In 1621 volgde een nieuwe stap in zijn carrière toen hij werd benoemd tot pensionaris van Middelburg. Als rechtsgeleerd raadsman fungeerde hij onder meer als woordvoerder van de afgevaardigden van de stad in de Statenvergaderingen. Al na anderhalf jaar, per 1 mei 1623, volgde een aanstelling in dezelfde functie in Dordrecht. Hij vestigde zich aan de Wijnstraat en later op de hoek van de Hoge Nieuwstraat en de Lange IJzeren Brug; beide huizen bestaan niet meer. Als pensionaris behartigde Cats de Dordtse belangen in de Staten van Holland, zoals de handhaving van het stapelrecht. Daarnaast kreeg hij verscheidene kleinere taken, zoals bibliothecaris van de stadsbibliotheek en curator van de Latijnse school. In 1627 werd hij als afgezant van de Staten van Holland naar Engeland gestuurd om te onderhandelen over Hollandse schepen die door de Engelsen in beslag waren genomen. Op last van de Staten-Generaal moest hij bovendien spreken over een Engels-Nederlands conflict over Ambon. De missie slaagde gedeeltelijk: Cats kreeg een aantal schepen vrij en zelf hield hij er een adelsbrief van de orde van Sint Joris aan over.

In 1629 overleed raadpensionaris Anthony Duyck. Als pensionaris van Hollands eerste stad was Cats degene die hem tijdelijk moest vervangen als rechtskundig adviseur van de Staten van Holland. Hij kocht daartoe een huis in Den Haag. Uiteindelijk duurde het tot 1631 voor er een echte opvolger van Duyck kwam. Cats was kandidaat, maar Adriaan Pauw werd benoemd. Cats, wiens vrouw enkele maanden eerder was overleden, reisde andermaal voor langere tijd in Engeland, onder meer in verband met een groot inpolderingproject waarin hij geïnvesteerd had, en keerde toen terug naar Dordrecht.

Frederik Hendrik had weinig op met raadpensionaris Pauw, reden waarom de prins hem in 1634 als gezant naar Frankrijk stuurde en daar voorlopig ook hield. Cats nam andermaal het raadpensionarisschap waar. In 1635 werd hij aangesteld als curator van de Leidse universiteit. Uiteindelijk werd hij op 4 juni 1636 daadwerkelijk tot raadpensionaris verkozen en verliet hij Dordrecht definitief. In 1645 werd hij bovendien grootzegelbewaarder van Holland. Cats bleef raadpensionaris tot 1651. Tot zijn laatste publieke taken hoorde het voorzitten van de Grote Vergadering van 1651, waarin na de onverwachte dood van Willem II de politieke kaarten in de gewesten opnieuw werden verdeeld. In 1651-1652 leidde Cats nogmaals een gezantschap naar Engeland om te proberen de oorlogsdreiging tussen de beide zeevarende naties te bezweren. Daarna trok hij zich terug uit het politieke leven. Hij vestigde zich op zijn buitenplaats Sorghvliet bij Den Haag, waar hij het huidige Catshuis liet bouwen en zijn laatste jaren sleet.

Parallel aan zijn politieke carrière maakte Cats furore als Nederlandstalig dichter. In 1618 had hij gedebuteerd met een vernuftige bundel emblemen (een combinatie van tekst en beeld), Silenus Alcibiadis, sive Proteus. Sinn’-en-minne-beelden. Als initiatiefnemer van de bundel Zeeusche nachtegael (1623) emancipeerde hij de Zeeuwse dichtkunst. Cats publiceerde vele andere werken, waarvan met nameSelf-stryt (1620), Houwelick (1625) en Trou-ringh (1637) enorme populariteit verwierven. In zijn Dordtse jaren werkte hij samen met Johan van Beverwijck, wiens medische geschriften hij van Nederlandse verzen voorzag. In 1655 verschenen Alle de wercken, drie jaar later volgde een uitgebreide uitgave. Cats bleef literair actief tot op zijn sterfbed.

Cats’ raadpensionarisschap kreeg lang weinig aandacht. De twintigste-eeuwse waardering was grotendeels negatief – hij zou niet uitgesproken en krachtig genoeg zijn geweest. Het is de vraag of dit terecht is. Cats stond op goede voet met Frederik Hendrik, hij wist conflicten te vermijden en tijdens zijn ambtsperiode zou de Nederlandse Republiek naar de toppen van haar macht groeien. Het oordeel over Cats als literator geeft eveneens een gemengd beeld: hij oogstte vanaf het begin zowel bewondering als kritiek. Zijn vroegnegentiende-eeuwse populariteit werd teniet gedaan door het optreden van Busken Huet. Sindsdien is zijn werk vooral studiemateriaal voor literatuurwetenschappers.

Zie voor Cats’ werken het bibliografische overzicht in P. Dijstelberge inl., J. Bos & J.A. Gruys red., Cats catalogus. De werken van Jacob Cats in de Short-Title Catalogue, Netherlands (Den Haag 1996).

Bronnen en literatuur
H. Smilde, Jacob Cats in Dordrecht: leven en werken gedurende de jaren 1623-1636 (Groningen 1938).
P. Minderaa red., Aandacht voor Cats bij zijn 300-ste sterfdag. Studies naar aanleiding van de herdenking op 12 september 1960 (Zwolle 1962).
Visies op Jacob Cats en zijn tijd, in: Bulletin van de Werkgroep Historie en Archeologie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen nr. 28 (1978).
D. ten Berge, De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob Cats (‘s-Gravenhage 1979).
A. Th. van Deursen, De raadspensionaris Jacob Cats, in: Tijdschrift voor geschiedenis 92 (1979), p. 149-161.
W.W. van Valkenburg, De nakomelingen van Mr. Jacob Cats, in: Liber amicorum Jhr. mr. C.C. Valkenburg (’s-Gravenhage 1985), p. 385-418.
Verdere gegevens in Van der Aa 3, p. 243-252; NNBW 6, p. 279-285.

Johan Koppenol (april 2012)

Sluit het Verborgen Museum