Herman(n)us Neuspitzer

1638 (Emmerik)  -  29-10-1689 (Dordrecht)

Borstbeeld rechts met lange pruik in ovaal van Hermanus Neuspitzer. Gravure door J. van Munnikhuizen. Poefdruk voor de letter (Regionaal Archief Dordrecht 551_11017).

Geboren in 1638 in Emmerik geboren, overleden op 29 oktober 1689 in Dordrecht en daar op 1 november 1689 in de Grote Kerk begraven. Hij was de zoon van Johan(n) Georg Neuspitzer, de stamvader van de Nederlandse tak Neuspitzer. Hermanus huwde 1. N.N. Hij ging op 22 februari 1671 in Gorinchem in ondertrouw met 2. Bernhardina (Berendina, Barendina) van Hoesden (Hausen) uit Emmerik. Het huwelijk werd op 8 maart 1671 in Emmerik gesloten. Neuspitzer had drie dochters: Anna Maria, Anna Margaretha en Maria Catharina.

Theoloog Hermanus Neuspitzer wijdde zijn leven aan het onderwijs. Hij bouwde een voortreffelijke reputatie op als wetenschapper en rector. Zijn rectoraten in Gorinchem en Dordrecht leidden beide tot groei en bloei van de Latijnse school. Neuspitzer publiceerde na het voltooien van zijn universitaire studie weinig. Van hem, een uitgesproken latinist, is uit de periode erna slechts een aantal Latijnse gedichten bekend. Toch werd hij door tijdgenoten als een belangrijk Nederlands letterkundige gezien. De Boekzaal der geleerde Waereld spreekt van ‘de beroemde rector de Heer Herman Neuspitzer’.

Neuspitzer, geboren in Emmerik (nu Emmerich am Rhein), ontving mogelijk daar als jongeling zijn klassieke vorming. Zijn voortgezette wetenschappelijke vorming speelde zich vooral af in de hogeschool (toen gelijk aan universiteit) van Harderwijk, waar hij op 23 september 1656 als student in de filosofie werd ingeschreven. Hermanus studeerde er vervolgens theologie en sloot die studie in 1658 af bij professor Paulus Colonius met het verdedigen van twee theses, stellingen: De praxi coenae dominicae (Over de viering van het Heilig Avondmaal) en De incarnatione verbi (De menswording van het Woord).

Neuspitzer ambieerde een onderwijscarrière. Van ongeveer 1660 tot 1665 was hij werkzaam als conrector van de Latijnse school in Gorinchem, aanvankelijk onder rector Johannes van Bulderen, die hem ook betaalde, en vanaf 1661 officieel in dienst van de stad onder rector Jordanus à Pavort. Neuspitzer lijkt volgens beoordelingen van stadszijde grotere kwaliteiten te hebben bezeten dan de rector. Na diens vertrek kwam het rectoraat van 1665 tot 1680 als vanzelfsprekend in handen van Hermanus. Zijn kwaliteiten lieten toe dat het rectorsalaris met 100 gulden steeg tot 500 gulden met vrije huishuur en 100 tonnen turf.

Neuspitzer solliciteerde eind 1679 naar de rectorplaats van de Dordtse Latijnse school, waar rector Petrus Surendonck was vertrokken. Hermanus was niet de enige gegadigde, want onder anderen de rectoren van Alkmaar, Veere en Tiel en de conrector van de Dordtse school, Abraham Valentijn, ambieerden de functie eveneens. Dat de keuze op Neuspitzer viel, zegt het een en ander over zijn reputatie als wetenschapper en rector. Neuspitzer onderhandelde met de presiderende burgemeester van Dordrecht over zijn salaris en emolumenten. Daarbij bereikte hij een unieke regeling. Naast de gangbare wedde van 800 gulden, vrije huur, vrijdom van accijns op wijn en bier en 350 tonnen turf voor verwarming van school en dienstwoning, werden enkele speciale eisen ingewilligd. Ten behoeve van zijn echtgenote werd vastgelegd: ‘ende in gevalle sijne E[dele] in desen dienst komt te overlijden, is sijne wed[uwe]. toegeseght de somma van een hondert Car[olus] g[u]l[den] jaerlijcx gedurende haer leven langh’. Een weduwepensioen dus van 100 gulden per jaar. Voor zichzelf bedong Hermanus dat hij bij arbeidsongeschiktheid een uitkering van de stad zou ontvangen, de grootte ter beoordeling van de vier heren burgemeesters.

