Isaac Beeckman

10-12-1588 (Middelburg)  -  19-05-1637 (Dordrecht)

Op bezoek bij Jacob de Witt loste Beeckman een huishoudelijk probleem voor diens echtgenote op. Het voorstel van Anna van den Corput keurde Isaac goed en voerde hij uit (Journael Beeckman, deel 3, p. 282, 1633).

Geboren Middelburg 10 december 1588, overleden 19 mei 1637 in Dordrecht. Oudste zoon van Abraham Beeckman (1563-1625), kaarsenmaker, en Susanna Pieters van Rhee. Trouwde 20 april 1620 in Middelburg met Cathelina de Cerf uit Nupkerke in Vlaanderen (nu in Frankrijk). Uit dit huwelijk zeven kinderen, vijf zoons en twee dochters, van wie alleen Catharine (1624-1708) ouder werd dan 5 jaar. Van Isaac Beeckman is geen portret bekend.

Isaac schreef op 11-jarige leeftijd gedichten en een toneelstuk en ging 12 jaar oud naar de Latijnse school in Arnemuiden. In 1602 volgde hij de rector naar de Latijnse school van Veere. Op 21 mei 1607 schreef hij zich in als student in de letteren en wijsbegeerte, de propedeuse voor zijn theologiestudie in Leiden, waarbij hij zich vooral richtte op wiskunde en filosofie. In Leiden startte hij zijn Journael, een soort dagboek waarin Isaac allerlei invallen, veronderstellingen en oplossingen noteerde op het gebied van onder meer luchtdruk, valwetten, meteorologie, filosofie, scheikunde, astronomie en wiskunde, deels in het Latijn, deels in het Nederlands. Hij probeerde alledaagse verschijnselen te verklaren en daarin een wetmatigheid te ontdekken. In 1610 had hij de studie in de theologie vrijwel afgerond. Terug in Middelburg leerde hij in vaders bedrijf het vak van kaarsenmaker, was na enkele jaren meester en werd in 1611 lid van het kaarsenmakersgilde van Zierikzee.

De studie bleef trekken en voorjaar 1612 vertrok hij naar het Franse Saumur waar hij aan de hugenotenacademie zijn theologische opleiding afrondde. Belangrijk was de nevenstudie in de natuurfilosofie, waarbij verschijnselen in de natuur werden bestudeerd en verklaard. Eind 1612 terug in Zierikzee, wilde hij op een van de Zeeuwse dorpen als predikant beroepen worden. Dat beroep bleef uit en Isaac ging zich toeleggen op het aanleggen en repareren van waterleidingen, pompen en fonteinen. In 1616 verkocht hij zijn kaarsenmakersbedrijf en ging opnieuw in het bedrijf van vader werken. Tegelijkertijd begon hij een zelfstudie in de medicijnen, waarvan de bekroning op 18 augustus 1618 volgde aan de universiteit van Caen in Normandië met het behalen van het licentiaatexamen, op 6 september gevolgd door zijn promotie tot doctor in de geneeskunde na verdediging van stellingen over de derdedaagse koorts. Zijn promotor, Denys Porée de Vendes, beoordeelde de presentatie als ‘geleerd en elegant’. Daarmee was Beeckman afgestudeerd theoloog en gepromoveerd medicus.

Isaac ging naar een oom in Breda en hielp hem in de schoenmakerij/leerlooierij. Daar ontmoette hij onder anderen Catelina de Cerf, zijn latere echtgenote. In december 1619 kreeg de onderwijsloopbaan van Isaac gestalte door zijn benoeming als conrector aan de Latijnse school van Utrecht, waar hij naast de klassieke talen kosmologie onderwees, een wetenschap die hem als natuurfilosoof na aan het hart lag. Een jaar later ging hij, intussen getrouwd, onbezoldigd les geven aan de Rotterdamse Latijnse school waar zijn broer Jacob rector was. Het was een wens van de broers samen aan een school vorm en inhoud te geven. Het salaris van Jacob, de kostgelden van de ruim zestig leerlingen die bij hem in huis woonden en het schoolgeld bleken voldoende om er twee gezinnen van te onderhouden. In 1624 werd Isaac aangesteld als conrector.

Zijn faam resulteerde in de benoeming tot rector van de Dordtse Latijnse school. In mei 1627 vestigde Isaac zich met zijn gezin in het voormalige klooster van de Grauwezusters op de hoek van de Nieuwstraat/Augustijnenkamp, waar de school sinds 1579 was gevestigd. De school groeide door de naam die Beeckman als geleerde had opgebouwd. In december 1629 werd zijn broer Abraham (1607-1663) als docent aan de school benoemd.

De Dordtse predikant van de Waalse kerk, Andreas Colvius, was bevriend met Beeckman. Hij stelde hem zijn belangrijke bibliotheek ter beschikking en introduceerde hem in de culturele kringen. Beeckman ontmoette daardoor onder anderen Jacob Cats, Johan van Beverwijck en de invloedrijke regent Jacob de Witt, vader van Cornelis en Johan. Bij De Witt nam Beeckman deel aan wetenschappelijke discussies op theologisch, literair en natuurwetenschappelijk gebied. De politieke stellingname van Beeckman is niet duidelijk. Weliswaar was hij geen aanhanger van de regentenpartij, maar hij sprak zich niet uit als oranjegezind. Als contraremonstrant was hij een volgeling van Gomarus.

Op Beeckmans verzoek had het Dordtse stadsbestuur een torentje op de school laten bouwen waaruit hij waarnemingen verrichtte op natuurkundig, meteorologisch en astronomisch gebied. Daardoor werd hem door het ‘gewone’ volk een speciaal vermogen toegedicht. De rector zou over voorspellende gaven beschikken! Het leidde in 1631 tot paniek, toen er verteld werd, dat de stad getroffen zou worden door een viertal gelijktijdige branden. Het gerucht werd gesteund door het feit dat er op de genoemde dag een brand uitbrak. Over deze ‘rumores falsi’ en de ‘onwetentheyt der menschen’ verbaasde Beeckman zich in zijn Journael.

Beeckman wilde in Dordrecht een onderwijsinstituut voor natuur- en wiskundige wetenschappen oprichten. De magistraat voelde niets voor een Collegium physicomathematicum en evenmin voor een Collegium mechanicum met aandacht voor (natuur)filosofie en met Nederlands als voertaal voor leerlingen en burgers. Dit laatste was in Rotterdam wel van de grond gekomen. Tijdens het lectoraat van Beeckman maakten Cornelis en Johan de Witt deel uit van de schoolbevolking.

Tijdens het rectoraat van Beeckman maakten Cornelis en Johan de Witt deel uit van de schoolbevolking. In de jaren 1634 t/m 1637 werd Dordrecht door de pest bezocht, waardoor bijna 20% van de bevolking overleed:
‘Den 20en Novemb. 1634 is joncker Philips van Stralen, een van myn costkinderen begraven, twee daghen sieck geweest hebbende, na het oordeel van den Hr Doctor van Someren van de peste. Denselven dach, alsomeest al myn kostkinderen op haer versoeck ende met toelatinghe van D. Butendyck scholarcha ende daerna met apporobatie van de reste, naer huys trocken, so synder oock sevene na Der Veren gereyst, waervan der ses desen 20en voorseyt ontrent de plate ten elf ueren voormiddach verdroncken syn, also haer schip overseylt wiert. Sins syn myn kostkinderen meestal achtergebleven, daer icker voor desen 50, 60, 70 in de kost hadde’ (Journael deel 3, p. 369, 1634). De leerlingen vertrokken dus naar veiliger oorden en de school nam danig in betekenis af. Met Isaac ging het evenmin goed; een familiekwaal, tuberculose, verzwakte hem, zoals uit zijn Journael blijkt; in mei 1637 overleed hij aan deze ziekte.

Isaac had internationale contacten, zoals met de filosoof René Descartes en de geleerde Franse minderbroeder Marin Mersenne. Met beiden bestudeerde hij muziek- en geluidstheoretische vraagstukken. De vriendschap met Descartes bekoelde sterk, doordat Descartes de invloed die Beeckman op zijn denken had uitgeoefend, ontkende en hem zelfs beschuldigde van het plagiëren van Descartes’ denkbeelden. Uit het Journael blijkt echter dat Descartes gebruik maakte van ideeën en oplossingen van Beeckman! Veertien jaar eerder dan Galileï beschreef Isaac de valwetten. De wetten van de botsing die Descartes in 1644 publiceerde, had Beeckman al in 1619 geformuleerd. Wat Torricelli over de luchtdruk ontdekte, was Isaac al dertig jaar eerder bekend. Tot wetenschappelijke publicaties kwam hij echter niet.

Na de dood van Isaac maakte broer Abraham (intussen rector in Vlissingen) een selectie uit het Journael en gaf die in 1644 uit. De publicatie van Isaacs bevindingen kwam echter te laat om van grote betekenis te zijn voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen. Hij genoot slechts erkenning van tijdgenoten; de blijvende roem die hem toekwam, kreeg hij niet. Abraham beschreef Isaac als: kort van posture, groot van oordeel, uytstekende in verstant, soet van aert ende aengenaem int converseren. Myde alle twist en tweedracht; was onder syn discipelen seer bemint ende lieftallich by iedereen.

Bronnen en literatuur
E.J. Dijksterhuis, Over het aandeel van Isaac Beeckman in de ontwikkeling der valwetten, in: Nieuw Archief voor wiskunde, tweede reeks, 14 (1925), p. 186-208.
C. de Waard, Isaac Beeckman 1588-1637, in: Twee Nederlandsche figuren uit de zestiende en zeventiende eeuw, in: Archives du Musée Teyler, serie III, deel IX (Den Haag 1941).
I. Beeckman, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634, bezorgd door C. de Waard, vier delen (Den Haag 1939-1953).
K. van Berkel, Isaac Beeckman (1588-1637) en de mechanisering van het wereldbeeld (Amsterdam 1983).
C. Esseboom m.m.v. N.L. Dodde, Minerva Dordracena  (Dordrecht 2003), p. 180-188.

Cees Esseboom (september 2012)

Sluit het Verborgen Museum