Neuspitzer trof in Dordrecht een bloeiende school aan met veel leerlingen van buitenaf. De vele kostleerlingen die hij in huis (over)nam, betekenden een forse toename van zijn inkomen. Zijn echtgenote bekommerde zich in belangrijke mate over de inwonende jongens. Zijn reputatie groeide zodanig, dat hij in november 1685 een aantrekkelijk aanbod vanuit Den Haag ontving om aldaar het rectoraat van de Latijnse school op zich te nemen. Het Dordtse curatorium wist dat te verhinderen door het inkomen van de rector met 250 gulden per jaar te verhogen en hem voortaan vrij te stellen van alle stedelijke lasten en accijnzen. Deze behoudtoelage werd verleend ‘in erkentenisse van desselffs goede diensten tot institutie van de jeught binnen dese schole alberdijts gedaen ende noch onder de genadigen zegen van Godt almachtigh te doen’, zo verklaarde het curatorium van schooltoezichthouders. Bovendien ontving zijn echtgenote een bedrag van 200 gulden ter compensatie van het feit dat het echtpaar de afgelopen jaren slechts een gedeeltelijke vrijstelling van de stedelijke belastingen had genoten. Naast het rectoraat was Neuspitzer actief als ouderling in de Hervormde Kerk. In die functie werd hij onder meer enkele malen belast met gevallen van toverij en bezweringen die zich in de stad voordeden.

Neuspitzer en echtgenote maakten in oktober 1689 bij notaris Hugo van Dyck hun testament. De gezondheid van de rector liet te wensen over, want hij was ‘wat sieckelijck’, zoals de notaris vaststelde. Hij bleek niet in staat de pen te hanteren om de akte te ondertekenen. De rector bepaalde in zijn testament dat een jaar en zes weken na zijn dood een bedrag van drieduizend gulden (bijna drie jaarsalarissen) belegd moest worden op het Gemenelandscomptoir of Stadscomptoir in Dordrecht. Zijn wens was dat uit de renteopbrengst mannelijke studenten uit zijn familie financieel geholpen werden als zij een theologische studie volgden. Waren die familieleden niet voorhanden, dan kwam een zoon van de onderste twee preceptoren (leraren) van de Dordtse Latijnse school in aanmerking. Indien er geen kandidaten waren, groeide het kapitaal met de ontvangen rente. Neuspitzer bepaalde voorts dat zijn bibliotheek naar neef Jan Reynier Kelderman Neuspitzer zou gaan, eventueel voor de helft naar diens broer Hermanus als die zou gaan studeren.

Op 29 oktober overleed Neuspitzer. De curatoren betreurden het overlijden van de rector in hoge mate en roemden in een brief aan de ouders van de leerlingen zijn kwaliteiten: ‘dat hij de jeught aen hem toevertrouwt, soo in educatie als institutie met een vaderlycke sorge heeft aangequeekt en onderhouen, geinstrueert en doen instrueren’. De brief vermeldde ook dat de weduwe had verklaard de kostleerlingen die aan haar waren toevertrouwd, ‘in educatie en verder toesicht te blijven besorgen’. Voorts beloofden de curatoren maatregelen te nemen opdat ‘onse schole in volle luijster sal blijven volharden’. Al in december 1689 werd de rector van de Latijnse school uit Brielle, J. T. Schalbruch (eveneens theoloog), de nieuwe schoolleider.

Op 7 maart 1691 stelde de weduwe de curatoren op de hoogte van de wens van de rector. Zij werden aangewezen als bewindvoerders over het studiefonds. Zij aanvaardden de opdracht, waarmee het Hermanus Neuspitzer Fonds een feit was. Het curatorium bepaalde vanaf dat moment welke studenten (doorgaans uit Duitsland) in aanmerking kwamen voor de geldelijke steun. Binnen de familie waren het nazaten van neef Johan[n] Georg Neuspitzer die gebruik maakten van het stipendium, want Hermanus en zijn twee broers, Alexander (predikant) en Carl (kuiper en tolbeambte), hadden geen mannelijke nakomelingen. Het fonds kreeg de stichtingsvorm, maar bijna 300 jaar na het in werking treden van het fonds zag het bestuur ‘geen dwingende reden het studiefonds in stand te houden’. Burgemeester en wethouders van Dordrecht besloten op 20 januari 1987 de stichting en het Hermanus Neuspitzer Fonds op te heffen, waarna het saldo van 4.000 gulden in het Fonds Van Dongen werd gestort. Dit fonds had eveneens een onderwijskundige doelstelling, maar was breder van opzet: het verschaffen van onderwijs aan kinderen van minvermogende ouders.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht: archieven 8-A1990, 20, 98, 256, 489, beeldbank.
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, deel 2 (Utrecht 1845), p. 38-39.
G.D.J. Schotel, De illustre school te Dordrecht (Utrecht 1857), p. 91-93.
Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (NNBW), 1921, deel 5, kolom 365-366.
Boekzaal der geleerde waereld, deel 9, p. 509.
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), p. 186.
A.J. Busch en H.C. Landheer, Latijnse school en Gymnasium, klassiek onderwijs in Gorinchem vanaf 1600 (Gorinchem 1983).
C. Esseboom en N.L. Dodde, Minerva Dordracena (Dordrecht 2003), p. 198-202.

Cees Esseboom (mei 2015)

Sluit het Verborgen Museum